ECLI:NL:TGZCTG:2018:336 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.259

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:336
Datum uitspraak: 20-12-2018
Datum publicatie: 20-12-2018
Zaaknummer(s): c2018.259
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Niet gebleken dat de psychiater tegenstrijdige uitspraken heeft gedaan in zijn rapportage en in zijn gespreksverslag. Het gespreksverslag was bedoeld voor intercollegiaal overleg met een collega-arts in dezelfde instelling. Verwerpt beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.259 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., psychiater, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. P. Mannaart te Leusden.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 24 november 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 14 juni 2018, onder nummer 2017/450 heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, aan de psychiater de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2017.473 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 november 2018, waar zijn verschenen klager en de psychiater, de psychiater bijgestaan door zijn gemachtigde. Klager heeft zijn standpunten en mr. Mannaart heeft de standpunten van de psychiater toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2.      De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1. Klager heeft op 26 september 2016 zijn huisarts bezocht, waarbij hij klachten van trillende handen, een droge mond en dorst presenteerde. De huisarts heeft klager verwezen naar verweerder voor evaluatie en advies in verband met het lithiumgebruik van klager.

2.2. Op 27 september 2016 heeft verweerder klager onderzocht. Op 29 september 2016 heeft verweerder het daarvan opgemaakte rapport naar klager en zijn huisarts verzonden. Hierop kwam het verzoek van klager het rapport op enkele punten aan te passen en op 25 oktober 2016 heeft verweerder zijn definitieve rapportage aan de huisarts van klager gestuurd. Verweerders conclusie in dit rapport was:

“langdurige lithiumbehandeling wegens een in 1993 doorgemaakte ernstige depressie, en mogelijk tevens perioden met hypomanische kenmerken, bij een 68-jarige man met een familiaire belasting voor bipolaire stemmingsstoornissen (vader) en psychose (broer), die sinds een jaar is verwikkeld in een escalerend echtelijk conflict, waarbij er twijfel bestaat of de huidig emotionele balans wordt verstoord door manische verschijnselen (dan wel vice versa), of dat dit mogelijk tevens samenhangt met voor hem subtherapeutische lithiumspiegel”.

2.3. Op 6 januari 2017 heeft klager op doorverwijzing van zijn huisarts, wegens benodigde begeleiding bij een escalerende thuissituatie een gesprek gehad met een bij dezelfde E.-instelling werkzame collega van verweerder, dr. I., psychiater bij F., locatie G. te H.

2.4. Op 22 februari 2017 heeft dr. I. een rapportage opgesteld naar aanleiding van een brief van de echtgenote van klager, waarin zij haar zorgen uiteenzet. Dr. I. heeft verweerder per e-mail de vraag gesteld of zij met hem kon overleggen over deze casus.

2.5. Op 9 maart 2017 heeft verweerder telefonisch contact gehad met dr. I. over klager en hebben zij ieder afzonderlijk daarvan een gespreksverslag gemaakt. In het door hem gemaakte gespreksverslag heeft verweerder, voor zover hier van belang, het volgende genoteerd:

" (…) Op basis van de informatie zoals die vooral door de echtgenote is aangeleverd over het gedrag van de heer Kruijer is het zeer aannemelijk dat er net als bij de second opinion in september 2016 nog steeds sprake is van een manische episode (…)".

Dr. I. heeft in het door haar opgestelde gespreksverslag, voor zover hier van belang, het volgende genoteerd:

“(…)relatietherapie is niet aan de orde, wel is er reden om aan te nemen dat sprake is van een manische ontregeling bij patiënt (hoewel niet zozeer duidelijk in de eenmalige contactuele context van zijn intakegesprek bij mij, doch wel aannemelijk uit de gedragsbeschrijvingen van echtgenote alsook uit de inhoud van de door hemzelf geschreven emails), (…).”

