ECLI:NL:TGZRAMS:2018:122 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/160

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:122
Datum uitspraak: 23-10-2018
Datum publicatie: 23-10-2018
Zaaknummer(s): 2018/160
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: De klacht houdt in dat de bedrijfsarts onzorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld door onder andere geen juiste diagnose te stellen, geen FML op te maken en haar onheus te bejegenen. Ongegrond.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de (via het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle) op 25 april 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

tegen

C,

bedrijfsarts,

thans werkzaam te D,

v e r w e e r d e r ,

gemachtigde: mr. A. Van Cappelle, advocaat te Rotterdam.             

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                      het klaagschrift;

-                      het verweerschrift met bijlagen;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 21 juni 2018 gehouden vooronderzoek;

-                      de op 16 juli 2018 binnengekomen e-mail van (de gemachtigde van) verweerder, met daarbij het medisch dossier van klaagster. 

De klacht is op 14 september 2018 op een openbare zitting behandeld.

Partijen waren aanwezig. Met klaagster was meegekomen E, haar partner. Verweerder werd bijgestaan door mr. Van Cappelle.

2.         De feiten

2.1       Klaagster was als leerkracht Engels in dienst bij de F D. Zij heeft zich met ingang van 16 november 2017 ziekgemeld. Om die reden is zij twee keer op het spreekuur van verweerder geweest, op 19 december 2017 en 13 februari 2018. Over het eerste spreekuurbezoek heeft verweerder, onder het kopje Belastbaarheid, de volgende rapportage opgemaakt:

“(…) Betrokkene ervaar momenteel ernstige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van werkgerelateerde oorzaken. Betrokkene heeft een adequate interventie. Betrokkene is beperkt belastbaar. In theorie zijn er geringe mogelijkheden. Het advies is echter om mevrouw De X nu niet te belasten met werkzaamheden om enig herstel in gang te zetten en langdurig verzuim te voorkomen. Bedrijfsarts adviseert wel een gesprek tussen werkgever en werknemer om de werkgerelateerde problemen te bespreken en proberen op te lossen. Betrokkene moet daartoe in staat worden geacht. Informatie van de behandelaars is ontvangen”.

Over het tweede spreekuurbezoek rapporteert verweerder onder meer het volgende (ook onder het kopje Belastbaarheid):

“Betrokkene ervaar momenteel ernstige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van werkgerelateerde oorzaken. Betrokkene heeft een adequate interventie. Betrokkene is momenteel beperkt in het lang zitten, staan, tillen, duwen en trekken. Verder is betrokkene beperkt in haar geheugen. Werken met deadlines, onder tijdsdruk en piekbelasting is beperkt. Beperkt in teveel prikkels. Auto rijden mag momenteel niet. Verder os betrokkene ook beperkt in haar energetische belastbaarheid. Momenteel is mevrouw nog niet in staat om klasgebonden taken te verrichten. Betrokkene moet in staat worden geacht om per 19 februari 2018 passende werkzaamheden te verrichten voor ongeveer 25% van werk tijd waarbij het belangrijk is dat er rekening houdend met de beperkingen. Hierbij kan worden gedacht aan licht administratief werk. Het is belangrijk dat werknemer samen werkgever hierover goede werkafspraken maken.”

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

a.     niet op de juiste manier een diagnose heeft gesteld:

b.    geen FML heeft opgemaakt;

c.     klaagster als patiënt niet heeft gehoord en serieus heeft genomen.

