ECLI:NL:TGZCTG:2018:284 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.061

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:284
Datum uitspraak: 30-10-2018
Datum publicatie: 01-11-2018
Zaaknummer(s): c2018.061
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen cardioloog. Verweerder heeft bij klager een diagnostische hartkatheterisatie uitgevoerd. Naar de wens van klager is de ingreep niet via de lies maar via de pols verlopen. Na herhaaldelijk aanprikken in de pols en nadien in de elleboog heeft klager vanwege de pijn aangegeven dat hij de procedure wenste te beëindigen. Na de ingreep had klager een doof gevoel in drie vingers. Later nam dat af maar het dove gevoel bleef in één vinger bestaan. Klager verwijt verweerder dat hij zonder toestemming en zonder klager te informeren over de risico’s de procedure via de elleboog heeft vervolgd en is doorgegaan terwijl klager al een aantal malen had gezegd dat hij wilde stoppen. Voorts verwijt klager verweerder dat deze de feiten tracht te verdraaien. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.061 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: de heer E.,

tegen   

C., cardioloog, werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. F.E.A.M. Tesser, verbonden aan het Radboud UMC te Nijmegen.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die, na doorzending, door het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle is ontvangen op 10 april 2017 tegen C. – hierna de cardioloog. Bij beslissing van

12 januari 2018, onder nummer 075/2017, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De cardioloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 oktober 2018, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door de heer E. voornoemd, en de cardioloog, bijgestaan door mr. F.E.A.M. Tesser voornoemd.

De zaak is ter terechtzitting over en weer bepleit.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager, geboren in 1957, is werkzaam als zelfstandig caravanmonteur. Bij een onderzoek in de zomer van 2014 in F. waren bij klager mogelijk cardiale problemen geconstateerd, reden waarom klager een cardioloog in G. had geconsulteerd. Uit diens onderzoek waren geen cardiale problemen naar voren gekomen. De huisarts van klager heeft hem vervolgens verwezen naar de polikliniek cardiologie in het H. te D., verder het ziekenhuis. Klager bezocht de polikliniek van het ziekenhuis op 2 april 2015 en is gezien door een collega van verweerder, de cardioloog I., die een (diagnostische) hartkatheterisatie afsprak.

I. heeft volgens het orderformulier met klager de voordelen, risico’s en alternatieven met betrekking tot de ingreep besproken. Ook heeft klager toen de informatiefolder Hartkatheterisatie & Dotterbehandeling van het ziekenhuis gekregen.

Verweerder zag klager voor het eerst op de katheterisatiekamer op de dag van de ingreep, 13 april 2015. Klager was aanwezig vanaf 09.00 uur en moest wachten tot het einde van de ochtend vanwege enkele spoedgevallen. Hij was hierover ontstemd en wilde voortijdig vertrekken maar is gebleven omdat men hem naar zijn zeggen te verstaan had gegeven dat hij de rekening zou krijgen als hij zou vertrekken.

Een verpleegkundige heeft met klager de ingreep besproken en voorgesteld de katheterisatie via de liesslagader te doen. Klager liet weten dat met de cardioloog was afgesproken dat de ingreep via de pols zou geschieden (omdat hij dan sneller weer aan het werk kon) en wilde niets weten van een katheterisatie via de lies. De wens van klager werd gevolgd.

Betreffende de katheterisatie noteerde verweerder in het verslag:

“Driemaal punctie rechter arteria radialis wire 1-2 cm op te voeren, doch niet verder, de wire komt er ook sterk gekronkeld uit. Tweemaal 1 cm hoger dan vorige keer geprikt. Eenmaal in brachialis geprobeerd, doch hier wordt de zenuw geraakt. patient wil vervolgens de procedure beeindigen, hebben we dus gedaan.”

Klager is terugverwezen naar de cardioloog op de polikliniek voor verdere behandeling.

Na de ingreep had klager een doof gevoel in drie vingers. Later nam dat af maar in één vinger bleef het dove gevoel bestaan. Bij een polikliniekbezoek in mei 2015 heeft klager verteld dat hij last bleef houden van een doof gevoel in de rechter middelvinger en een gevoelige rechterpols.

In een brief van 28 mei 2015 aan een verzekeringsarts, werkzaam voor een letselschadebureau, heeft verweerder onder meer vermeld:

“Omdat aanprikken via de liesslagader niet gewenst was, is toen 1 poging gedaan om in de elleboogsplooi, na het toedienen van lokale verdoving, de arteria brachialis geprobeerd aan te prikken. Bij de eerste poging was dit erg pijnlijk. (…) Deze pijn was voor de heer [naam klager] reden genoeg om aan te geven dat hij de procedure niet wilde continueren en dat hebben we uiteraard ook niet gedaan.”

Klager heeft een klacht ingediend bij de klachtencommissie van het ziekenhuis. Deze heeft de klacht in al zijn onderdelen ongegrond verklaard maar wel aanbevolen de tekst in de informatie aan patiënten aan te passen in die zin dat de mogelijkheid van wachttijd wordt vermeld en dat het risico van (blijvend) zenuwletsel wordt genoemd.

3.     HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder, zakelijk weergegeven:

a)     dat hij geen toestemming van klager had om de procedure te vervolgen via de elleboog en dat hij klager niet heeft geïnformeerd over de risico’s die deze procedure heeft;

b)     dat hij is doorgegaan met de procedure terwijl klager al een aantal malen had gezegd dat hij wilde stoppen;

c)     dat verweerder tracht de feiten te verdraaien door het onjuist invullen van het katheterisatieverslag en het afleggen van een onjuiste verklaring.