2.6. Bij brief van 26 april 2017 heeft klager verweerder verzocht de paragraaf Bipolarity Index in het voornoemde rapport te herzien dan wel deugdelijk te motiveren. Bij brief van 9 mei 2017 heeft verweerder aangegeven waarom hij dit verzoek niet honoreert.

2.7. Vervolgens heeft klager een klacht bij dit college ingediend, onder meer inhoudende dat verweerder op een foute manier de Bipolarity Index heeft bepaald, welke klacht bij beslissing van 24 oktober 2017 is afgewezen. Klager heeft op 1 november 2017 tegen deze beslissing beroep ingesteld.

2.8. Op 24 november 2017 heeft klager onderhavige klacht bij dit college ingediend.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder onzorgvuldig en op laakbare wijze heeft gehandeld door in zijn gespreksverslag, zoals hiervoor onder 2.5. weergegeven

1.                met twee monden;

2.                en achter klagers rug om te spreken.

Volgens klager is de inhoud van dit gespreksverslag in tegenspraak met verweerders conclusie in zijn rapport van 25 oktober 2016. Verweerder heeft achter zijn rug om met psychiater I. overlegd en gelet op het tegenstrijdige advies aan psychiater I., had dat met hem overlegd moeten worden, aldus klager.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1. Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen van de arts niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig gestelde handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard. Tevens geldt dat het bij het tuchtrecht in beginsel gaat om de persoonlijke verwijtbaarheid van de arts.

5.2. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel deelt het college niet het standpunt van klager dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door met ‘twee monden’ te spreken en in het gespreksverslag een aan de conclusie van de rapportage van 25 oktober 2016 tegenstrijdige uitspraak te doen. In de conclusie van het rapport van 25 oktober 2016 heeft verweerder gesteld dat er meerdere oorzaken konden bestaan voor de door klager ervaren klachten; de diagnose bipolaire stemmingsstoornis was volgens verweerder toen niet te stellen dan wel met waarschijnlijkheid uit te sluiten. In het verslag van het telefonisch overleg met collega I., hiervoor weergegeven onder 2.5, heeft verweerder gesteld dat het ‘zeer aannemelijk’ is dat bij klager ‘… nog steeds sprake is van een manische episode’.

5.3. Naar het oordeel van het college is de woordkeuze ‘… nog steeds…’ ongelukkig en zou ‘bij nader inzien’ wellicht een betere woordkeuze zijn geweest. De conclusie dat verweerder richting collega I. wel de diagnose bipolaire stoornis zou hebben gesteld, kan echter niet worden getrokken, nu verweerder geen harde diagnose stelt maar een vermoeden daarvan uitspreekt. Dit klachtonderdeel faalt derhalve.

5.4. Anders is dat voor het tweede onderdeel van de klacht, dat door het college wordt geïnterpreteerd als schending van het beroepsgeheim. De verwijzing door verweerder naar artikel 7:457 tweede lid BW, waarin is bepaald dat het beroepsgeheim niet geldt tussen artsen die rechtstreeks betrokken zijn bij de behandelingsovereenkomst, is niet valide. Verweerder heeft klager in november 2016 gezien in het kader van een second opinion. Dit traject was afgesloten. Op het moment van het verstrekken van informatie over klager aan collega was verweerder niet aan te merken als een hulpverlener die rechtstreeks betrokken was bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst.

5.5. Ter zitting heeft verweerder verklaard zich destijds zorgen te hebben gemaakt over klager. Hoewel het college uitgaat van de goede bedoelingen van verweerder, collega I. kennelijk behoefte had aan overleg en informatie en het noteren door verweerder van het gespreksverslag in het patiëntendossier van klager met een 'breaking the glass'-procedure, op zich zorgvuldig is geweest, rechtvaardigt dat de schending van het beroepsgeheim niet. Daarnaast is niet gesteld noch gebleken dat er andere redenen waren die het doorbreken van het beroepsgeheim rechtvaardigden.

