ECLI:NL:TGZCTG:2018:315 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.456

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:315
Datum uitspraak: 29-11-2018
Datum publicatie: 29-11-2018
Zaaknummer(s): c2017.456
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen bedrijfsarts. Verweerster heeft in een door haar uitgevoerde dossiertoets geconcludeerd dat de bedrijfsarts die bij de verzuimbegeleiding van klager was betrokken voldoende vakkundig en zorgvuldig heeft gehandeld. Klager verwijt verweerster dat zij bij de “second opinion” geen navraag heeft gedaan bij zijn behandelaars over zijn medische voorgeschiedenis. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.456 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., bedrijfsarts, werkzaam te D., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. A.C. Zentveld, verbonden aan Zorg van de Zaak te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 18 november 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de bedrijfsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 29 augustus 2017, onder nummer 16/444, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De bedrijfsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak A./E. (C2017.455) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van

8 november 2018, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mevrouw

I.T. van Delft-Duivesteijn, expert personenschade, en de bedrijfsarts, bijgestaan door mr. Zentveld voornoemd.

De zaak is ter terechtzitting over en weer bepleit. Mevrouw Van Delft heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

2.1       Klager, geboren op 30 augustus 1952, was sinds 1987 voor 16 uur per week werkzaam bij F. (G.) als administratief medewerker en secretaris van het dagelijks bestuur. Hij was daarnaast ook deels arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering.

2.2       Bij e-mail van 20 februari 2013 heeft klager zich ziekgemeld bij zijn werkgever. In de e-mail heeft klager als klachten vermeld: steek- en pijnaanvallen in het operatiegedeelte waar in 2007 een bijnier en een kleine tumor op de nier van klager zijn verwijderd.

2.3       Naar aanleiding van de ziekmelding heeft H. voor de werkgever de verzuimbegeleiding ten behoeve van klager uitgevoerd. Klager is begeleid door bedrijfsarts E. (hierna de bedrijfsarts), in dienst van H., tegen wie klager eveneens een klacht (met nummer 16/443) heeft ingediend bij het college.

2.4       Op 19 maart 2013 heeft klager het eerste consult bij de bedrijfsarts gehad. In het medische dossier van klager heeft de bedrijfsarts voor zover van belang het volgende genoteerd:

Datum: 19-03-2013 (..)

Daarnaast voor 16 uur per week, verdeeld over 3 dagen per week werkzaam als secretaris/bestuurder van een vakbond voor J. Betr. zegt de afgelopen 2 jaar door een “hel” te zijn gegaan zowel fysiek als mentaal. Heeft medische voorgeschiedenis van depressie, niertumor, misbruikt in de jeugd (door pastoor). Aanleiding ziekmelding is overigens een conflict met de voorzitter die zich ook directeur noemt. Er is een polemiek gaande, e-mailverkeer die betrokkene zich sterk heeft aangetrokken. (..) Obv huisarts, depressieve klachten, “zit in de genen”.

2.5       Eind april 2013 zijn klager en zijn werkgever een mediationtraject gestart, welke begin mei 2013 is geëindigd. Op 8 mei 2013 is klager vervolgens door de werkgever hersteld gemeld bij H..

2.6       Op 7 juni 2013 heeft de werkgever ten aanzien van klager een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV.

2.7       Bij e-email van 24 juni 2013 heeft klager zich wederom ziekgemeld bij zijn werkgever. Op 27 juni 2013 is klager hersteld gemeld bij H.. Daarna is er een derde arbeidsongeschiktheidsmelding gevolgd over de periode van 31 juli 2013 tot 16 augustus 2013.

2.8       Klager heeft tussen 19 maart 2013 en 16 augustus 2013 een aantal gesprekken met de bedrijfsarts gehad. Op laatstgenoemde datum is klager voor het laatst op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. In de terugkoppeling naar de werkgever van dezelfde datum heeft de bedrijfsarts onder meer vermeld:

(..)Advies:

Ik heb geen argumenten die mijn standpunt wijzigen m.b.t. de arbeidsongeschiktheidssituatie van uw medewerker. Ik heb dit betrokkene ook op mijn spreekuur gezegd. (..)

