ECLI:NL:TGZCTG:2018:63 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.233
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:63 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-03-2018 |
| Datum publicatie: | 08-03-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2017.233 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij een knieprothese bij haar heeft geplaatst met nikkel erin, terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat zij allergisch is voor nikkel. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de chirurg niet van de allergie van klaagster wist, althans behoorde te weten en dat de keuze van de orthopedisch chirurg de betreffende prothese te plaatsen, ook indien hij die wel wetenschap zou hebben gehad, verantwoord was. Het beroep wordt verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.233 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C.,
tegen
D., orthopedisch chirurg, werkzaam te E., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. R.J. Peet, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. - hierna klaagster - heeft op 8 november 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen D. - hierna de orthopedisch chirurg - een klacht ingediend. Bij beslissing van 11 april 2017, onder nummer 16/424, heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De orthopedisch chirurg heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
1.2 De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 30 januari 2018, waar zijn verschenen klaagster en de orthopedisch chirurg, laatstgenoemde bijgestaan door mr. Peet voornoemd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“(…) 2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Klaagster is in 2009 op het spreekuur van in het F. geweest in verband met knieklachten links. Aanvankelijk werd zij gezien door collega’s van verweerder en later door verweerder. Klaagster is op een wachtlijst geplaatst voor een knieprothese-operatie;
2.2. In het huisartsenjournaal, dat op 26 februari 2009 aan het F. is gezonden bij de verwijzing wegens knieklachten, staat onder meer:
“Problemen
(…) 01.01.1992S88.00Contact eczeem/ander eczeem
Nikkelallergie
(…)”
2.3. Toen verweerder in de G.-Kliniek te E. ging werken, heeft klaagster besloten haar operatie aldaar door verweerder te laten uitvoeren.
2.4. Klaagster is daar op 4 oktober 2010 door verweerder aan haar knie geopereerd, waarbij een knieprothese (links) is geplaatst. Voorafgaande aan de operatie heeft klaagster een vragenlijst ingevuld, waarop zij de vraag “Bent u ergens allergisch voor” met “nee” heeft beantwoord.
2.5. Na de operatie bleef klaagster pijn houden, waarvoor zij verweerder diverse malen terug zag. Tevens kreeg zij onder meer last van hartkloppingen en benauwdheid.
2.6. De door verweerder geplaatste knieprothese bevat (een spoor van) nikkel.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder bij klaagster een knieprothese heeft geplaatst met nikkel erin, terwijl verweerder volgens klaagster wist, althans behoorde te weten, dat zij niet tegen nikkel kon, omdat dit in haar medisch dossier stond. Zij had zich eerder, in 1992, namelijk tot de huisarts gewend in verband met een dikke wang en de huisarts heeft in haar dossier opgeschreven dat dit door haar nikkel houdende oorbel kon komen. Haar huisarts heeft haar medische stukken naar het F. gezonden.
Een aantal jaren na de plaatsing van de knieprothese is in het H.-Ziekenhuis vastgesteld dat zij inderdaad een nikkel allergie heeft. Volgens klaagster heeft zij al jaren last van pijn, duizeligheidsklachten en koorts.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. In het tuchtrecht is persoonlijke verwijtbaarheid uitgangspunt.
5.2. Verweerder heeft aangevoerd dat hij met de verwijsbrief van de huisarts en de nikkelallergie van klaagster niet bekend was en dat klaagster dit ook nooit aan hem gemeld had. Klaagster heeft dit volgens hem noch gedaan ten tijde van het intake gesprek in de G.-kliniek op 4 augustus 2010 noch ten tijde van het pre-operatief onderzoek voorafgaande aan de operatie op 4 oktober 2010. Deze pre-operatieve onderzoeken zijn uitgevoerd conform de medisch professionele standaard, aldus verweerder. Via het F. ontving verweerder de kopieën van de correspondentie aan de huisarts van klaagster. Daartussen bevond zich echter niet de verwijsbrief van de huisarts, waarin melding werd gedaan van een allergie voor nikkel. Voorts hoort het volgens verweerder niet tot de orthopedisch medische standaard om bij iedere patiënt specifiek te vragen naar de aanwezigheid van een nikkelallergie. En ook indien verweerder wel op de hoogte was gesteld van deze nikkelallergie, dan was het nog maar de vraag of hij een allergeenarme prothese had moeten plaatsten. Immers, wanneer een dermatologietest een metaalallergie toont, betekent dit volgens verweerder niet automatisch dat het plaatsen van een knieprothese een daadwerkelijke allergische reactie geeft. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar enkele wetenschappelijke publicaties. Hoewel de groep mensen die bekend is met een metaalallergie groot is, zijn er zeer lage incidentiecijfers van een reactie op een implantaat en is het niet zinvol om mensen met een bekende metaalallergie een implantaat van roestvrij staal of cobaltchroom te ontraden. De geplaatste knieprothese bestaat uit een spoor van nikkel (max 0.1 wt%). Vanuit De Nederlandse Orthopedische Vereniging (NOV) zijn er ook geen bindende adviezen om bij het bekend zijn met een nikkelallergie per definitie een allergeenarme prothese te plaatsen. Het voorgaande leidt er volgens verweerder toe, dat hij niet tekortgeschoten is, in de aan klaagster te verlenen zorg.
