ECLI:NL:TGZRAMS:2018:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/055

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:124
Datum uitspraak: 23-10-2018
Datum publicatie: 23-10-2018
Zaaknummer(s): 2018/055
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster dient een klacht in tegen drie artsen die zijn betrokken bij haar behandeling tegen kanker rondom de plasbuis. Klaagster verwijt de artsen nalatig gedrag, waardoor zij geen normaal leven meer kan leiden. Ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 7 februari 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a g e r,

namens wijlen zijn moeder, mevrouw C,

gemachtigde: mr. drs. G.T. Haan, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand te Leusden,

tegen

D ,

radiotherapeute,

werkzaam te E,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. P. Klein Gunnewiek, advocaat te Utrecht.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                      het klaagschrift met de bijlagen,

-                      het aanvullende klaagschrift;

-                      het verweerschrift met de bijlagen;

-                      de brief van verweerder van 18 april 2018 (met bijlage);

-                      de brief van klager van 24 mei 2018;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 10 september 2018 gehouden vooronderzoek;

-                      de brieven van 5 september 2018 (met bijlage), 10 september 2018 (met bijlage), 13 september 2018 en 18 september 2018 van (de gemachtigde van) verweerder.

De klacht is op 21 september 2018 op een openbare zitting behandeld.

Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn zus, mevrouw F, en door mr. Haan voornoemd en verweerster door mr. Klein Gunnewiek voornoemd. Mr. Haan heeft een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd.

Op voet van artikel 57 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) is de klacht ter zitting gezamenlijk, maar niet gevoegd behandeld met de samenhangende klacht van klager tegen een gynaecoloog-oncoloog (zaaknummer 2018/054; hierna te noemen: de gynaecoloog-oncoloog). Omwille van het overzicht van de zaak wordt in beide zaken het gehele feitencomplex weergegeven.

2.         De feiten

2.1.      Klager is de zoon van wijlen mevrouw C, hierna te noemen: patiënte. Patiënte heeft tijdens haar leven onderhavige tuchtklacht ingediend; na haar overlijden heeft klager de klacht voortgezet.

2.2.      Verweerster is werkzaam als radiotherapeute-oncoloog in het G.

2.3.      Op 25 april 2017 is patiënte vanuit de tweedelijn doorverwezen naar het G op verdenking van een vulvacarcinoom.

2.4.      Op 2 mei 2017 werd patiënte voor de eerste keer gezien op de polikliniek gynaecologische oncologie door de gynaecoloog-oncoloog. Na verschillende onderzoeken, waaronder een PET-scan, een MRI en nader aanvullend onderzoek is op 12 mei 2017 de diagnose vulvacarcinoom FIGO stadium IV A (op basis van urethra betrokkenheid) vastgesteld.

2.5.      Op 23 mei 2017 is patiënte gezien door verweerster ter bespreking van de behandeling met curatieve intentie.

2.6.      In de periode van 20 juni 2017 tot en met 9 augustus 2017 heeft patiënte een radiotherapiebehandeling ondergaan in het G. Als gevolg van psychische problematiek in patiëntes voorgeschiedenis was het toevoegen van chemotherapie in tabletvorm (capecitabine) aan de behandeling niet haalbaar vanwege de kans op foutieve inname dan wel foutieve dosering.

2.7.      In het kader van een reguliere nacontrole heeft verweerster patiënte op 6 september 2017 gezien. Er werd een afspraak gemaakt voor een controle MRI, drie maanden na behandeling.

2.8.      Uit de beelden van de op 13 november 2017 gemaakte MRI was geen resttumor meer zichtbaar. Het radiologisch verslag meldt hier over het volgende:

“(…)

Aanvullend onderzoek

MRI (13-11-17) Suprapubische katheter in situ. Uitgebreid oedeem in het rijbroekgebied en ter hoogte van het perineum.

Radiologisch complete remissie. Klinisch lijkt dat ook het geval te zijn, maar volledige inspectie van de wagina wanden is niet mogelijk vanwege bateriële vignosis.

(…)”.

2.9.      Patiënte werd op 24 november 2017 opnieuw besproken in het MDO vanwege de gynaecologische inspectie en de MRI-bevindingen.

2.10.    Op 13 december 2017 is door verweerster en de gynaecoloog-oncoloog gezamenlijk een biopt afgenomen. De uitslag van het biopt is op 19 december 2017 door verweerster met klager besproken. Het radiotherapeutisch dossier vermeldt hierover:

“ (…)

PA: Biopten vaginavoorwand/urethra met necrose, ontsteking en bacteriekolonies. Geen vitaal tumorweefsel. Aanvullend wordt nog een PAS-D kleuring verricht

(…)” .

