ECLI:NL:TGZCTG:2018:74 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.254

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:74
Datum uitspraak: 08-03-2018
Datum publicatie: 08-03-2018
Zaaknummer(s): C2017.254
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater. Klager verblijft in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum. Klager meent dat hij daar ten onrechte verblijft en verwijt verweerder dit. Voorts verwijt klager verweerder dat die heeft gezegd dat klager meer dwangmedicatie zal worden toegediend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het beroep van klager wordt door het Centraal Tuchtcollege verworpen.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.254 van:

A., verblijvende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., psychiater, werkzaam te B.,

verweerder in beide instanties.

1. Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die na doorzending door het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle is ontvangen op 29 september 2016 en is gericht tegen C.– hierna de psychiater. Bij beslissing van 8 mei 2017, onder nummer 243/2016, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Van de psychiater is in beroep geen verweerschrift ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 februari 2018. Partijen zijn, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet verschenen.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager, geboren in 1973, verblijft in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te B.. Verweerder is de bij de behandeling van klager betrokken arts.

Verweerder heeft in het kader van dwangmedicatie op 18 mei 2016 omtrent klager geadviseerd, welk advies deel uitmaakt van de stukken. Op 23 mei 2016 heeft een niet bij de behandeling van klager betrokken psychiater tevens advies uitgebracht. Op basis van deze adviezen heeft de directeur besloten tot dwangmedicatie. De dwangmedicatie is gestart op 7 juni 2016.

Verweerder heeft op 12 juli 2016 met klager gesproken:

“Patient gesproken over medicatie. Blijft volharden in zijn stelling dat hij niet psychotisch is. Stelt dat hij ten onrechte en op basis van verzinsels is gedetineerd en vermoedt een complot van Justitie. Ook zouden er nog steeds giftige agssen op zijn kamer komen, reden voor hem om zijn ventilatieroosters af te plakken. Besproken dat op basis van onze observaties de psychose nog onvoldoende behandeld is en dat ik om die reden van mening ben dat de dosering Semap verhoogd zou moeten worden. Parient reageert dysfoor, stelt dat de medicatie hem alleen maar suf maakt en verslapt en dat hij de verhoging niet accepteert. Patient meegedeeld dat hem wel vanaf nu 2x per week 1 tablet Semap zal worden aangeboden.”

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij ten onrechte in het PPC B. verblijft en verweerder hem op 12 juli 2016 meegedeeld heeft dat meer dwangmedicatie zal worden toegediend. Klager stelt dat hij niet in aanmerking komt voor dergelijke medicatie en verweerder gewetenloos heeft gehandeld met de toediening daarvan aan klager.

4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij op zorgvuldige wijze heeft geadviseerd aan de directeur van de inrichting in verband met dwangbehandeling. Gelet op het achterwege blijven van voldoende effect bij eenmaal per week één tablet Semap heeft verweerder terecht kunnen voorstellen een dosisverhoging voor te stellen.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1 Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2 Wat betreft de plaatsing van klager in het PPC te B. is het college met verweerder van oordeel dat verweerder daar geen gegrond tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt. Uit niets blijkt dat verweerder betrokken geweest is bij de beslissing tot plaatsing van klager in het PPC.

5.3 Wat betreft de dwangmedicatie overweegt het college als volgt.

Verweerder heeft op 18 mei 2016 geadviseerd omtrent dwangmedicatie, zoals geregeld in artikel 46d van de Penitentiaire beginselenwet.

Ten behoeve van een beslissing tot dwangbehandeling dient te worden overgelegd een verklaring van de behandelend arts, in casu verweerder, alsmede een verklaring van een psychiater die de gedetineerde met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was. Uit deze verklaringen dient te blijken dat de gedetineerde op wie de verklaring betrekking heeft, is gestoord in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 46d, onder a, zich voordoet. De verklaringen moeten met redenen zijn omkleed en ondertekend.

Verweerder heeft in de verklaring opgenomen dat – hoewel hij klager niet zelf heeft kunnen spreken ten gevolge van klagers weigering daartoe – op basis van de verweerder ter beschikking staande gegevens met zeer grote waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat er sprake is van een psychotisch toestandsbeeld, vooralsnog te classificeren als psychose NAO. Verweerder tekent daarbij aan dat gelet op het recidiverende karakter van de psychose en de familiaire belasting een paranoïde vorm van schizofrenie moeten worden overwogen. Ten aanzien van het gevaar heeft verweerder opgetekend dat de justitiële voorgeschiedenis huiselijk geweld, vernielingen en mishandelingen vermeld. Tijdens het verblijf in penitentiaire inrichtingen, het Pieter Baan Centrum en Psychiatrisch Penitentiair Centrum, is frequent melding gemaakt van verbaal dreigende agressie. De maatregel tot dwangmedicatie wordt door verweerder als proportioneel geoordeeld. Klager weigert de voorgeschreven antipsychotica te gebruiken terwijl daarvan volgens verweerder mag worden verwacht dat deze bijdragen aan het in ernst doen verminderen van de symptomen van de aan het gevaar ten grondslag liggende psychose.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zijn advisering aan de directeur zorgvuldig onderbouwd en is daarmee binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. De beslissing tot dwangmedicatie is vervolgens door de directeur van de inrichting genomen, hetgeen verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten valt.

5.4 Uit de door verweerder overgelegde aantekeningen uit het dossier van klager blijkt genoegzaam dat verweerder op 12 juli 2016 met klager gesproken heeft over een door verweerder dosisverhoging van de medicatie. Het college is van oordeel dat verweerder, gelet op onvoldoende effect van de op 7 juni 2016 gestarte dwangmedicatie, terecht een dosisverhoging van de medicatie voorstelde. Verweerder heeft zorgvuldig gehandeld door deze medicatieverhoging met klager te bespreken. Dit kan verweerder derhalve niet tuchtrechtelijk verweten worden.

5.5 Voor een tegemoetkoming in de door klager gemaakte kosten zoals door gemachtigde van klager is verzocht bij aanvullend klaagschrift bestaat geen grond in het tuchtrecht.

5.6 Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.

Het college merkt nog op dat verweerder stukken tekent als psychiater, terwijl hij blijkens het overzicht uit het BIG-register niet als zodanig is geregistreerd. Nu de klacht zich hierop niet richt, volstaat de opmerking dat ingevolge artikel 17 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) het recht om een specialistentitel te voeren is voorbehouden aan degene die als specialist zijn geregistreerd en het voeren van de titel is verboden als zulks niet het geval is.”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. De psychiater heeft in beroep geen verweer gevoerd.

4.2 De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege, zoals hersteld bij beslissing van 30 juni 2017, en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Dit betekent dat het beroep wordt verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter; mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. R. Veldhuisen, leden-juristen en drs. I.A. de Boer en dr. M.C. ten Doesschate, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2018.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.