ECLI:NL:TGZRAMS:2018:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/047GZP
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2018:131 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-11-2018 |
| Datum publicatie: | 05-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018/047GZP |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de GZ-psycholoog onvoldoende zorg door onder meer haar onvoldoende houvast te bieden tijdens de behandeling door een inconsequente aanpak en wisselende houding (waardoor klaagster niet goed wist waar zij aan toe was), het ontbreken van een concreet behandelplan, onderbreking van de behandeling, grensoverschrijdend gedrag, het te laat opmerken van de anorexia-problematiek en het bieden van onvoldoende nazorg. deels gegrond, waarschuwing |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 16 januari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te
’s-Gravenhage binnengekomen en vervolgens naar dit college doorgestuurde en op 5 februari 2018 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
tegen
C,
GZ-psycholoog,
werkzaam te D,
v e r w e e r s t e r,
gemachtigde: mr. F. van Woerden-Poppe, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlage;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 28 mei 2018 gehouden vooronderzoek;
- de op 8 juni 2018 binnengekomen brief van de gemachtigde van verweerster.
De klacht is op 2 oktober 2018 op een openbare zitting behandeld. Klaagster was in persoon aanwezig. Verweerster was ook aanwezig en werd bijgestaan door mr. Van Woerden-Poppe, voornoemd.
2. De feiten
2.1 Verweerster is sinds 2011 werkzaam bij E te D (hierna: E). Verweerster was in eerste instantie bij E werkzaam als psycholoog, in opleiding tot GZ-psycholoog, sinds 2013 als GZ-psycholoog en sinds 2018 als GZ-psycholoog in opleiding tot specialist. E biedt ambulante psychotherapie en psychofarmacologische behandeling van patiënten met complexe problematiek.
2.2 Klaagster, geboren op mei 1970, is in de periode van oktober 2012 tot juni 2014 vanwege depressieve klachten in behandelding geweest bij GGZ F, locatie G te B.
GGZ F heeft de behandeling van klaagster in juni 2014 beëindigd vanwege een gebrek aan vertrouwen van klaagster in de behandelaars.
2.3 Op 31 juli 2014 heeft klaagster zich via een aanmeldformulier bij E voor behandeling aangemeld. Op het aanmeldformulier heeft zij meegedeeld een voorkeur te hebben voor behandeling door verweerster.
2.4 Naar aanleiding van de aanmelding heeft verweerster zowel telefonisch als per e-mail contact gehad met klaagster. Omdat uit die contacten bleek dat bij klaagster mogelijk sprake was van paranoïde trekken en ook borderline en suïcidaliteit bij klaagster aanwezig leken te zijn, heeft verweerster, die op dat moment al zwanger was, met haar supervisor, H, klinisch psycholoog bij E, besproken of zij klaagster wel in behandeling kon nemen. H heeft verweerster aangeraden te starten met een behandeling van klaagster, onder de voorwaarde dat door verweerster duidelijke voor tijdens de behandeling te hanteren spelregels zouden worden opgesteld.
2.5 Op 15 oktober 2014 heeft verweerster met klaagster een intakegesprek gehad. Verweerster heeft daarbij onder meer gemeld dat zij eind november 2014 met zwangerschapsverlof zou gaan. Verder heeft verweerster tijdens de intake een aantal afspraken met klaagster gemaakt. Het patiëntdossier vermeldt daarover het volgende:
Pte heeft de volgende punten geaccepteerd en gehoord:
- Geen suicidaliteit contacten: dit is geen crisisdienst. Dat weet pte en huisarts ook. Evt nogmaals met huisarts bespreken.
- Eerste diagnostiek (MINI, SCID, opvragen info vorige behandelingen en een PO bij collega tijdens mijn verlof) om een goed beeld te krijgen niet zomaar te gaan behandelen. Dan kijken na terugkomst verlof of en welke behandeling er ingezet kan worden. Als er geen behandeling ingezet kan worden: samen kijken naar wat wel.
- Eventueel kunnen er twee gesprekken met een collega tijdens mijn verlof worden gevoerd. Die zijn er echter alleen voor steunend contact, geen behandelgesprekken. pte geeft aan dat ze dit vooral met de huisarts wilt doen. Als is het maar zegt ze dan even haar huis uit kan.
- (…)
- Dat verlof periode door complicaties langer kan duren of eerder ingezet kan worden. Dit weet pte. Ze zegt: eventueel zowiezo na diagnostiek kijken hoe of wat.
