ECLI:NL:TGZCTG:2018:311 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.345
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:311 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-11-2018 |
| Datum publicatie: | 28-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2018.345 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.345 van:
A.wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., psychiater, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 13 maart 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van 13 juli 2018, onder nummer 073/2018 heeft dat College de klacht afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 november 2018, waar zijn verschenen de psychiater bijgestaan door zijn gemachtigde.
Na afloop van de mondelinge behandeling op 15 november 2018 heeft het Centraal Tuchtcollege na beraadslaging in raadkamer in het openbaar uitspraak gedaan. Hetgeen hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het patiëntendossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster, geboren in 1983, is sinds september 2014 bekend bij Pro Persona.
In 2014 is navolgende DSM-classificatie opgetekend:
“As I Posttraumatische stress-stoornis (hoofddiagnose)
As I Depressie in engere zin, recidiverend, matig
As I Ongedifferentieerde somatoforme stoornis
As I Hypochondrie: Met gering inzicht
As II Diagnose op as II uitgesteld
As III Geen diagnose/aandoening op As III
As IV Werkproblemen
As IV Financiële problemen
As IV problemen binnen de primaire steungroep
As V GAF 50 (max. 50)”
Op 9 november 2016 werd klaagster door psychiater D. verwezen naar het zorgprogramma ‘persoonlijkheidsstoornissen’.
Op 19 januari 2017 ontving verweerder een verzoek voor een herhaalrecept voor de medicatie van klaagster.
Op 20 januari 2017 bemerkte klinisch psycholoog, E., dat de interne verwijzing van klaagster nog niet was opgepakt. Er werd een patiëntcontact ingepland voor 31 januari 2017 bij de klinisch psycholoog en op 2 februari 2017 bij verweerder voor een psychiatrisch consult.
Op 31 januari 2017 heeft verweerder contact gehad met mw. F. en geïnformeerd naar een mogelijke ontslagdatum van klaagster uit het ziekenhuis.
Op 2 februari 2017 heeft verweerder geprobeerd klaagster te bellen naar aanleiding van het niet verschijnen op een afspraak. Verweerder tekende op dat klaagster mogelijk nog in het ziekenhuis lag.
Op 16 februari 2017 belde verweerder klaagster in verband met het niet verschijnen op een afspraak. Klaagster vertelde dat zij was afgebeld. De dag daarna belde E. klaagster en kreeg geen gehoor. E. belde vervolgens met klaagsters huisarts.
Op 28 februari 2017 was er contact met klaagster vanuit het secretariaat. Klaagster vertelde niets te hebben geweten van de afspraken die waren misgelopen.
Op 3 maart 2017 zag verweerder klaagster voor het eerst en maakte, voor zover thans van belang, navolgende aantekening:
“Reden psychiatrisch consult:
Door een administratieve omissie werd zij laat uitgenodigd voor een behandelplangesprek. Toen zij daarvoor mocht komen, werd deze afspraak door haar geannuleerd, omdat zij in het ziekenhuis was (…). Nieuwe afspraken liepen vervolgens ook mis, doordat zij opnieuw in het ziekenhuis werd opgenomen na een TS en er weer misverstanden ontstonden.(…)
Psychodynamiek
patiënte lijkt in haar contacten steeds te herhalen dat zij niet begrepen en afgewezen wordt. Zij voelt zich het slachtoffer van haar lichamelijke kwalen, maar dokters en hulpverleners hebben daar te weinig begrip voor.
Advies
Ik sprak met patiënte af dat ik graag eerst met ons team en WBRAA zou willen overlegen over wat wij haar zouden kunnen aanbieden. Ik wil haar bespreken in EOT op 7-3-2017.
Over drie weken nodigde ik haar weer bij mij uit.”
In het teamoverleg bleek dat behandeling gericht op somatoforme problematiek het beste passend zou zijn.
Op 24 maart 2017 meldde klaagster bij verweerder dat zij niet naar de G. centrum voor psychosomatiek, wenste te gaan. Verweerder stelde voor om in gesprek te gaan met revalidatiecentrum H. om te kijken naar de mogelijkheden van gezamenlijke behandeling.
Op 12 april 2017 gaf klaagster bij verweerder aan dat zij echt in behandeling wilde voor haar emotieregulatiestoornis. Klaagster voelde zich door verweerder niet goed begrepen, omdat verweerder volgens klaagster de nadruk had gelegd op haar fysieke problemen. Klaagster wilde niet naar H.