2.11.    Op 22 december 2017 is het in te stellen beleid besproken tijdens een MDO. Er werd een expectatief beleid ingesteld; vanwege de psychische voorgeschiedenis van patiënte was behandeling met hyperbare zuurstoftherapie niet haalbaar. Aan patiënte werd Metronidazol voorgeschreven.

2.12.    Op 9 januari 2018 heeft de huisarts van patiënte telefonisch contact opgenomen met de gynaecoloog-oncoloog vanwege vermoeidheidsklachten en een onaangenaam ruikende vagina van patiënte. Patiënte kreeg opnieuw Metronidazol voorgeschreven en er werd een afspraak gemaakt voor een poliklinische afspraak op 24 januari 2018 met verweerster en de gynaecoloog-oncoloog gezamenlijk.

2.13.    Op 16 januari 2018 heeft de huisarts opnieuw telefonisch contact opgenomen met de gynaecoloog-oncoloog met het bericht dat patiënte thuis de afgelopen dagen meerdere keren was gevallen en pijn had in haar linkerheup. Patiënte werd verwezen naar de spoedeisende hulp (SEH) van het X en daar onderzocht. Het medisch dossier vermeldt daarover onder andere:

“(…)

Anamnese, mn via dochter:

(…) Daarnaast is ze de afgelopen dag meerdere keren gevallen, nu ook pijn aan de linkerheup aan de lieszijde. Nu sinds 1 dag koort tot 38.5 C. (…)

Conclusie: 65-jarige vrouw met en PCC van d vulva FIGO stadium II waarvoor primair radiotherapie. Nu opname met de volgende problemen:

-   infectie waarschijnlijk obv urosepsis, dd necrose vulva

-   sterk afgevallen tgv onvoldoende intake, hierbij hypoalbuminemie en hypokaliemie

-   pijn linker heup tgv val, geen fractuur

-   (…).”

2.14.    Diezelfde dag, 16 januari 2018, werd patiënte opgenomen op de afdeling gynaecologie, waar werd gestart met (onder andere) antibiotica, loperamide en er werden kweken afgenomen.

2.15.    De volgende dag, 17 januari 2018, werd patiënte onderzocht door verweerster en de gynaecoloog-oncoloog gezamenlijk. Het medisch dossier vermeldt daarover:

“Liezen LNN -/-

IS/geen faecale resten in vagina. Progressie van de necrose paraurethraal en vagina voorwand, duidelijk beslag op vagian voorwand en paraurethraal, hymenaal ring link en rechts vast aanvoelend.

Metingen

Conclusie

Progressie radiatie necrose

Geen directe aanwijzingen voor recidief nu

Biopten links en rechts genomen van vast aanvoelende hymenaal ring (rand necrose)

Suprapub in laten

Dietise voor adviezen

Fys voor begeleiding mobiliteit

Beoordelen of patiente in deze situatie nog thuis kan wonden of dat tijdelijk een andere locatie moet worden gezocht

Eventueel ICC geriatrie voor beoordeling algehele situatie.”

2.16.    Op 24 januari 2018 heeft de gynaecoloog-oncoloog de uitslag van de biopten met patiënte besproken. Het medisch dossier vermeldt daarover onder meer het volgende:

“(…)

Metingen

Aanvullend onderzoek

PA vulva biopten 16/1 geen aanwijzingen voor maligniteit. Passend bij necrose en inflammatie.

(…).”

2.17.    Gedurende de opnameperiode was het transferbureau bij patiënte betrokken geweest om de mogelijkheden voor ontslag te onderzoeken. Ontslag was naar het oordeel van de behandelaars medisch gezien mogelijk vanaf 24 januari 2018.

2.18.    Op 30 januari 2018 is patiënte besproken op de Grote Visite van de gynaecologische oncologie. Later die dag heeft de gynaecoloog-oncoloog met de huisarts van patiënte overlegd. Het medisch dossier vermeldt hierover:

“(…)

Uitgebreid gesprek [naam gynaecoloog-oncoloog] met patiënte haar huisarts [naam huisarts] en senior verpleegkundige [naam vpk]. Opname beloop en situatie doorgesproken. Overdracht gegeven. Vanuit huis kijken waar patiente evt naar toe kan (mocht het met buurtzorg niet gaan)

(…)

Patiënte vindt het zelf ook beter gaan

Pijn: bekende pijn tvh lies/heup links

(…)

Mobiliseren: kan zelfstandig transfers maken, loopt met rollator

(…)” .

2.19.    Diezelfde dag, 30 januari 2018, is patiënte met uitgebreide thuiszorg naar huis ontslagen.

2.20.    Binnen 24 uur na thuiskomst zijn nieuwe klachten ontstaan bij patiënte. Zij had opnieuw koorts ontwikkeld en er was roodheid ontstaan van het linkerbeen. De huisarts van patiënte heeft haar diezelfde middag na telefonisch overleg ingestuurd naar de SEH. Het medisch dossier vermeldt onder meer:

“ (…)

Huisarts heeft pte ingestuurd wegens rood en gezwollen linkerbee. Pte had geen suspecte inguinale klieren, geen lymfoedeem. Anamnese moeizaam, ivm taalbarrière en schizofrenie.