2.6 Na het voormelde intakegesprek hebben wekelijks tot aan het zwangerschapsverlof van verweerster diagnostische gesprekken met klaagster plaatsgevonden. Op 24 november 2014 vond het laatste gesprek voor het zwangerschapsverlof plaats. Klaagster heeft daarbij gemeld geen vervanging van een collega van verweerster te willen tijdens het zwangerschapsverlof. Het patiëntdossier meldt daarover, voor zover hier van belang, het volgende:
Met pt besproken dat er dus naar pt wensen geen vervanging is geregeld tot mijn terugkomst van verlof bij E. Dat we hier ook het dossier zullen sluiten.
Dat ik dit in april zal heropenen als ik terug ben en patiënt zal mailen op 6 april 2014. Pt wilde liever dat ik haar dan zou mailen dan bellen. Pt geeft aan dat wij samen dan verder zullen gaan met de intakefase.
2.7 Op 27 november 2014 heeft verweerster haar eerste behandelplan opgesteld. Als doelstellingen van de behandeling vermeldt dit behandelplan het volgende:
- Kijken of er een werkrelatie met pt gevormd kan worden
- Pt probeert stapje voor stapje om opener te worden over zichzelf en haar problemen
- Kijken of psychotherapie voor pt geschikt is en welke behandelvorm voor haar zou aansluiten
- Start met proefbehandeling cgt
- Starten met een proefbehandeling cgt gericht op het verminderen van de kritische en straffende kant; het durven meer emoties te uiten en beter voor zichzelf zorgen .
In het behandelplan ontbreekt de naam van klaagster, ontbreekt de handtekening van klaagster en zijn ook niet de multidisciplinaire afspraken opgenomen.
2.8 Op 7 april 2015 heeft verweerster weer contact met klaagster opgenomen. Het eerste intakegesprek vond daarna plaats op 16 april 2015. Tijdens het intakegesprek heeft klaagster aan verweerster een cadeautje gegeven in verband met de geboorte van de dochter van verweerster. Dit werd door verweerster geaccepteerd. De wekelijkse sessies zijn daarna voortgezet. Tijdens die behandelsessies heeft verweerster regelmatig cadeaus van klaagster aangenomen en deze samen met klaagster uitgepakt. Een deel van de cadeaus heeft klaagster later teruggekregen.
2.9 Van eind december 2015 tot februari 2016 is verweerster vanwege vakantieverlof afwezig geweest. Evenals bij het vorige verlof heeft verweerster vooraf aan het verlof aan klaagster een aantal overbruggingscontacten met een collega van E aangeboden, maar wenste klaagster daar geen gebruik van te maken.
2.10 In de periode april-juni 2016 is klaagster in 6 weken tijd fors afgevallen. In verband daarmee heeft verweerster aan klaagster een begrenzing gesteld. Klaagster moest haar schildkliermedicatie, Thyrax, nemen anders zou de behandeling staken.
2.11 Tijdens een consult op 2 juni 2016 heeft verweerster aan klaagster gemeld dat zij voor de tweede keer zwanger was en eind oktober 2016 met zwangerschapsverlof zou gaan. In verband daarmee zijn aan klaagster een drietal sessie aangeboden met H om de periode van zwangerschapsverlof te overbruggen. Klaagster wilde daar geen gebruik van maken.
2.12 Klaagster heeft verweerster in oktober 2016 een cadeau gegeven, bestaande uit 20 gehaakte objecten/figuren die bij een kerststal horen. Verweerster heeft dat cadeau aangenomen. Verweerster heeft op haar beurt in oktober 2016 aan klaagster een armbandje gegeven.
2.13 Begin 2017 heeft verweerster de behandeling hervat. Na de hervatting van de behandeling heeft klaagster aan verweerster twee krukjes met daarop een gebreide hoes voor haar kinderen gegeven. Verweerster heeft dat cadeau aangenomen. Bij de hervatting van de behandeling heeft verweerster het ondergewicht van klaagster met haar besproken en haar gezegd dat het gewicht niet lager mocht zijn dan 42-43 kilo en dat anders de behandeling zou worden gestaakt. Tevens heeft verweerster er voor zorg gedragen dat klaagster door de huisarts voor controle werd doorverwezen naar het I.
2.14 In april 2017 heeft klaagster per post aan verweerster een werkboek voor eetproblematiek gestuurd.
2.15 Op 17 juli 2017 heeft een MDO plaatsgevonden waarbij het verloop van de behandeling van klaagster is besproken. Aanleiding daarvoor was een suïcide dreiging die klaagster een aantal dagen daarvoor had geuit. Het MDO heeft verweerster, op grond van de loop van de behandeling en omdat het er niet naar uitzag dat de therapie nog veel verbetering in de situatie van klaagster zou brengen, geadviseerd om de behandeling van klaagster binnen maximaal een half jaar af te ronden. Tevens werd aanvullende begeleiding van twee begeleiders naast verweerster om het verloop in de gaten te houden geadviseerd. Diezelfde dag heeft verweerster het advies van het MDO met klaagster besproken.
