ECLI:NL:TGZCTG:2018:316 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.047
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:316 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-11-2018 |
| Datum publicatie: | 29-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2018.047 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verzekeringsarts. Verweerder heeft op verzoek van de gemeente na een spreekuurcontact een beoordelingsrapportage urgentie huisvesting over klager opgesteld en is tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een urgentie klasse 3. De klacht heeft betrekking op de zorgvuldigheid en vakkundigheid van het onderzoek en op de conclusie van verweerder. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.047 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. S. Yücel, advocaat te Amersfoort,
tegen
C., verzekeringsarts, (destijds) werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. M.J. de Groot, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die (na doorzending) door het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle is ontvangen op 23 juni 2017, tegen C. – hierna de verzekeringsarts. Bij beslissing van 15 december 2017, onder nummer 152/2017, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De verzekeringsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere stukken ontvangen.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 8 november 2018, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door
mr. Yücel voornoemd, en de verzekeringsarts, bijgestaan door mr. De Groot voornoemd.
De zaak is ter terechtzitting over en weer bepleit. Mr. Yücel heeft dat mede gedaan aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het dossier van verweerder) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Op 10 november 2014 heeft de E. verweerder verzocht bij klager een keuring te verrichten waarbij de aanvraag tot voorrang huisvesting op medische gronden diende te worden beoordeeld. Op 15 december 2014 heeft verweerder klager in het kader van deze keuring gezien. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat er op dat moment geen sprake was van een urgente situatie klasse 4, wel van een urgentie klasse 3 = medisch noodzakelijk, verhuizing binnen een jaar noodzakelijk, en heeft dit gerapporteerd aan de gemeente D.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij in zijn advies geen rekening heeft gehouden met de adviezen en verzoeken van andere artsen en instanties, omdat deze subjectief zouden zijn. Verweerder heeft klager slechts vijftien minuten onderzocht. Verweerder heeft geen kennis genomen van het feit dat klager autistisch is, maar wel advies uitgebracht aan de gemeente D. Klager vindt het onderzoek van verweerder ondeugdelijk, wat volgens hem ook al is erkend door de gemeente D. en de hulpverleners. Klager merkt hierbij nog op dat verweerder een uurtarief heeft gehanteerd van circa € 600,-.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan.
Op 15 december 2014 zag verweerder klager in het kader van de keuring op het spreekuur. Klager verscheen tezamen met zijn begeleidster van het Sociaal Team D.. Verweerder heeft ongeveer een half uur met hun beiden gesproken. Vervolgens heeft verweerder een beoordelingsrapportage urgentie huisvesting opgesteld. Hierin heeft verweerder zijn conclusie, inhoudende dat er een medische reden was om te verhuizen c.q. dat sprake was van een noodzakelijke situatie om te verhuizen, gemotiveerd toegelicht. Nu klager op dat moment niet onder behandeling stond van een arts, er evenmin sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis en er volgens verweerder geen sprake was van decompensatie of opname, alleen te voorkomen door verhuizing binnen drie maanden, achtte verweerde de situatie echter niet urgent.
Verweerder destilleert uit het klaagschrift de volgende klachtonderdelen:
1. verweerder heeft bij de door hem uitgevoerde keuring adviezen en verzoeken van artsen en instanties ter zijde geschoven;
2. het onderzoek duurde slechts vijftien minuten;
3. verweerder heeft advies uitgebracht zonder dat hij wist dat klager autistisch is;
4. het onderzoek is ondeugdelijk geweest en verweerder hanteerde een uurtarief van € 600,-.
4.1 Eerste klachtonderdeel
Zoals uit de rapportage blijkt, heeft verweerder wel degelijk alle beschikbare medische informatie in ogenschouw genomen en meegewogen. Deze medische informatie ligt juist ten grondslag aan de conclusie van verweerder in zijn rapportage dat er een medische noodzaak tot verhuizen bestaat.
4.2 Tweede klachtonderdeel
Het gesprek met klager en zijn begeleider duurde ongeveer een half uur. Tezamen met de tijd om de medische informatie door te nemen en de rapportage op te stellen heeft het algehele onderzoek van verweerder ongeveer anderhalf uur geduurd, en dus niet slechts vijftien minuten.
4.3 Derde klachtonderdeel
Verweerder begrijpt dit verwijt niet goed. Uit verweerders rapportage blijkt duidelijk dat verweerder wel op de hoogte was van het feit dat bij klager een autismespectrumstoornis is vastgesteld. Ook blijkt uit de rapportage dat verweerder rekening heeft gehouden met de functionele gevolgen die de autismespectrumstoornis heeft voor klager.
