ECLI:NL:TGZRAMS:2018:107 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/156F
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2018:107 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2018 |
| Datum publicatie: | 28-08-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018/156F |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager is onder behandeling geweest bij de fysiopraktijk van verweerder voor revalidatie na een ruptuur aan zijn achillespees. Tijdens een oefening had hij een re-ruptuur en moest hij naar het ziekenhuis. Klager verwijt verweerder dat hij zich onbetamelijk heeft gedragen door geen inhoudelijk gesprek aan te gaan, en te bedreigen met geweld. Tevens verwijt hij hem het schenden van zijn beroepsgeheim. Ongegrond |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 11 april 2018 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a g e r,
gemachtigde: mr. P. le Heux, advocaat te Amsterdam,
tegen
C,
fysiotherapeut,
(destijds) werkzaam te B,
v e r w e e r s t e r ,
gemachtigde: de heer E, wonende te B.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 6 juli 2018 gehouden vooronderzoek;
- de brief van 20 juli 2018 van de gemachtigde van klager.
De klacht is in raadkamer behandeld. Na behandeling in raadkamer heeft mr. Le Heux zich namens klager als gemachtigde gesteld.
2. De feiten
2.1. Klager is – vanwege een ruptuur aan zijn linker achillespees, waarvoor hij conservatief is behandeld met gips – op 13 mei 2016 onder behandeling gekomen bij de fysiotherapiepraktijk waar verweerster destijds werkzaam was. Verweerster heeft de intake bij klager verricht en hem voor de eerste keer behandeld op 17 mei 2016.
Het medisch dossier vermeldt daarover – voor zover hier van belang het volgende – het volgende:
‘journaal 13-05-2016 12:32 C, EM (behandeling)
(…)
O (objectief) bevindingen onderzoek: forse zwelling pittig oedeem gehele voet en enkel
Dorsaalflexie beperkt (passief nog 90 graden)
Actief gangpatroon met 2 EK = slecht à heeft gister drie uur gestaan voet nog dikker dan toen gips eraf was
(…)
E (evaluatie) behandeling: remmen en bijsturen in revalidatie: wil eigenlijk nu al fietsen
(…)”
en
‘journaal 17-05-2016 13:33 C, EM (behandeling)
(…)
O (objectief): Bevindingen/onderzoek: nog tot 12de week Voet regio, daarna verder opbpouwen naar maximaal ROM. Geen normaal gangpatroon afgeraden om zo plots zobder krukken te lopen
(…)’.
2.2. Tijdens de tweede behandeling – op 24 mei 2016 – is de achillespees van klager afgescheurd. Het medisch dossier vermeldt – voor zover van belang – hierover het volgende:
‘ journaal 24-05-2016 20:52 C, EM (behandeling)
S (subjectief): ‘moment’ bij trainen in fitness waarbij instructies om niet op te stappen op verhoging niet werden opgevolgd en hij onverwachts opstapte op verhoging terwijl er aangeven is dat niet gedaan moest worden om piekbelasting te vermijden’
O (objectief): gezien door F en sportarts G en advies H ivm verdenking re ruptuur
(…)’.
