ECLI:NL:TGZCTG:2018:75 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.256
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:75 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-03-2018 |
| Datum publicatie: | 08-03-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2017.256 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager is uitgevallen voor zijn werk als financieel directeur. Op een zeker moment achtte klager zich in staat vergelijkbaar werk bij een ander bedrijf te doen, maar hij wilde niet geschikt worden verklaard voor het eigen werk bij de eigen werkgever. De bedrijfsarts heeft hem vervolgens volledig arbeidsgeschikt verklaard voor eigen werk bij een andere werkgever. Klager en zijn toenmalige werkgever hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. Klager heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd en gekregen. Klager heeft geen melding gemaakt van arbeidsongeschiktheid tijdens de duur van de WW-uitkering. Vervolgens heeft klager met terugwerkende kracht een WIA-uitkering aangevraagd. Verweerder, verzekeringsarts, heeft met betrekking tot deze aanvraag een medisch onderzoeksverslag geschreven. Het UWV heeft naar aanleiding van dat verslag aan klager geen WIA-uitkering toegekend. Klager verwijt verweerder dat deze een zelfstandig besluit heeft genomen op basis van informatie van de bedrijfsarts die niet volledig was. Er is geen arbeidsdeskundig onderzoek gedaan en er is geen FML opgesteld. Er had, gelet op de langdurige ziekte van klager, een uitgebreide probleemanalyse moeten worden opgesteld. Verweerder heeft onbevoegd zijn mening gegeven, want er is geen volledig rapport van de bedrijfsarts, aldus klager. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.256 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., verzekeringsarts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. G.P. van Delft, verbonden aan het E.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 30 augustus 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. - hierna de arts of verweerder - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van 2 juni 2017, onder nummer 214/2016, heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Namens de arts is een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2017.257 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 6 februari 2018, waar zijn verschenen klager, en de arts, bijgestaan door mr. G.P. van Delft.
De zaak is over en weer bepleit. Klager heeft dat gedaan aan de hand van schriftelijke aantekeningen die hij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld:
“2. FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager, geboren in 1965, is in december 2012 uitgevallen voor zijn werk als financieel directeur. Vanaf 17 januari 2013 werd klager behandeld bij een psychomotorisch therapeut. De behandelaar heeft medio 2013 opgetekend dat de behandelresultaten positief waren en behandeling kon worden afgebouwd.
Klager achtte zichzelf in november 2013 in staat vergelijkbaar werk bij een ander bedrijf te doen, maar wilde niet geschikt worden verklaard voor het eigen werk bij de eigen werkgever.
Op 26 november 2013 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat klager per 1 december 2013 volledig arbeidsgeschikt is voor eigen werk bij een andere werkgever.
Klager en zijn toenmalige werkgever hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten.
Klager heeft per 3 februari 2014 een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet aangevraagd en verkregen. Klager heeft geen melding gemaakt van arbeidsongeschiktheid tijdens de duur van de uitkering in het kader van de Werkloosheidswet.
Op 26 januari 2016 heeft klager een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering met terugwerkende kracht tot 2013.
Op 26 februari 2016 heeft verweerder een medisch onderzoeksverslag geschreven en dossierstudie gedaan op verzoek van de procesbegeleider. Verweerder heeft op basis van de aanvraag, het logboek van de arbodienst, en de brief van de psychosomatisch oefentherapeut, onderzoek gedaan.
De vraagstelling luidde of de te late WIA-aanvraag van klager in behandeling diende te worden genomen.
De conclusie van verweerder luidde:
“Uit de voorhanden zijnde gegeven maak ik op dat betrokkene uitgevallen is met werkgerelateerde klachten, hiervoor behandeling zocht en gevonden heeft, herstelde, maar dat terugkeer bij eigen werkgever niet meer mogelijk was. Mijns inziens is hier sprake van niet medische ongeschiktheid leidend tot een vaststellingsovereenkomst, althans is er geen enkele reden aan te nemen dat ziekte/gebrek hierbij een rol speelde en de wachttijd is volgemaakt.”
Op 9 maart 2016 heeft klager een brief ontvangen van het UWV dat hem geen
WIA-uitkering wordt toegekend.”