Ik stel mij ongewijzigd op het standpunt dat er geen medische redenen (meer) zijn die betrokkene in de weg staan om zijn werkzaamheden waarvoor hij laatstelijk werkzaam was, volledig te hervatten. (..)

2.9       In 2014 is klager door zijn werkgever ontslagen nadat het UWV in september 2013 een ontslagvergunning had afgegeven.

2.10     Op 20 april 2015 heeft klager jegens H. een klacht ingediend bij de I. (hierna de commissie), deels gericht op het handelen van de bedrijfsarts. Tijdens de zitting op 2 november 2015 heeft de commissie aangeboden dat een andere bedrijfsarts, verweerster, van H. (op dat moment “Zorg van de Zaak” genoemd) het traject tijdens de verzuimperiode van klager gaat beoordelen. Klager is akkoord gegaan met inzage in zijn medisch dossier en een toetsing. In het verslag van de hoorzitting van 2 november 2015 staat in onderdeel 5 het de volgende:

5            Klager geeft daar op aan dat hij bereid is de second opinion alsnog door H. te laten uitvoeren, maar daarvoor dient H. dan wel te beschikken over de door hem aangeleverde stukken. De I. geeft daarop aan dat klager kan controleren welke stukken er volgens hem missen en deze kan nasturen ter attentie van een bedrijfsarts van H. (bijvoorbeeld de aanwezige mevrouw (..) (verweerster, het college)) met een medische machtiging van de heer (..) (klager, het college), waarna een second opinion gegeven zou kunnen worden over het handelen van de bedrijfsarts; (..)

2.11     Op 23 november 2015 heeft de commissie uitspraak gedaan en de klachten van klager jegens de bedrijfsarts niet-ontvankelijk verklaard. In het advies staat onder 3.4 voor zover van belang het volgende:

(..) De I. stelt overigens naar tevredenheid vast dat klager alsnog heeft aangegeven gebruik te willen maken van de door verweerder aangeboden second opinion. Naar het oordeel van de I. zou in die second opinion dan ook de vraag aan de orde moeten komen, waarom de betreffende bedrijfsarts geen informatie heeft ingewonnen bij de door klager bij hem aangehaalde artsen, indien verweerder alsnog in contact heeft kunnen komen met de betreffende bedrijfsarts.

Voorts zou klager daarbij in de gelegenheid gesteld moeten worden de stukken toe te sturen waarvan hij van mening is dat die niet in het medisch dossier zijn opgenomen, maar die wel relevant zijn om het handelen van de betreffende bedrijfsarts in het kader van de second opinion te kunnen beoordelen. (..)

2.12     Op 15 december 2015 heeft verweerster een “second opinion” uitgebracht op basis van het medisch dossier, het procesdossier en informatie uit de behandelend sector ten aanzien van klager. De conclusie van verweerster is dat door de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding en bedrijfsgeneeskundige beoordeling vanwege een werkgerelateerd conflict tussen klager en ex-werkgever voldoende vakkundig en zorgvuldig gehandeld is, conform de geldende richtlijnen. Ook heeft zij geconcludeerd dat het opvragen of ontvangen van medische informatie toentertijd hoogstwaarschijnlijk niet relevant zou zijn geweest voor de beoordeling van arbeids(on)geschiktheid op grond van ziekte noch geleid zou hebben tot een ander adviesbeleid.

2.13     Op 7 juni 2016 heeft klager jegens H. een klacht ingediend bij de commissie (deels) gericht op het handelen van verweerster. In haar uitspraak op

14 november 2016 heeft de commissie de klachtonderdelen ongegrond geoordeeld en overwogen dat de second opinion op correcte en zeer zorgvuldige wijze is uitgevoerd.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

-                  bij de “knullige” second opinion in december 2015 geen navraag heeft gedaan bij  behandelaars (de huisarts en de internist endocriene ziekten) van klager over zijn medische voorgeschiedenis.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Verder staat bij de beoordeling het persoonlijk handelen van verweerster centraal.