Verweerder heeft uitleg gegeven over DGT en aangegeven dat een wachttijd minstens een jaar zou zijn, maar dat er soms wel een overbrugging geboden werd met steunend structurerende gesprekken waarin al wel aan DGT vaardigheden gewerkt zou kunnen worden, naast medicamenteuze behandeling.
In verband met vragen omtrent de bij klaagster gestelde diagnose vond een second opinion voor nadere diagnostiek plaats.
In het dossier bevindt zich een aantekening van psycholoog I. dat de aanvraag een poos is blijven liggen.
Op 19 april 2017 was er een telefonisch contact van verweerder met klaagster. Klaagster zou op de lijst voor DGT komen en ter overbrugging werd een spoedbehandelaar gevraagd. Er werd voor 3 mei 2017 een afspraak gemaakt.
Op 3 mei 2017 werd klaagster na een tentamen suïcide opgenomen in het ziekenhuis.
Op 23 mei 2017 vond een contact van klaagster met verweerder plaats. Klaagster gaf aan dat zij tevreden was over het gesprek met J. en uitte onvrede over verweerder. De medicatie werd herhaald.
Op 20 juni 2017 zag mw. E. klaagster in het kader van spoedbehandeling. Klaagster wilde graag DGT. Klaagster gaf aan geen borderlinestoornis te hebben. Haar hulpvraag leek niet gericht op de persoonlijkheidsproblematiek. Klaagster kampte vooral met somatische klachten en bipolaire klachten. Ze wilde zelf naar het team bipolaire stoornissen. Een driegesprek tussen verweerder, E. en klaagster zou plaatsvinden. Klaagster belde de afspraak af in verband met rugklachten.
Op 23 juni 2017 vond een interne verwijzing plaats naar team bipolaire stoornissen.
In juli werd door psychiater K. opgetekend dat hij klaagster zou zien en dat zij in september 2017 beoordeeld kon worden door een psychiater van team stemmingsstoornissen.
Op 5 juli 2017 tekende gezondheidszorgpsycholoog J. op dat een telefonisch contact op verzoek van klaagster plaatsvond:
“De heer [achternaam verweerder, RTG] was niet mee eens om haar naar bipolaire stoornissen te verwijzen. Clte denk dat [afkorting naam verweerder, RTG] haar niet wil verwijzen naar Bipolaire St. Hij wil terugkrabbelen op een eerder genomen besluit. Ze kan niet eens een normale gesprek hebben met de heer [achternaam verweerder, RTG]. We spreken af een gesprek te hebben waarin we haar wens voor verwijzing naar de Bipolaire Stoornissen bespreken en proberen samen een afspraak te maken.”
Op 14 september 2017 heeft psychiater I. opgetekend dat de verwijzing van
23 juni 2017 helaas is blijven liggen. I. stelt verweerder de vraag of sprake is van een consultatieve verwijzing en of verweerder en L. dan regiebehandelaar blijven.
De dag daarna heeft verweerder aan I. gemeld dat sprake is van een second opinion en klaagster, indien geen sprake is van een bipolaire stoornis, terug kan keren naar het team persoonlijkheidsstoornissen. Klaagster werd uitgenodigd voor diagnostiek bij I..
Op het moment dat bleek dat klaagsters zus niet beschikbaar is voor hetero-anamnese heeft I. klaagster uitgelegd dat hij haar dan over drie en zes maanden nogmaals wilde spreken. Op 9 november 2017 was er telefonisch contact van I. met de begeleidster van klaagster. Onduidelijk was voor klaagster wie de regiebehandelaar was. I. deelde mee dat verweerder regiebehandelaar is. Klaagster gaf aan dat verweerder klaagster niet wilde zien en klaagster verweerder eigenlijk ook niet wilde zien. Klaagster meldde tijdens dit contact dat zij zwanger was.
Op 16 november 2017 nam verweerder contact op met klaagster en haar begeleider in verband met de medicatie van klaagster en haar zwangerschap. Klaagster ging niet akkoord met de gemaakte afspraak.
Na overleg met verweerder is afgesproken dat psychiater D. klaagster eenmalig zou uitnodigen in het kader van bemiddeling. Klaagster had kenbaar gemaakt dat ze zeer teleurgesteld had gereageerd op het bericht dat ze eerst een afspraak met haar huidige behandelaar, verweerder, zou moeten maken.