2.2 De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in:
“3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat deze een zelfstandig besluit heeft genomen op basis van de informatie van de bedrijfsarts die niet volledig was. Er is geen arbeidsdeskundig onderzoek gedaan en geen FML opgesteld. Er had, gelet op de langdurige ziekte van klager, een uitgebreide probleemanalyse opgesteld moeten worden.
De verzekeringsarts heeft onbevoegd zijn mening gegeven, want er is geen volledig rapport van de bedrijfsarts.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij met zijn handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Voor zover nodig zal in de overwegingen nader ingegaan worden op het verweer.”
2.3 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
“5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
De kern van de klacht is of het handelen van verweerder bij de door hem genomen beslissing de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan en in dat kader of verweerder voldoende informatie tot zijn beschikking had bij zijn beslissing. Verweerder heeft geconcludeerd dat klager niet doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. Het college is van oordeel dat de oordeelsvorming van verweerder navolgbaar is en de rapportage conform de daaraan te stellen professionele eisen is opgesteld. Verweerder heeft zich onder meer gebaseerd op informatie van de bedrijfsarts, die klager per 1 december 2013 geschikt achtte voor eigen werk bij een andere werkgever, en berichtgeving van een effectief gebleken behandeling bij de psychomotorisch therapeut. Klager heeft zijn aanvraag van een deskundigenoordeel hierover niet doorgezet, waaruit verweerder mocht afleiden dat klager akkoord was met het oordeel van de bedrijfsarts. Klager heeft ook niet onderbouwd dat er daarna nog sprake is geweest van ziekte of gebrek. Verweerder heeft inzichtelijk geoordeeld dat geen aanknopingspunten bestonden voor een doorlopende arbeidsongeschiktheid.
Voor het opstellen van een FML dient sprake te zijn van arbeidsongeschiktheid/medische beperkingen waarbij het initiatief bij de werkgever en/of de bedrijfsarts ligt, waarbij in casu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Klager was arbeidsgeschikt voor eigen werk blijkens de informatie waar verweerder van mocht uitgaan. Het opstellen van een probleemanalyse behoort niet tot het takenpakket van verweerder, die een beoordeling heeft gedaan op verzoek van de procesbegeleider. Dit kan derhalve evenmin tot een tuchtrechtelijk verwijt leiden.
5.3
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. Feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
Procedure
4.1 In beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht. Het beroep strekt ertoe dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.
4.2 Door en namens de arts is gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot
verwerping van het beroep.
Beoordeling
4.3 De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg. Dit echter met dien verstande dat het Centraal Tuchtcollege het laatste gedeelte van het in het beslissing van het Regionaal Tuchtcollege onder 5.2 overwogene, vanaf “Klager heeft zijn aanvraag van een deskundigenoordeel hierover niet doorgezet” tot en met “Dit kan derhalve evenmin tot een tuchtrechtelijk verwijt leiden.” als volgt herformuleert: Klager heeft zijn aanvraag van een deskundigenoordeel hierover niet doorgezet. Klager heeft ook niet onderbouwd dat er daarna nog sprake is geweest van ziekte of gebrek. Verweerder heeft tegen die achtergrond inzichtelijk geoordeeld dat geen aanknopingspunten bestonden voor een doorlopende arbeidsongeschiktheid. Voor het opstellen van een FML dient sprake te zijn van arbeidsongeschiktheid/medische beperkingen waarbij het initiatief bij de werkgever en/of de bedrijfsarts ligt, waarbij in casu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Klager was arbeidsgeschikt blijkens de informatie waar verweerder van mocht uitgaan. Het opstellen van een probleemanalyse was in casu niet aan de orde, omdat verweerder uitsluitend op verzoek van de procesbegeleider de vraag heeft beantwoord of de WIA-aanvraag in behandeling moest/kon worden genomen. Dit kan derhalve evenmin tot een tuchtrechtelijk verwijt leiden. De arts heeft in redelijkheid tot het door hem gegeven oordeel kunnen komen.
4.4 Het voorgaande leidt er toe dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter,
mr. S.M. Evers en mr. drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden juristen, drs. H.S. Boersma en drs. J.A.F. Leunisse-Walboomers, leden beroepsgenoten en mr. N. van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.