4.            Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Wat klachtonderdeel a betreft is niet komen vast te staan dat verweerder op een onjuiste manier een diagnose heeft gesteld. Anders dan klaagster meent en zoals blijkt uit het medisch dossier heeft verweerder adequaat onderzoek gedaan. Hij heeft een anamnese afgenomen en ook kennis genomen van de informatie van de behandelaars van klaagster, de huisarts en haar mesoloog. Deze informatie is verwerkt in beide spreekuurrapportages, onder meer door op te nemen dat sprake was van “een adequate interventie”. Waar klaagster kennelijk over is gevallen is dat verweerder over de behandeling van de mesoloog heeft opgemerkt dat deze niet “evidence based” was. Naar het oordeel van het college mocht verweerder deze uitspraak, die feitelijk niet onjuist is, doen. Dat hij zou hebben gezegd dat deze behandeling geen meerwaarde zou hebben, wordt door verweerder ten stelligste ontkend, waarbij hij er op wijst dat de behandeling van de mesoloog wel helend kan zijn en om die reden valt onder “een adequate interventie”, zoals opgenomen in de spreekuurrapportages. Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

5.2. Klachtonderdeel b            slaagt evenmin. Juist is dat verweerder geen FML heeft opgemaakt, maar dat was ook niet nodig. Er bestond ten tijde van de contacten tussen klaagster en verweerder geen aanleiding om de hele belastbaarheid van klaagster te beschrijven met een uitgebreide FML of IZP (=inzetbaarheidsprofiel). De spreekuurrapportages van verweerder zijn naar het oordeel van het college naar behoren gezien de fase waarin het verzuim zich toen bevond.

5.3. Over klachtonderdeel c zegt klaagster dat verweerder tijdens het eerste spreekuurbezoek haar partner heeft afgesnauwd en de mond gesnoerd en dat hij niet heeft willen luisteren naar de informatie die klaagster had over haar gezondheid. Hij heeft niet goed uitgelegd waarom zij tijdens het tweede consult weer voor 25% van de werktijd aan het werk kon, en wilde niets horen over het feit dat klaagster door medicijngebruik niet kon autorijden. Er was sprake van een eenzijdig gesprek. Verweerder ziet dit alles anders: hij wilde graag van klaagster zelf horen hoe het met haar ging, en niet van haar partner die telkens het woord voerde. Hij heeft wel degelijk naar klaagster geluisterd en de informatie tot zich genomen, zoals blijkt uit het medisch dossier, waaronder de spreekuurrapportages. Verder heeft hij uitgelegd dat het niet mogen autorijden los staat van de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid dan wel een mogelijkheid tot re-integratie. Als een werknemer geen auto kan rijden, is er een vervoersprobleem, dat meestal kan worden opgelost. Hij heeft geadviseerd dat klaagster passend werk kon uitvoeren voor 25% van de werktijd, waarbij klaagster en haar werkgever in gesprek moesten gaan om tot goede werkafspraken te komen, aldus, nog steeds, verweerder.

5.4. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het college, dat van die communicatie immers geen getuige is geweest. In dit geval hebben klaagster en verweerder geheel tegengestelde belevingen van de gesprekken, zodat het college niet kan vaststellen wie er gelijk heeft. In zoverre kan dit klachtonderdeel niet slagen. Voor zover klaagster met dit klachtonderdeel ook aan de orde heeft willen stellen dat verweerder niet kon komen tot zijn advies dat klaagster voor 25% van de werktijd passend werk kon uitvoeren, gelet op haar burn-out en hernia, moet het college vaststellen dat uit de spreekuurrapportages blijkt dat verweerder de hieruit voortkomende beperkingen heeft benoemd (het niet kunnen autorijden wordt apart vermeld) en heeft geadviseerd dat in overleg met de werkgever gezocht moest worden naar passend werk voor 25% van de werktijd, waarbij met de beperkingen van klaagster rekening moest worden gehouden. Daarmee is naar het oordeel van het college sprake van een advies dat blijft binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Ook klachtonderdeel c kan dus niet slagen.

5.5. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college:

-          wijst de klacht af.

Aldus beslist door:

mr. E.A. Messer, voorzitter,

P.G.J. Koch, E.G. van der Jagt en R.L. Kloots, leden-arts,

mr. drs. M.P. Sombroek-van Doorm, lid-jurist,

bijgestaan door mr. J.M. Sodderland-Elzas, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 22 oktober 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG  secretaris                                                                                   WG  voorzitter