ECLI:NL:TGZRAMS:2018:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/132F
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2018:106 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2018 |
| Datum publicatie: | 28-08-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018/132F |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager is onder behandeling geweest bij de fysiopraktijk van verweerder voor revalidatie na een ruptuur aan zijn achillespees. Tijdens een oefening had hij een re-ruptuur en moest hij naar het ziekenhuis. Klager verwijt verweerder dat hij zich onbetamelijk heeft gedragen door geen inhoudelijk gesprek aan te gaan, en te bedreigen met geweld. Tevens verwijt hij hem het schenden van zijn beroepsgeheim. Ongegrond |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 11 april 2018 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a g e r,
gemachtigde: mr. P. le Heux, advocaat te Amsterdam,
tegen
C,
fysiotherapeut,
werkzaam te B,
v e r w e e r d e r.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het aanvullend klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 6 juli 2018 gehouden vooronderzoek;
- de brief van 20 juli van de gemachtigde van klager.
De klacht is in raadkamer behandeld. Na behandeling in raadkamer heeft mr. Le Heux zich namens klager als gemachtigde gesteld.
2. De feiten
2.1. Klager is – vanwege een ruptuur aan de linker achillespees, waarvoor hij eerder een gipsbehandeling had gehad – op 13 mei 2016 onder behandeling gekomen bij de fysiotherapiepraktijk waar verweerder werkzaam is. Een collega van verweerder, mevrouw E(verweerster in de klacht geregistreerd onder 18/156f, hierna: ‘E’) heeft de intake verricht. E heeft klager op 17 mei 2016 en 24 mei 2016 behandeld. Tijdens de behandeling op 24 mei 2016 is de achillespees van klager volledig afgescheurd bij het uitvoeren van een leg press.
2.2. Na geopereerd te zijn en vervolgens zes weken met gips behandeld te zijn geweest, is klager op 18 juli 2016 opnieuw onder behandeling gekomen, onder meer bij verweerder, maar ook bij andere fysiotherapeuten, tot aan oktober 2016.
2.3. Op verzoek van de zorgverzekeraar van klager, heeft klager op 4 april 2017 een kopie van zijn medisch dossier opgevraagd. Verweerder heeft hiervoor op 7 april 2017 per e-mail een afspraak gemaakt met klager voor 12 april 2017 in de wachtruimte van de fysiotherapiepraktijk. Klager heeft de afspraak voor dat moment op die plek, dezelfde dag per e-mail bevestigd.
2.4. Klager heeft op 12 april 2017 zijn medisch dossier opgehaald en verweerder gewezen op zijn (tuchtrechtelijke) aansprakelijkheid met betrekking tot afscheuren van zijn achillespees op 24 mei 2016. De ontmoeting tussen verweerder en klager is niet in goede harmonie verlopen, waarop verweerder klager de toegang tot de fysiotherapiepraktijk heeft ontzegd.
2.5. Klager is direct daarna gaan sporten bij het inpandige F en verweerder heeft de verhuurder van het pand waar hij een ruimte voor de fysiotherapiepraktijk, huurt mondeling gemeld dat hij klager de toegang tot de praktijkruimtes van de praktijk had ontzegd.
2.6. Nadat klager had gesport bij het F bleek de toegang – via een vingerafdrukpoortje – tot het F geblokkeerd te zijn.
2.7. Per e-mail van 12 april 2017 heeft de commercieel directeur van het F klager gewaarschuwd dat, bij een eerstvolgend incident waarbij klager betrokken zou zijn, klager zonder nadere waarschuwing de toegang tot het F definitief zou worden ontzegd.
2.8. Op 4 oktober 2017 heeft klager een nieuw jaarabonnement bij het F afgesloten; op 5 oktober 2017 is klager de toegang tot het F definitief ontzegd.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
1. zich onbetamelijk heeft gedragen door geen inhoudelijk gesprek aan te gaan over door klager ingediende klachten tegen twee collega’s van verweerder;
2. zich als psychopaat heeft gedragen door klager te bedreigen met geweld, klager te chanteren ten aanzien van zijn sportabonnement bij F, waarbij verweerder zover is gegaan dat zijn geheimhoudingsplicht moest wijken bij het nastreven van verweerders kwade bedoelingen.
Ter toelichting op zijn klacht stelt klager dat verweerder op 12 april 2017 – tijdens het ophalen van het medisch dossier – woedend heeft gereageerd en bedreigingen heeft geuit althans zich bedreigend, intimiderend en als een persoon zonder zelfcontrole heeft opgesteld. Volgens klager heeft hij het kantoor van verweerder met haast moet verlaten om een gewelddadig treffen te voorkomen. Verweerder heeft vervolgens de aanvaring tussen beiden – in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens - geregistreerd in een registratiesysteem dat F kennelijk heeft kunnen raadplegen. Volgens klager bestond er geen enkele rechtvaardiging voor het doorspelen van informatie over de afhandeling van klachten die klager had over fysiotherapeuten. Daarbij handelt verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 88 Wet BIG door medische gegevens van klager te delen met derden, aldus klager.
