ECLI:NL:TGZCTG:2018:318 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.304

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:318
Datum uitspraak: 29-11-2018
Datum publicatie: 29-11-2018
Zaaknummer(s): c2018.304
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.304 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., psychiater, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. M.J. de Groot te Utrecht.

1.          Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 16 oktober 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van

8 juni 2018, onder nummer 2017/384 heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Klager heeft voorafgaand aan de zitting nog nadere stukken ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 november 2018, waar zijn verschenen klager en de psychiater, de psychiater bijgestaan door zijn gemachtigde.

Klager heeft zijn standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2.      De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1. Klager heeft sinds 2003 een aantal perioden van arbeidsongeschiktheid doorgemaakt in verband met een slaapstoornis. In 2005, na een polysomnografisch onderzoek, en in 2011 is klager hiervoor behandeld bij het E..

2.2. Klager heeft als zelfstandig ondernemer een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij F..

2.3. Verweerder, psychiater en NIP-geregistreerd neuropsycholoog, verricht in opdracht van G., een bedrijf gespecialiseerd op het gebied van onafhankelijke diagnostiek en advisering, psychiatrische en neuropsychologische expertises.   

2.4. Verweerder heeft, vanwege intensivering van de klachten van klager, in opdracht van F., psychiatrisch onderzoek verricht bij klager in verband met de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De medisch adviseur van F. heeft bij brief van 15 april 2016 de vraagstelling voor het psychiatrisch onderzoek als volgt geformuleerd:

“Op basis van de huidige medische toestand moet ik nu de eventueel aanwezige beperkingen voor het verrichten van arbeid beoordelen, zodat de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid kan vaststellen. Ik stel het daarom op prijs als een psycholoog en psychiater verzekerde onderzoeken en mij antwoord geven op de volgende vragen:

Vragen

1.     Hoe luidt de door u opgenomen anamnese?

2.     Waaruit bestaan de huidige klachten?

3.     Van wanneer dateren deze klachten?

4.     Welke afwijkingen treft u bij u onderzoek aan?

5.     Welke diagnose(n) stelt u?

6.     Welke behandeling vindt er nu plaats?

7.     Wat zijn uw overwegingen voor een eventueel in te stellen therapie?

8.     Hoe ziet u de prognose?

9.     Kunt op basis van de objectieve medische bevindingen aangeven welke   beperkingen er zijn voor het verrichten van arbeid?

10.  Wat is uw visie op het verloop van het herstel van verzekerde?

Als bijlage bij deze brief treft u een gesloten envelop aan met daarin kopieën van alle relevante medische gegevens die ik onderaan deze brief heb gespecificeerd”

2.5. Op 28 april 2016 heeft mevrouw drs. H., psycholoog, in het kader van het onderzoek een sociobiografische anamnese afgenomen.

2.6. Op 13 mei 2016 heeft het onderzoeksgesprek plaats gevonden tussen klager en verweerder.

2.7. Op 26 mei 2016 heeft mevrouw I. , neuropsycholoog, op verzoek en onder verantwoordelijkheid van verweerder een neuropsychologische onderzoek (hierna: NPO) afgenomen.

2.8. Op 24 juni 2016 heeft verweerder de conceptrapportages van het NPO en het psychiatrische onderzoek aan klager gezonden in verband met het inzage- en correctierecht.

De beschouwing en conclusie van het NPO luidt als volgt:

“Het gaat om een 56-jarige gehuwde man, vader van drie kinderen, van beroep zelfstandig ondernemer. Van zijn voorgeschiedenis is bekend dat betrokkene sinds 2003 bekend is met chronische vermoeidheid. Bij het E. werd paradoxale insomnie met geassocieerde overbelasting vastgesteld.