4.     HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat de klacht ongegrond is. Voor zover nodig wordt hierna meer specifiek op het verweer ingegaan.

5.     DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1       Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2       Klachtonderdeel 3.a, informatie en toestemming

Het is de cardioloog op de polikliniek die, zoals te doen gebruikelijk, klager heeft geïnformeerd over de ingreep - in welk verband klager een informatiefolder heeft meekregen. Weliswaar is de punctie in de elleboog daarin niet genoemd, maar in de folder is wel benoemd dat indien noodzakelijk gekozen kan worden voor een andere methode die beter aansluit bij de situatie. De risico’s van een katheterisatie via de elleboogslagader wijken niet zodanig af van die via de pols, dat verweerder gehouden was aanvullende informatie te verstrekken over het risico op complicaties. Sowieso is het risico op complicaties, en al helemaal op blijvend zenuwletsel (hoe vervelend in dit geval ook voor klager), gering bij punctie van de pols -of elleboogslagader voor een hartkatheterisatie.

Klager had duidelijk aangegeven dat katheterisatie via de lies voor hem geen optie was. Toen de katheterisatie via de rechterpols niet lukte, heeft verweerder ervoor gekozen de ingreep voort te zetten via de elleboog en dit aan klager laten weten. Er is vervolgens enige tijd overheen gegaan om het desbetreffende gebied gereed te maken. Klager heeft in die tijd de gelegenheid gehad om aan te geven dat hij dit niet wilde. Het college begrijpt wel dat klager zich van slag voelde door de setting en vanwege het feit dat de ingreep via de pols pijnlijk was geweest en niet gelukt, maar dat neemt niet weg dat verweerder uit de gang van zaken heeft mogen opmaken dat klager, impliciet of stilzwijgend, akkoord was met voortzetting van de procedure via de elleboog. De uitdrukkelijke instemming van klager was daarbij niet vereist. Dit klachtonderdeel is dus niet gegrond.

5.3       Klachtonderdeel 3.b, doorgaan terwijl klager wilde stoppen

Klager heeft zich er niet consistent over uitgelaten wanneer hij heeft gezegd dat verweerder moest stoppen, reeds bij het prikken in de pols of pas nadat bij het prikken in de elleboog een zenuw werd geraakt. Verweerder heeft te kennen gegeven dat hij bij zijn pogingen om de katheterisatie te laten slagen de sterke medische indicatie voor de hartkatheterisatie van klager heeft laten meewegen, hetgeen het college kan volgen. Hij ontkent niet dat klager heeft aangegeven dat gestopt moest worden, maar stelt dat hij dat ook (telkens) heeft gedaan, waarna hij weer verder mocht van klager. Het aangeven dat er sprake was van pijn/aanprikken van een zenuw en dat er gestopt moest worden was functioneel, het gaf verweerder immers informatie over de voortgang, en heeft er daadwerkelijk toe geleid dat verweerder viermaal is gestopt en daarna een nieuwe poging heeft ondernomen. Als de patiënt aangeeft dat er gestopt moet worden, behoeft dat dus niet te betekenen dat de gehele katheterisatie moet worden afgebroken. De lezingen lopen uiteen en die van verweerder kan evenzeer juist zijn. Nu feitelijk niet kan worden vastgesteld dat verweerder in tuchtrechtelijke zin de grens van klagers autonomie is gepasseerd, kan het klachtonderdeel niet slagen.

5.4       Klachtonderdeel 3.c, de verslaglegging

Verweerder heeft te kennen gegeven dat hij met de bewoording “1 poging” en “eenmaal proberen” niet heeft bedoeld dat er slechts één punctie heeft plaatsgevonden, dat kunnen er naar zijn mening vele zijn geweest. Deze uitleg doet gekunsteld aan en zal voor vele, ook professionele, lezers niet zonder meer duidelijk zijn, zeker nu tevoren bij de poging via de pols wel het exacte aantal puncties is vermeld. Gelet op het feit dat elke punctie het risico op complicaties vergroot, is het noteren van het aantal puncties niet zonder belang. Het college acht het daarom op zichzelf onjuist dat het aantal puncties in de elleboog niet is vermeld. Het belangrijkste, namelijk dat een zenuw is geraakt, is echter wel vermeld. Dit klachtonderdeel wordt al met al van onvoldoende gewicht geacht om tot een tuchtrechtelijk verwijt te kunnen concluderen.

5.5       Het college merkt nog op dat verweerder er, gezien het feit dat zich mogelijk een zeldzame doch serieuze complicatie had voorgedaan, beter aan had gedaan dit na afloop met klager te bespreken in plaats van hem te verwijzen naar de cardioloog op de polikliniek en dat in het algemeen een goede communicatie de kans op een klacht kan verminderen. Verweerder heeft te kennen gegeven dit in te zien. Daargelaten de vraag of hier een tuchtrechtelijk verwijt op zijn plaats zou zijn, gaat de klacht hier niet over. De conclusie uit het voorgaande moet dus zijn dat de klacht zoals die is ingediend in alle onderdelen ongegrond is, zodat als volgt wordt beslist.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2  De cardioloog voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de cardioloog nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.

4.4       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling  op 11 oktober 2018 is dat debat voortgezet.

4.5       Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter;  Y. Buruma en

B.J.M. Frederiks, leden-juristen en R.J.M. Klautz en B.J.M. Mulder, leden-beroepsgenoten

en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018.

Voorzitter  w.g.           Secretaris  w.g.