ECLI:NL:TGZCTG:2018:280 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.387

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:280
Datum uitspraak: 30-10-2018
Datum publicatie: 01-11-2018
Zaaknummer(s): c2017.387
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen cardiothoracaal chirurg. Bij klager is onder leiding van verweerster een bypassoperatie met drie omleidingen uitgevoerd. Na de operatie werd het zicht van klager wazig en verminderde progressief tot nagenoeg volledige blindheid. Klager verwijt verweerster onzorgvuldig handelen tijdens de operatie waardoor klager een te lage bloeddruk en zuurstoftekort heeft gehad met als gevolg geen doorbloeding naar de oogzenuw en vervolgens blindheid. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.387 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: C te B.,

tegen

E., cardiothoracaal chirurg,  werkzaam te F.,

verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. S.J. Berkhoff-Muntinga, verbonden aan de stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 28 november 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen E. – hierna de cardiothoracaal chirurg – een klacht ingediend. Bij beslissing van 27 juli 2017, onder nummer 16237a, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De cardiothoracaal chirurg heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 oktober 2018, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn echtgenote, mevrouw C. voornoemd, en de cardiothoracaal chirurg, bijgestaan door mr. Berkhoff-Muntinga voornoemd.

Als getuige aan de zijde van klager is gehoord mevrouw G. De zaak is ter terechtzitting over en weer bepleit.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.       De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager is in verband met 3 taks coronair-lijden verwezen naar het ziekenhuis waar verweerster werkzaam is. In het ziekenhuis heeft een pre-operatieve bespreking plaatsgevonden, waar verweerster niet bij betrokken was. Verweerster is eerst bij de operatie zelf bij de zorg aan klager betrokken. Bij klager is onder leiding van verweerster een bypassoperatie met drie omleidingen uitgevoerd, een zogenoemde CABGx3 operatie.

In het operatieverslag zijn geen onverwachte ontwikkelingen genoteerd en werd de operatie geduid als “ongecompliceerde CABGx3”. Het anesthesieverslag van de operatie laat evenmin onverwachte ontwikkelingen zoals zuurstofgebrek of (te) lage bloeddruk zien.

Na de operatie werd het zicht van klager wazig en verminderde progressief tot nagenoeg volledige blindheid.

3.         Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerster onzorgvuldig handelen tijdens de open hart operatie op

5 januari 2015 waardoor klager een veel te lage bloeddruk heeft gehad en zuurstoftekort met tot gevolg geen doorbloeding naar de oogzenuw en vervolgens blindheid. Ter toelichting stelt klager dat zijn oogarts in het academisch ziekenhuis waar hij nadien met zijn oogklachten is geweest, heeft gezegd dat de oogklachten het gevolg zijn van een te lage bloeddruk bij de operatie.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster meent dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De ingreep is lege artis en ongecompliceerd verlopen. In tegenstelling tot wat klager stelt was er ten tijde van de operatie geen sprake van buitensporig lage bloeddrukken.

5.         De overwegingen van het college

Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen gaat het niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Verweerster heeft met een verwijzing naar het medisch dossier gesteld dat de operatie ongecompliceerd en lege artis is verlopen. Wel is er bij klager na de operatie een (zeldzame) complicatie opgetreden leidende tot visusproblemen aan beide ogen.

Klager heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat de operatie niet goed verlopen is, gesteld dat er sprake is geweest van een te lage bloeddruk. Klager verwijst in dit verband naar een mededeling van zijn oogarts in het academisch ziekenhuis waar hij met zijn oogklachten is geweest. Die oogarts zou hebben gezegd dat de oogklachten het gevolg zijn van een te lage bloeddruk bij de operatie. Uit het medisch dossier volgt niet dat sprake is geweest van onverwachte ontwikkelingen zoals zuurstoftekort of te lage bloeddruk, dit nog daargelaten de vraag of het zich voordoen van dergelijke ontwikkelingen aan verweerster tuchtrechtelijk te verwijten zou zijn geweest. De opmerking van de oogarts biedt daarom dan ook geen aanknopingspunten voor de stelling van klager, zodat de klacht faalt.

Dit wordt niet anders nu de visusklachten zich hebben voorgedaan. Visusklachten die postoperatief optreden zijn een zeldzame zij het niet onbekende complicatie bij open hart operaties. De kans op de complicatie is echter zodanig klein dat artsen niet reeds tuchtrechtelijk aansprakelijk handelen indien zij patiënten van die kleine kans voorafgaand aan de operatie niet op de hoogte stellen, nog daargelaten dat het pre-operatieve gesprek in deze zaak niet door verweerster maar een collega van haar is gevoerd. Dat deze complicatie niet medegedeeld hoefde te worden is gelegen in de omstandigheid dat de arts de patiënt moet informeren over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling en niet op alle mogelijke zeldzame risico’s hoeft te wijzen. Welke risico’s moeten worden genoemd, hangt af van de omstandigheden van het geval. De aard van het risico (blijvend letsel of ongemak van voorbijgaande aard) en de kans dat het risico zich verwezenlijkt (incidentiepercentage) zijn belangrijke factoren. In eerdere tuchtrechtelijke uitspraken is bepaald dat bij de onderhavige operatie de kans op de opgetreden complicatie, in welke vorm/mate dan ook, zodanig gering is, dat voorafgaand aan de uitgevoerde operatie de arts de patiënt redelijkerwijs niet hoefde in te lichten over het risico van deze complicatie. 

Dit laat onverlet dat het verwezenlijken van deze kleine kans op de complicatie klager zwaar heeft getroffen. Het college begrijpt dat het geheel en/of grotendeels verlies van het zicht in beide ogen van klager voor hem een traumatische gebeurtenis geweest is en betreurt het dat klager met de gevolgen daarvan moet leven. Gezien echter het vorenstaande kan het college slechts concluderen dat er geen gronden zijn op grond waarvan verweerster een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden, zodat de klacht van klager wordt afgewezen als ongegrond.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager heeft in beroep aangevoerd dat hij tijdens de terechtzitting bij het Regionaal Tuchtcollege niet in de gelegenheid is gesteld om zijn klachten/bezwaren nader toe te lichten. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat, indien en voor zover er sprake is geweest van een tekortkoming in de behandeling van de zaak op dit punt dit is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep, waar partijen zowel schriftelijk als mondeling in de gelegenheid zijn gesteld datgene naar voren te brengen wat volgens hen van belang is.

4.2       Voor het overige beoogt klager met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Klager concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

4.3  De cardiothoracaal chirurg voert hiertegen verweer en concludeert tot

verwerping van het beroep.

4.4       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen van de cardiothoracaal chirurg nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.

4.5       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 oktober 2018 is dat debat voortgezet.

4.6       Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; Y. Buruma en

B.J.M. Frederiks, leden-juristen en F.J.P.M. Huygen en R.J.M. Klautz, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018.

Voorzitter  w.g.           Secretaris  w.g.