Betrokkene meldde zich tevens per 1 december 2012 arbeidsongeschikt (onder meer) vanwege slaapproblemen en cognitieve klachten. Betrokkene ervaart thans geheugen- en concentratieproblemen. Daarnaast ondervindt hij chronische vermoeidheidsklachten. Tijdens huidig neuropsychologisch onderzoek werden afwijkende testprestaties gevonden in: het opslaan, reproduceren, en herkennen van verbaal aangeboden informatie, het visueel geheugen, de volgehouden aandacht, de verdeelde aandacht, de motorische snelheid, de informatieverwerkingssnelheid en de verbale interferentie. De intelligentie werd geschat op 118, hetgeen in overeenstemming is met het opleidingsniveau. De testafwijkingen zijn beïnvloed door onderpresteren.”

De conclusie van het psychiatrisch onderzoek luidt, zover van belang, als volgt:

“In diagnostische termen kom ik tot de volgende afweging. De cognitieve klachten die betrokkene beschrijft zijn thans niet objectiveerbaar vanwege een gestoorde symptoomvaliditeit. Een en ander geeft dan ook geen aanleiding om op basis van de huidige informatie een psychiatrisch ziektebeeld te veronderstellen. Overigens sluit dit de aanwezigheid van cognitieve stoornissen geenszins uit.

Ook voor een persoonlijkheidsstoornis of een neurobiologische ontwikkelingsstoornis biedt het onderhavige onderzoek onvoldoende aangrijpingspunten. Zo heeft betrokkene onder meer vele jaren zonder noemenswaardige problemen weten te functioneren binnen de diverse levensgebieden.”

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt kort weergegeven in dat verweerder onprofessioneel heeft gehandeld door- dat hij bij zijn psychiatrische expertise bewust de slaapproblematiek van klager heeft veronachtzaamd en uitspraken heeft gedaan over zijn indruk van het cognitief functioneren van klager waarbij hij – zoals expliciet toegegeven – geen rekening heeft gehouden met deze slaapproblematiek.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1. Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig gestelde handelen en met  hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard.

5.2. Bij de beoordeling van de vraag of de rapportage van verweerder voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen volgens vast jurisprudentie de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

1.    het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2.    het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3.    in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4.    het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5.    de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerder uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.3. Het college is van oordeel, dat de uitvoering van het onderzoek en de rapportage voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid. De psychiatrische expertise is uitgevoerd zoals redelijkerwijs mocht worden verwacht van verweerder. Het doel van de psychiatrische expertise was de beoordeling of er sprake was van een psychiatrische (slaap)stoornis. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is het college van oordeel dat verweerder, anders dan klager stelt, tijdens zijn  onderzoek veel aandacht heeft besteed aan de slaapproblematiek van klager. Zo heeft verweerder bij de beantwoording van de onderzoeksvragen de aan hem ter beschikking gestelde informatie over de diagnostiek en behandeling bij E., betrokken bij zijn beoordeling. Ook blijkt uit de overgelegde stukken dat de stressoren in de privé situatie van klager die van invloed (kunnen) zijn op zijn slaapproblemen (uitvoerig) zijn besproken.

Het college is van oordeel dat het strikte onderscheid in de rapportage tussen neurologische slaapstoornis en psychiatrische symptomen passend bij een slaapstoornis – ‘psychiatrische slaapstoornis’ – weliswaar kunstmatig is, maar dat dit niet betekent dat verweerder niet in alle redelijkheid tot de conclusie kon komen dat een psychiatrisch ziektebeeld niet kon worden vastgesteld, maar dat een cognitieve stoornis ook niet valt uit te sluiten. Deze conclusie volgt naar het oordeel van het college logisch uit de door verweerder geconstateerde feiten en omstandigheden tijdens het psychiatrisch onderzoek en het NPO. De klacht wordt dan ook verworpen.

5.4. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1  In beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.

4.2       De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de psychiater en is het door de psychiater gevoerde verweer tegen naar aanleiding van zijn professioneel handelen geformuleerde klachten nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 november 2018 is dat debat voortgezet.

Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft dus de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 8 juni 2018. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                                    verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser en

Y. Buruma, leden-juristen en A.C.L. Allertz en J.J. de Jong, leden-beroepsgenoten en

M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 29 november 2018.

Voorzitter  w.g.                      Secretaris  w.g.