5.6. Voor iedere arts en dus ook voor verweerder in het kader van een second opinion gelden de bepalingen van het beroepsgeheim, zoals neergelegd in onder andere artikel 7:457 BW en artikel 88 Wet BIG. Het college is van oordeel dat het enerzijds op de weg van verweerder had gelegen zich ervan te vergewissen dat collega I. daadwerkelijk toestemming van klager had (ingevolge artikel 7:456 tweede lid BW) om over zijn medische situatie te overleggen, anderzijds heeft verweerder het op hem zelf rustende beroepsgeheim geschonden door zonder toestemming van klager collega I. met betrekking tot een eventueel bij klager bestaande psychische stoornis te adviseren. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.

5.7. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.

5.8. Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, zal het college verweerder een maatregel opleggen. Het college weegt daarbij mee dat verweerder inzicht heeft getoond in zijn handelen, zich toetsbaar heeft opgesteld en ter zitting heeft verklaard zijn handelswijze hieromtrent heeft aangepast; wanneer hij door een collega wordt geraadpleegd vraagt hij nu altijd of dit met toestemming van de betreffende patiënt gebeurt. Het college zal verweerder, alles meewegend, de maatregel van waarschuwing opleggen.

5.9. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat het beroep is beperkt tot klachtonderdeel 1 dat ongegrond is verklaard. De psychiater is niet in beroep gekomen van klachtonderdeel 2 dat gegrond is verklaard. Klachtonderdeel 1 is door het Regionaal Tuchtcollege omschreven als het spreken met twee monden. Het Centraal Tuchtcollege begrijpt dit klachtonderdeel zo dat klager  de psychiater verwijt dat hij in het telefonisch overleg van 9 maart 2017, waarvan een aantekening in het patienten- dossier is gemaakt, een andere diagnose heeft gesteld dan in het rapport van  29 september 2016 waarin is opgenomen dat de diagnose bipolaire stemmingsstoornis niet kon worden gesteld.

4.2       Ten aanzien van klachtonderdeel 1 heeft klager in beroep zijn klacht herhaald en nader toegelicht.

4.3       De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.4       Anders dan klager aanvoert, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de door de psychiater gemaakte aantekening van het intercollegiaal overleg op 9 maart 2017 dat het op basis van de in dat overleg aangeleverde informatie over het gedrag van klager zeer aannemelijk is dat net als in september 2016 nog steeds sprake is van een manische episode niet betekent dat hij bij klager op dat moment de diagnose bipolaire stemmingsstoornis heeft gesteld, in tegenstelling tot zijn conclusie in het rapport van 26 september 2016 dat de diagnose bipolaire stemmingsstoornis op basis van het consult niet kon worden gesteld. Intercollegiaal overleg binnen dezelfde E. instelling, zoals hier heeft plaatsgevonden,  geeft blijk van goede zorg. De daarvan  gemaakte werkaantekening is voor intern gebruik en is de verkorte weergave van een tussen collega’s gedeelde bevinding. Die aantekening is bedoeld voor collega’s binnen de instelling en in dat licht moeten de bewoordingen van die aantekening worden gezien; dat wil zeggen dat de strekking daarvan voor die collega’s duidelijk moet zijn. Dat klager naar de letter een discrepantie ziet  tussen het rapport van september 2016 en de aantekening van april 2017 die hem bij het opvragen van het medisch dossier onder ogen is gekomen mag zo zijn maar dat betekent niet -gelet op de aard van het geschrevene en het tijdsverloop- dat de conclusie van het rapport of de aantekening onjuist of met elkaar in tegenspraak is. Het Centraal Tuchtcollege komt  met betrekking tot klachtonderdeel 1 tot dezelfde conclusie als het Regionaal Tuchtcollege dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                                    verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter;  L.F. Gerretsen-Visser en

Y. Buruma, leden-juristen en A.C.L. Allertz en J.J. de Jong, leden-beroepsgenoten en

M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2018.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.