Bovendien zou verweerder de afspraak dat klagers lidmaatschap bij F niet zou worden beëindigd, niet zijn nagekomen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Hij stelt zich op het standpunt dat klager op 12 april 2017 onverwachts toch plaatsnam in zijn behandelkamer en hij klager – aangezien hij op die dag geen tijd had voor het doornemen van het medisch dossier en een inhoudelijk gesprek – nogmaals heeft aangeboden een nadere afspraak daartoe te maken, maar dat klager op dat aanbod niet op in ging. Verweerder erkent dat hij klager – resoluut en weloverwogen – de toegang tot zijn praktijk heeft ontzegd, maar ontkent dat hij de gebeurtenis van die dag heeft geregistreerd in het elektronisch registratiesysteem van F.
5. De beoordeling
5.1. Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. In het tuchtrecht gaat het om persoonlijke verwijtbaarheid.
5.2. Als eerste dient de vraag te worden beantwoord of verweerder zich op 12 april 2017 onbetamelijk heeft gedragen door met klager geen inhoudelijk gesprek aan te gaan. Uit de door verweerder overgelegde e-mailcorrespondentie tussen hem en klager blijkt dat verweerder met klager een afspraak heeft gemaakt voor 12 april 2017 om 10:00 uur in de wachtkamer van verweerders praktijk om het medisch dossier van klager klaar te leggen en te overhandigen aan klager. Klager heeft de afspraak op die plek – blijkens de hiervoor genoemde e-mailcorrespondentie – ook bevestigd. Naar het oordeel van het college kon van verweerder op dat moment niet verwacht worden een inhoudelijk gesprek met klager aan te gaan; laat staan in een openbare ruimte zoals een wachtruimte. Klager had immers geen afspraak voor een inhoudelijk gesprek over zijn onvrede over zijn behandelend fysiotherapeuten, maar slechts een afspraak tot het overhandigen van het medisch dossier. Verweerder had daar dan ook geen tijd voor gereserveerd maar heeft klager aangeboden een andere afspraak te maken. Naar het oordeel van het college is van enig onbetamelijk handelen door verweerder dan ook geen sprake. De eerste klacht wordt dan ook ongegrond verklaard.
5.2. Als tweede dient onder andere de vraag beantwoord te worden of verweerder zich als een psychopaat heeft gedragen door klager te bedreigen met geweld en hem te chanteren ten aanzien van zijn sportabonnement bij F. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het college voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het college, nu van die communicatie immers geen getuige is geweest. Nu verweerder klagers stellingen op dit punt heeft betwist, en de juistheid van klagers stellingen nergens anders uit blijken, kan dit onderdeel niet gegrond worden verklaard.
5.3. Wat betreft het wijken van verweerders geheimhoudingsplicht om zijn kwade bedoelingen te bereiken door bij de directie van F te melden dat hij klager de toegang tot zijn praktijk had ontzegd, merkt het college het volgende op. Het recht op bescherming van persoonsgegevens (klagers naam) heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere (grond-)rechten worden afgewogen. Gelet op de verhouding tussen verweerder als huurder van een praktijkruimte in het pand van F als verhuurder, en het gebruik daarbij van dezelfde huisregels, had verweerder een gerechtvaardigd belang bij de mondelinge melding van klagers naam bij de verhuurder, zodat hem daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het is voor het college niet komen vast te staan dat verweerder informatie over de afhandeling van klagers klachten over fysiotherapeuten met de directie van F heeft gedeeld of in strijd met het bepaalde in artikel 88 Wet BIG medische gegevens van klager, zoals de re-ruptuur van zijn achillespees, met derden heeft gedeeld. Evenmin is voor het college komen vast te staan dat verweerder betrokken is geweest bij de ontzegging van de toegang tot F op 5 oktober 2017, hetgeen zoals onder 5.1. overwogen, vereist is voor tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Om die redenen dient ook dit klachtonderdeel ongegrond te worden verklaard.
5.4. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in beide onderdelen) kennelijk ongegrond is.
5.5. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing
Het college wijst de klacht af.
Aldus beslist op 28 augustus 2018 door:
A. van Maanen, voorzitter,
R. Valk en W.M. Mooij, leden-fysiotherapeut,
bijgestaan door A. Kerstens, secretaris.
WG WG
secretaris voorzitter