2.16 In een MDO van 28 augustus 2017 is nogmaals de beslissing om de behandeling van klaagster af te ronden besproken. Het MDO is toen wederom tot de conclusie gekomen dat het noodzakelijk was dat de behandeling van klaagster zou worden afgerond. In de periode nadat aan klaagster was meegedeeld dat de behandeling definitief in januari 2018 zou stoppen, heeft klaagster op het terrein van de praktijk diverse cadeaus achtergelaten.
2.17 Nadat klaagster in september 2017 tweemaal door de crisisdienst is beoordeeld in verband met suïcidedreiging door klaagster, is in oktober 2017 binnen het team van
E besloten om H medebehandelaar van klaagster te maken om zodoende het contact van klaagster met verweerster te verdunnen.
2.18 Op het geplande laatste gesprek van 15 januari 2018 is klaagster niet meer verschenen.
2.19 Bij brief van 17 januari 2018 heeft verweerster de huisarts van klaagster over het afsluiten van de behandeling geïnformeerd.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk en samengevat weergegeven in dat verweerster:
1. niet over voldoende ervaring beschikte om klaagster te kunnen behandelen,
2. tijdens de behandelperiode geen houvast aan klaagster heeft gegeven, dat een behandelplan heeft ontbroken, althans niet met klaagster is besproken, dat verweerster vaak heeft gezegd het niet meer te weten en niet consequent is geweest in haar voorwaarden,
3. aan klaagster het gevoel heeft gegeven dat er naast de relatie patiënt-behandelaar ook nog een privérelatie bestond door cadeaus van klaagster aan te nemen en cadeaus aan klaagster te geven,
4. de behandeling voor lange tijd heeft onderbroken,
5. te laat heeft opgemerkt dat klaagster anorexia heeft en haar zorg heeft onthouden door niet uit te leggen dat er twee behandeltrajecten naast elkaar kunnen worden gevolgd,
6. onvoldoende nazorg aan klaagster heeft verleend door na het sluiten van de behandeling klaagster naar haar huisarts terug te verwijzen.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Voorop wordt gesteld dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen van de beroepsbeoefenaar niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig gestelde handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard. Tevens geldt dat het bij het tuchtrecht in beginsel gaat om de persoonlijke verwijtbaarheid van de beroepsbeoefenaar.
5.2. Klaagster heeft aangevoerd dat verweerster niet over voldoende ervaring beschikte om haar te kunnen behandelen. In het kader daarvan wordt vastgesteld dat door verweerster onbetwist is gesteld dat zij bij aanvang van de behandeling van klaagster in oktober 2014 al een aantal jaren bij E werkzaam was, een instelling gericht op de behandeling van complexe persoonlijkheidsproblematiek, waarvan drie jaar als psycholoog en reeds één jaar als GZ-psycholoog, en dat zij waar nodig ondersteund werd door een supervisor. In 2016 is verweerster geregistreerd als junior schematherapeut en in 2017 heeft zij de specialistische vervolgcursus schematherapie gevolgd. Daarnaast is verweerster in 2017 aangenomen voor de opleiding tot specialist. Gelet op voormelde opleiding en ervaring van verweerster, wordt klaagster niet gevolgd in haar stelling dat verweerster over onvoldoende ervaring beschikte om haar te kunnen behandelen. Het eerste klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
5.3 Het tweede klachtonderdeel richt zicht tegen het ontbreken voor klaagster van houvast tijdens de behandeling, het ontbreken van een behandelplan en het niet consequent zijn van verweerster in haar voorwaarden jegens klaagster. Uit de door verweerster overgelegde stukken blijkt dat verweerster wel degelijk meerdere malen een behandelplan heeft opgesteld en bijgesteld. Het college is evenwel van oordeel die behandelplannen niet voldoen aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid redelijkerwijs mogen en moeten worden gesteld. Zo ontbreekt op de overgelegde behandelplannen de naam van de patiënt, ontbreekt de handtekening van de patiënt onder het behandelplan en ontbreekt in het behandelplan een behandelevaluatie. Daarnaast zijn in de behandelplannen niet de gemaakte multidisciplinaire afspraken opgenomen. Het beloop van de behandeling en diagnostiek is daarmee niet in de behandelplannen terug te vinden. Voor het college is daarmee onvoldoende inzichtelijk dat verweerster bij de behandeling van klaagster steeds een duidelijk plan voor ogen heeft gehad en voldoende houvast aan klaagster heeft geboden. Dit geldt te meer nu niet in geschil is dat verweerster tijdens de behandelperiode is afgeweken van de vooraf aan klaagster gestelde regels. Verweerster heeft weliswaar aangevoerd dat daaraan behandelkeuzes ten grondslag hebben gelegen, maar het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerster daardoor uiteindelijk onvoldoende grip heeft kunnen houden op het handelen en het gedrag van klaagster. In ieder geval blijkt uit de overgelegde behandelplannen onvoldoende dat het afwijken van die regels gestoeld is geweest op een consistent behandelidee. In het verlengde daarvan is het college van oordeel dat uit de behandelplannen evenmin blijkt waarom het nodig is geweest dat verweerster van klaagster cadeaus heeft geaccepteerd, cadeaus aan klaagster heeft gegeven en buiten kantoortijd e-mailcontact met klaagster heeft gehad. Het college is van oordeel dat verweerster aldus onvoldoende de benodigde professionele afstand tot klaagster heeft bewaard. Het tweede en derde klachtonderdeel zijn daarmee gegrond.