5.2       Voorop staat dat de commissie tijdens de hoorzitting op 2 november 2015 en in haar advies van 23 november 2015 de kaders heeft aangegeven waarbinnen de “second opinion” door verweerster diende te worden uitgevoerd. Verweerster zou onder andere onderzoeken waarom de bedrijfsarts de behandelaars van klager niet had geraadpleegd. Klager zou op zijn beurt de gelegenheid krijgen stukken na te sturen die niet in zijn medisch dossier waren opgenomen, maar relevant konden zijn om het handelen van de bedrijfsarts te beoordelen (zie bij de feiten onder 2.11). Niet is gebleken dat het de bedoeling was dat verweerster zelf navraag zou doen bij de behandelaars van klager. De klacht dat verweerster dit heeft nagelaten, kan reeds hierom niet slagen.

5.3       Uit de “second opinion” volgt voorts dat klager van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om aanvullende informatie van zijn artsen aan te leveren. Hij heeft onder andere medische informatie van de internist van 13 april 2015 en 6 mei 2015 overgelegd. Voorts heeft verweerster tijdens het verhoor in het kader van het vooronderzoek verklaard dat zij ook op de hoogte was van de misbruikgeschiedenis van klager. Uit de “second opinion” volgt dat verweerster met inachtneming van al deze informatie heeft geconcludeerd dat het opvragen van medische informatie ten aanzien van klager toentertijd hoogstwaarschijnlijk niet relevant zou zijn geweest voor de beoordeling van arbeids(on)geschiktheid op grond van ziekte, noch geleid zou hebben tot een ander advies. Niet kan worden gezegd dat verweerster binnen de aan haar gegeven opdracht een onzorgvuldige toetsing op dit onderdeel heeft uitgevoerd. Zij heeft de aangeleverde informatie meegewogen. Er is sprake geweest van een zorgvuldige “second opinion”, ook op de overige onderdelen. De “second opinion” is duidelijk, coherent en goed gemotiveerd.

5.4      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “2. De feiten” in de beslissing in eerste aanleg, dit echter met dien verstande dat het Centraal Tuchtcollege onder 2.10 na “Klager is akkoord gegaan met inzage in zijn medisch dossier en toetsing.” het volgende toevoegt: 

“Klager heeft daartoe op 11 november 2015 een ‘machtiging toestemming dossierbeoordeling’ ingevuld en ondertekend. Met deze machtiging heeft klager verklaard dat hij “geen bezwaar heeft tegen de inzage van zijn/haar medische gegevens welke bekend zijn bij Uw H. bedrijfsarts dhr. E.””

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2       De bedrijfsarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3       In beroep uit klager opnieuw zijn onvrede over de second opinion en over het feit dat de bedrijfsarts daarbij geen navraag heeft gedaan bij behandelaars van klager over zijn medische voorgeschiedenis. Het Centraal Tuchtcollege komt op basis van de behandeling van de zaak in beroep tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege, neemt hier over hetgeen dat College onder 5.1 tot en met 5.4 heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe.

4.4       Ter terechtzitting in beroep is gebleken dat de door klager ondertekende machtiging betrekking had op inzage in het medisch dossier van klager, zoals dat bij H. bekend was. De verleende machtiging zag niet op het door de bedrijfsarts opvragen van informatie bij behandelaars van klager. Wel is aan klager de gelegenheid geboden zelf nadere medische informatie over te leggen, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt.

4.5       Uit de tekst van de (beperkte) machtiging blijkt voorts dat die bestemd was voor het uitvoeren van een dossierbeoordeling en niet voor het doen van een second opinion. Ter terechtzitting in beroep heeft de bedrijfsarts uiteen gezet dat ook uit hetgeen op

2 november 2015 tijdens de hoorzitting van de I. is besproken de strekking van het door haar te verrichten onderzoek duidelijk was. Desgevraagd heeft klager ter terechtzitting bovendien erkend dat hem duidelijk was wat de bedoeling van het door de bedrijfsarts te verrichten onderzoek was.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt, gelijk het college in eerste aanleg, dat de bedrijfsarts dat onderzoek binnen de aan haar gegeven opdracht zorgvuldig heeft uitgevoerd.

4.6       De conclusie van het voorgaande is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht heeft afgewezen. Het beroep van klager moet daarom worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: K.E. Mollema, voorzitter; S.M. Evers en

Y.A.J.M. van Kuijck, leden-juristen en H.S. Boersma en W.A. Faas, leden-beroepsgenoten

en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2018.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.