5.3. Het college overweegt dat - hoewel het college van mening is dat verweerder zich er niet op kan beroepen dat hij de informatie uit de verwijsbrief van de huisarts niet heeft gelezen (verweerder heeft klaagster immers ook zelf in het F. als patiënt gezien) – dit gelet op de omstandigheden van deze casus niet met zich brengt dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door een prothese met een klein percentage nikkel bij klaagster te plaatsen. Daarbij acht het college van doorslaggevend belang dat het beleid bij het bekend zijn van een nikkel (contact)allergie niet anders zou zijn geweest. Hoewel uit de literatuur bekend is dat (systematische) allergieën voor kobalt en chroom reacties kunnen geven op implantaten, is dit voor nikkel niet duidelijk. Er zijn geen richtlijnen die voorschrijven om bij een (vermoede) allergie een allergietest te verrichten en om in het geval van een nikkelallergie over te gaan tot het plaatsten van een prothese zonder dit metaal. De NOV geeft geen adviezen over hoe om te gaan met een metaalallergie en een implantaat. Ook de American Academy of Orhopedic Surgeons (AAOS) heeft geen adviezen hieromtrent. Ook in de jaarverslagen van de Landelijke Registratie Orthopedische Implantaten (LROI) worden geen meldingen gemaakt dat een metaalallergie de reden is geweest voor een revisie van een implantaat.
5.4. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam orthopedisch chirurg zou hebben gedaan. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. De klacht is kennelijk ongegrond.
(…) ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder 2 “ 2. De feiten ” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
4.2 De orthopedisch chirurg heeft ter zitting in beroep toegelicht dat hij voorafgaand aan de operatie bij het F. in B. (hierna: het F.) de correspondentie heeft opgevraagd die door de vorige orthopedische behandelaars van klaagster over haar naar de huisarts was verstuurd. De orthopedisch chirurg was de vierde orthopedische arts bij wie klaagster voor haar knieklachten in het F. in behandeling was. Het huisartsenjournaal, waarin de nikkelallergie wordt genoemd, maakte van die correspondentie geen deel uit, aldus de orthopedisch chirurg. Tevens heeft de orthopedisch chirurg in beroep gewezen op de vragenlijst over allerlei aspecten van de gezondheid van klaagster die zij voorafgaand aan de operatie heeft ingevuld. Op die vragenlijst heeft klaagster als antwoord op de vraag of zij ergens allergisch voor is “nee” ingevuld. Desgevraagd heeft klaagster ter zitting in beroep verklaard dat zij dit antwoord heeft gegeven, omdat zij destijds zelf nog niet bekend was met haar nikkelallergie.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de orthopedisch chirurg, als opvolgend behandelaar van klaagster in een reeks van daaraan voorafgegane behandelingen door andere orthopedische artsen, heeft mogen afgaan op de informatie die de eerdere behandelaars aan de huisarts hadden verstrekt. Voor de orthopedisch chirurg was er geen aanleiding nadere inlichtingen te vragen. Dit geldt temeer, nu klaagster bij het invullen van de vragenlijst – die was bedoeld ervoor te zorgen dat de orthopedisch chirurg bij het verrichten van de operatie over de juiste informatie zou beschikken – zelf aan de orthopedisch chirurg heeft meegedeeld geen allergieën te hebben. Op basis van de stukken en de daarop gegeven toelichting ter zitting kan daarom niet worden vastgesteld dat de chirurg voorafgaand aan het verrichten van de operatie wist, althans behoorde te weten, dat klaagster allergisch was voor nikkel.
4.4 Echter, ook indien de orthopedisch chirurg wel van de nikkelallergie van klaagster op de hoogte zou zijn geweest, dan is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de keuze van de orthopedisch chirurg tot het plaatsen van de betreffende prothese, die een gering percentage nikkel bevatte, op basis van de toenmalige en huidige praktijk verantwoord was. In dit kader verwijst het Centraal Tuchtcollege naar en verenigt het zich met hetgeen het Regionaal Tuchtcollege hierover onder 5.3 heeft overwogen.
4.5 De conclusie van het voorgaande is dat de orthopedisch chirurg door de prothese bij klaagster te plaatsen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zodat het beroep van klaagster moet worden verworpen. Ten overvloede merkt het Centraal Tuchtcollege ter voorlichting van klaagster op dat in enkele gevallen een patiënt na een knieoperatie, waarbij een knieprothese is geplaatst, onverklaarbare klachten blijft houden. De klachten hoeven dus niet aan een (nikkel)allergie te zijn gerelateerd.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en
mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en dr. R.T. Ottow en dr. W.J. Rijnberg, leden-beroepsgenoten en mr. A. Mul, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.