5.4 Het vierde klachtonderdeel richt zich tegen het onderbreken door verweerster van de behandeling van klaagster vanwege zwangerschappen en een lange vakantie. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster reeds bij de aanvang van de behandeling aan klaagster heeft gemeld dat zij met zwangerschapsverlof zou gaan en dat ook de vakantie begin 2016 en het daarna opnieuw afwezig zijn vanwege zwangerschapsverlof, steeds tijdig met klaagster zijn besproken. Om deze periodes van afwezigheid te overbruggen heeft verweerster aan klaagster overbruggingscontact met collega’s bij E aangeboden, maar klaagster is daar telkens niet op ingegaan. Het college is van oordeel dat verweerster aldus adequaat jegens klaagster heeft gehandeld en haar geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken voor het onderbreken van de behandeling. Het vierde klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
5.6 Klaagster stelt voorts dat verweerster te laat heeft opgemerkt dat klaagster lijdt aan anorexia en haar daarvoor behandeling heeft onthouden. Klaagster wordt daarin door het college niet gevolgd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster het lage lichaamsgewicht van klaagster wel degelijk heeft waargenomen en daarna de gebruikelijke aanpak met betrekking tot anorexia in een ambulante setting heeft gehanteerd. Het lage lichaamsgewicht is met klaagster besproken en er is een grens aan het gewicht van klaagster gesteld om met behandeling verder te kunnen gaan. Verder heeft verweerster de huisarts van klaagster geïnformeerd zodat deze klaagster kon doorverwijzen naar specialistische hulp in het I. Het is uiteindelijk klaagster zelf geweest die niet in een kliniek voor eetproblematiek wenste te worden behandeld maar door een psychotherapeut. Bij de desbetreffende psychotherapeut bleek een behandeling evenwel niet mogelijk. Verweerster heeft verder voldoende toegelicht waarom niet is gekozen voor een combinatiebehandeling bij de J en E. Ook het vijfde klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
5.7 Het laatste klachtonderdeel betreft de door verweerster aan klaagster verleende nazorg. Ten aanzien daarvan wordt overwogen dat uit de stukken blijkt dat door verweerster wel pogingen zijn ondernomen om een vervolgbehandeling voor klaagster ter regelen, maar dat daarover met klaagster geen overeenstemming is bereikt. Zo is geprobeerd samen te werken met het IBT-team, maar klaagster heeft meegedeeld geen gesprek het IBT-team erbij te willen en het IBT-team is hierin meegegaan. Gelet hierop ziet het college geen grond om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te kunnen maken voor het terugverwijzen van klaagster naar de huisarts na het eindigen van de behandeling. Ook het zesde klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
5.8 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht met betrekking tot de klachtonderdelen 2 en 3 gegrond is. Ten aanzien van de daarin genoemde onderwerpen heeft verweerster gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten. Voor het overige is de klacht ongegrond.
5.9 Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het tijdens de mondelinge behandeling voldoende is gebleken dat klaagster lering heeft getrokken uit het voorgevallene. Het college is daarom van oordeel dat kan worden volstaan met de maatregel van waarschuwing.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
- verklaart klachtonderdeel 3 gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- wijst de klacht voor het overige af.
Aldus beslist door:
mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,
drs. W.C.B. Hoenink, drs. E.S.J. Roorda-de Man en dr. Th.A.M. Deenen, leden-GZ-psycholoog,
mr. E.A. Messer, lid-jurist,
bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 5 november 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
WG WG
secretaris voorzitter