(…)

Temp C 38.9

Vulva diffuus rode labia majora bdz, status na radiotherapie bij vulvacarcinoom. Linker lies diffuus rood, geen scherpe begrenzing, geen vurige roodheid. Geen beeld van abces, geen duidelijk oedeem.

Aanvullend onderzoek

Conclusie

Lab: L20 (24-1:11) CRP 329(24-1:148)

(…).”

2.21.    Op 31 januari 2018 is patiënte heropgenomen en op 1 februari 2018 is zij geopereerd.

2.22.    Op 7 februari 2018 heeft verweerster geprobeerd telefonisch contact op te nemen. Het radiotherapeutisch dossier vermeldt daarover het volgende:

“Nav overleg met coll. [naam behandelaar] en De gynaecoloog-oncoloog heb ik zowel gisteren middag (6-12-18) als net telefonische contact geprobeerd met zoon van patiënten om over stand van zaken te spreken en voorstel voor nieuw hoofdbehandelaarschap [naam] door te geven. Beide keer heeft hij geweigerd om met me in gesprek te gaan met, vanmiddag, expliciet verzoek om niet bellen of in contact met hun komen. Ze zullen ons benaderen inzien ze het zullen wensen”.

2.23.    Op 10 april 2018 is patiënte in het ziekenhuis overleden.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht heeft betrekking op de geneeskundige behandeling van patiënte in de periode van 16 januari tot en met 30 januari 2018. De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster nalatig is geweest met betrekking tot het stellen van de diagnose.

Ter toelichting op zijn klacht stelt klager dat verweerster lichamelijke klachten over het hoofd heeft gezien en niet heeft behandeld. Als voorbeeld daarvan noemt klager de pijn in de lies en de vagina van patiënte, opgezwollen benen en het niet kunnen lopen door patiënte.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Aan het tuchtrecht voor de gezondheidszorg ligt het beginsel van persoonlijke verwijtbaarheid ten grondslag. Dat betekent dat uitsluitend aan de orde is het handelen dan wel nalaten van de aangeklaagde zorgverlener, voor zover hij of zij betrokken was of had moeten zijn bij de behandeling van de patiënt.

5.2.      Ter zitting heeft de zus van klager verklaard dat verweerster geen goede zorg heeft geleverd; de radiotherapeutische behandeling is immers onder haar verantwoordelijkheid geschied. Verweerster heeft uitgelegd dat zij op 17 januari 2018 patiënte samen met de gynaecoloog-oncoloog heeft onderzocht vanwege de omvang van de radiatie necrose, maar – afgezien van een kort contact met betrekking tot de abusievelijk niet-afgezegde poliklinische afspraak op 24 januari 2018 – niet meer bij de behandeling van patiënte betrokken is geweest gedurende de opname in januari 2018.

5.3.      Al met al stelt het college vast dat van 16 tot en met 30 januari 2018 bij patiënte sprake is geweest van een gecompliceerd verlopen opname. Het college heeft in zijn beslissing van heden (zaaknummer 2018/054) geoordeeld dat de gynaecoloog-oncoloog daarbij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.4.      Zoals uit bovenstaande feiten blijkt, is verweerster in de periode 16 januari tot en met 30 januari 2018 alleen op 17 januari 2018 betrokken geweest bij de behandeling van patiënte. Afgezien van het korte contact tussen patiënte en verweerster op 24 januari 2018 is verweerster niet bij de behandeling van patiënte betrokken geweest en het college is van oordeel dat zij dat ook niet hoefde te zijn.

Naar het oordeel van het college heeft verweerster op 17 januari 2018 jegens patiënte medisch correct gehandeld. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen daarbij is niet gebleken. Patiënte was in die periode opgenomen op de afdeling gynaecologie onder hoofdbehandelaarschap van de gynaecoloog-oncoloog. De radiotherapeutische behandeling was op dat moment reeds afgesloten. Het verwijt dat verweerster lichamelijke klachten over het hoofd zou hebben gezien en niet heeft behandeld, treft dan ook geen doel. Verweerster kan geen enkel tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt met betrekking tot de opname van patiënte van 16 tot en met 30 januari 2018.

5.5.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is.

Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college:

-          wijst de klacht af.

Aldus beslist door:

A.   van Maanen, voorzitter,

G.L. Bremer, B. Kreike en J.W.B. de Groot, leden-arts,

C. van Glabbeek, lid-jurist,

 bijgestaan door A. Kerstens, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                          voorzitter