4.4 Vierde klachtonderdeel
Klager onderbouwt niet nader waarom het onderzoek ondeugdelijk zou zijn. Wat het uurtarief betreft, merkt verweerder op dat hij voor de gehele keuring niet meer dan
€ 140,- heeft ontvangen. Hoe klager bij een uurtarief van € 600,- komt, is onduidelijk voor verweerder. Los hiervan ziet hij ook niet in welk opzicht dit tuchtrechtelijk relevant is.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1 Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2 De eerste drie klachtonderdelen hebben betrekking op de zorgvuldigheid en vakkundigheid van het onderzoek dat verweerder heeft verricht en op zijn conclusie. Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De totstandkoming van een deskundigenrapportage als door verweerder uitgebracht dient volgens vaste jurisprudentie te voldoen aan de volgende criteria:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. in het rapport wordt op een inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Daarbij wordt ten volle getoetst of het onderzoek door de deskundige uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Dit laatste betreft een marginale beoordeling.
5.3 Het college is van oordeel dat verweerders rapportage in voldoende mate de feiten, omstandigheden en de bevindingen vermeldt waarop deze berust. Hieronder vallen ook de medische stukken, waarvan klager stelt dat zij ter zijde zouden zijn gelegd, en het feit dat bij klager een autismespectrumstoornis is vastgesteld. Verder is niet gebleken dat de onderzoeksmethode ongeschikt zou zijn om tot het uitgebrachte advies te komen. Zo kan niet worden vastgesteld dat er bijvoorbeeld onvoldoende tijd is uitgetrokken voor het onderzoek, zoals klager stelt. Daarnaast geldt dat de rapportage inzichtelijk en consistent is opgesteld wat de gronden en het daaruit afgeleide advies betreft. De rapportage bevat eveneens een vermelding van de bronnen waarop zij berust. Voorts is niet gebleken dat verweerder niet binnen de grenzen van zijn deskundigheid is gebleven. Gezien het voorgaande voldoet verweerders rapportage aan de eisen van vakkundigheid en zorgvuldigheid.
Wat betreft de conclusie in de rapportage geldt dat deze naar het oordeel van het college voldoende gedragen wordt door de inhoud van de rapportage. Dit maakt dat verweerder naar het oordeel van het college in redelijkheid tot zijn advies heeft kunnen komen. Dat klager het oneens is met het advies, doet hier niet aan af.
Het voorgaande betekent dat de eerste drie klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.
5.4 Voor zover de stelling van klager dat verweerder een uurtarief van circa
€ 600,- zou hebben gehanteerd als een klachtonderdeel moet worden opgevat, geldt dat klager dit niet heeft onderbouwd en dat verweerder dit betwist. Verweerder stelt dat hij een beduidend lager bedrag heeft ontvangen voor het gehele onderzoek. Uit de stukken blijkt overigens dat bij klager een bedrag van € 150,- voor het medisch advies in rekening is gebracht. Wat hier verder ook van zij, het college acht in het voorgaande geen aanknopingspunt aanwezig voor een tuchtrechtelijk verwijt. Ook dit laatste klachtonderdeel is daarmee kennelijk ongegrond.
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager is in beroep gekomen van de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege waarbij zijn klacht in zijn geheel als kennelijk ongegrond is afgewezen. Tegen het oordeel van dat college dat de klachtonderdelen die betrekking hebben op de duur van het onderzoek en het door de verzekeringsarts gehanteerde uurtarief niet gegrond zijn, heeft klager in beroep geen grieven geformuleerd. Dit deel van de klacht is daarom in beroep niet meer aan de orde.
4.2 Namens de verzekeringsarts is betoogd dat klager in beroep een nieuwe klacht naar voren heeft gebracht die inhoudt dat de verzekeringsarts zijn zorgplicht heeft geschonden door te rapporteren dat er bij klager sprake was van een urgente situatie klasse 3, en niet van een urgente situatie klasse 4. Dit betoog wordt door het Centraal Tuchtcollege verworpen nu hetgeen klager in beroep aanvoert voldoende samenhang vertoont met de klacht zoals die in eerste aanleg is behandeld en beoordeeld.
Voor het overige heeft de verzekeringsarts verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 8 november 2018 is dat debat voortgezet.
4.4 De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: K.E. Mollema, voorzitter; S.M. Evers en
Y.A.J.M. van Kuijck, leden-juristen en H.S. Boersma en W.A. Faas, leden-beroepsgenoten
en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.