2.3. Na behandeling aan de re ruptuur van zijn linker achillespees is klager op 18 juli 2016 opnieuw onder behandeling gekomen bij de fysiotherapiepraktijk. Verweerster was op dat moment niet meer werkzaam bij de fysiotherapiepraktijk en is niet meer bij klagers verdere behandeling betrokken geweest.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster klager ondeugdelijk heeft behandeld doordat zij klager te snel (nadat zijn voet uit het gips kwam) te zware oefeningen heeft laten verrichten en hem daarbij - tegen zijn wil en tegen zijn voorzichtigheid in - heeft gedwongen om zijn achillespees te forceren met als gevolg dat de achillespees van klager volledig is afgescheurd en operatie noodzakelijk was.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2. Over wat zich tijdens het consult op 24 mei 2016 heeft afgespeeld, lopen de verklaringen van partijen uiteen. Klager stelt dat het niet zijn eigen idee was om de leg press met één been uit voeren of om de maximale bewegingsuitslag te maken. Hij wist niet dat hij daarmee te snel ging en wist ook niet goed wat de gevolgen waren van te snel gaan. Hij heeft alles in overleg met verweerster gedaan nadat hij advies van haar had gekregen. Volgens klager wist verweerster dat hij geen goede start had gemaakt met zijn revalidatie en in ieder geval niet zo snel een piekbelasting had mogen uitvoeren. Verweerster betwist dat zij klager heeft geadviseerd de oefening op de leg press met één been uit te voeren. Tegen haar advies in heeft klager ongevraagd het gewicht van de leg press verhoogd. Zij heeft klager herhaaldelijk gewaarschuwd voor de risico’s van te zwaar belasten. Het afscheuren van klagers achillespees vond volgens verweerster niet plaats tijdens de oefening van de leg press of bij het afstappen ervan, maar erna, toen klager – volgens verweerster – wilde laten zien hoe hij kon stappen op een verhoging met één been. Verweerster heeft destijds aangegeven dat dat niet veilig was, maar klager had daar geen boodschap aan.
5.3. Bij de beoordeling van de klacht stelt het college voorop dat verwijten omtrent inhoud (en wijze van) mondelinge communicatie (waaronder in kwestie de wijze van uitvoering van de oefening op de leg press) zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het college nu er van die communicatie immers geen getuigen zijn geweest. Op grond van het medisch dossier acht het college het echter niet aannemelijk dat verweerster klager zou hebben geadviseerd de leg press met één been uit te voeren en een maximale bewegingsuitslag te maken. Uit de aantekeningen in het medisch dossier van de consulten van 13 mei 2016 en 17 mei 2016 blijkt dat verweerster klager heeft willen afremmen in zijn revalidatieproces; het college acht het niet aannemelijk dat verweerster dan op 24 mei 2016, slechts één week later dan het laatste consult van 17 mei 2016, een haaks op die eerste adviezen staand voorstel doet tot het maken van een maximale bewegingsuitslag. Daarbij merkt het college op dat het fysiek niet mogelijk is voor een patiënt zijn volle gewicht op de tenen te dragen wanneer hij pas net gipsvrij is.
5.4. Ook over hoe de re-ruptuur van klagers achillespees is ontstaan, lopen de lezingen van partijen uiteen. Naar het oordeel van het college is onvoldoende aannemelijk dat wat in het patiëntendossier staat vermeld, een onjuiste weergave is van het ontstaan van de re-ruptuur van klagers achillespees door het door stappen op een verhoging door klager (tegen verweersters advies in). De door klager tijdens het mondeling vooronderzoek naar vorengebrachte stelling dat verweerster het medisch dossier op een later moment (naar het college begrijpt) ten gunste van zichzelf zou hebben aangepast, heeft klager op geen enkele wijze onderbouwd maar acht het college ook anderszins volstrekt niet aannemelijk. Verweerster heeft haar aantekeningen immers gemaakt in klagers elektronisch patiëntendossier (EPD), zodat automatisch een datum en een tijdsvermelding wordt aangemaakt wanneer een notitie in dat dossier wordt toegevoegd. Reeds om die reden is het niet mogelijk een notitie ‘op een later moment’ aan te maken of te wijzigen met, derhalve, een onjuiste datum. Bovendien wist verweerster op het moment van het aanmaken van de notitie in het dossier nog niet dat klager onderhavige tuchtklacht tegen haar zou indienen, zodat zij geen aanleiding had de notitie op 24 mei 2016 ten gunste van zichzelf te wijzigen. Op het moment dat klager daadwerkelijk de onderhavige tuchtklacht indiende (april 2018), was verweerster niet meer werkzaam bij I en had zij geen toegang meer tot klagers dossier.
5.5. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.
5.6. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing
Het college wijst de klacht af.
Aldus beslist op 28 augustus 2018 door:
A. van Maanen, voorzitter,
R. Valk en W.M. Mooij, leden-fysiotherapeut,
bijgestaan door A. Kerstens, secretaris.
WG WG
secretaris voorzitter