5 december 2017 meldde de begeleidster van klaagster dat zij meer medicatie had genomen in verband met het overlijden van haar kindje tijdens de zwangerschap en de operatie die daarop diende te volgen. Daags daarna was er contact tussen klaagster en verweerder in verband met medicatie. Klaagster werd boos toen verweerder probeerde uit te leggen waarom hij had afgesproken met klaagsters begeleider.
Op verzoek van de klachtenfunctionaris heeft verweerder op 2 januari 2018 een dag eerder een recept voor medicatie verstrekt.
Verweerder ging in overleg met psychiaters D. en I. in verband met klaagsters klacht en haar vraag om een andere psychiater.
Na 2 januari 2018 vonden de contact van klaagster veelal plaats met psychiater L..
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat verweerder haar slecht heeft behandeld. Verweerder heeft klaagster geweigerd te helpen en klaagster wacht al anderhalf jaar op behandeling. Klaagster heeft psychisch last van de wijze van handelen door verweerder.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat door misverstanden bij de interne verwijzing van klaagster vertraging is ontstaan. Verweerder heeft klaagster voor het eerst op 3 maart 2017 gezien. Verweerder heeft telkens geprobeerd om in goed overleg tot een goede samenwerking te komen. Na een second opinion omtrent de persoonlijkheidsstoornis van klaagster heeft verweerder geprobeerd een afspraak te maken en bij wijze van compromis een recept uitgeschreven, gelet op de situatie van klaagster op dat moment. Klaagster is nadat zij heeft aangegeven geen contact meer te wensen met verweerder in behandeling bij psychiater L..
Verweerder voert aan dat hij met zijn handelen zich juist ingezet heeft voor een goede behandeling van klaagster en hij binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Verweerder kan niet persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor de vertraging na de interne verwijzing van 9 november 2016. Gebruikelijk was dat na een interne verwijzing gewacht werd op bericht over psychologisch onderzoek. Dat andere beroepsbeoefenaren hadden besloten dat nadere informatie niet nodig was en daar niet op gewacht hoefde te worden kan verweerder gelet op de gebruikelijke werkwijze in de organisatie niet verweten worden. Niet gebleken is dat de afwijking van de gebruikelijke werkwijze verweerder bekend was.
Uit de stukken blijkt van een actieve houding van verweerder nadat 20 januari 2017 bleek van de vertraging na de interne verwijzing. Verweerder heeft herhaaldelijk contact opgenomen om te komen tot afspraken, ook tijdens de opname van klaagster in het ziekenhuis. Tijdens de contacten heeft verweerder tevens aan klaagster kenbaar gemaakt op welke termijn nader contact zou plaatsvinden.
Dat de vertraging in het traject ontstond was ook gelegen in het afzeggen van afspraken door klaagster en het verschil in visie ten aanzien van klaagsters problematiek. Waar het behandelteam werkte vanuit de in 2014 gestelde diagnose dacht klaagster aan een bipolaire stoornis en wilde vanuit die gedachte DGT volgen.
Dat vervolgens een verwijzing naar het team bipolaire stoornissen volgde en terugkeer naar het team persoonlijkheidsstoornissen, omdat onvoldoende aanwijzingen bestonden voor een bipolaire stoornis, kan verweerder niet tuchtrechtelijk verweten worden.
Uit de aantekeningen blijkt dat verweerder klaagster telkens weer zijn handelwijze heeft uitgelegd. Later is de behandeling van klaagster overgedragen aan psychiater L..
Klaagster kwam in verband met haar psychische problemen bij verweerder. Verweerster heeft zich ingespannen om te komen tot passende behandeling. De vertragingen in het traject, hoe vervelend ook voor klaagster, kunnen niet persoonlijk tuchtrechtelijk verweten worden aan verweerder.
In het tuchtrecht staat het handelen van een beroepsbeoefenaar ter beoordeling en de gevolgen van dat handelen worden niet in de beoordeling meegenomen. Dat klaagster meent psychische klachten te hebben overgehouden aan verweerders handelwijze kan geen tuchtrechtelijk verwijt opleveren.
5.3
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 In beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de psychiater en is het door de psychiater gevoerde verweer tegen naar aanleiding van zijn professioneel handelen geformuleerde klachten nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen.
Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft dus de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 13 juli 2018. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter;
L.F. Gerretsen-Visser en Y. Buruma, leden-juristen en A.C.L. Allertz en J.J. de Jong,
leden-beroepsgenoten en M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 15 november 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.