ECLI:NL:TGZCTG:2018:256 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.085
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:256 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-09-2018 |
| Datum publicatie: | 27-09-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2018.085 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klaagster is in 2003 betrokken geweest bij een ongeval waarbij zij persisterende lichamelijke klachten heeft opgelopen. Zij heeft hiervoor een groot aantal specialisten geraadpleegd. Klaagster heeft op 12 juli 2012 via haar toenmalige gemachtigde de huisarts verzocht om aan haar gemachtigde mogelijke berichtgeving van specialisten toe te sturen. De huisarts heeft op 30 juli 2012 een brief met inlichtingen verstrekt aan de toenmalige gemachtigde van klaagster. Klaagster verwijt de huisarts dat hij bewust twee specialistenbrieven heeft achtergehouden en niet heeft meegestuurd met de brief van 30 juli 2012. Hierdoor kon de gemachtigde van klaagster zijn werkzaamheden ten behoeve van klaagster niet goed uitvoeren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing in beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.085 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. S. Philippi, advocaat te Venlo
tegen
C., huisarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. N. Hoekstra, VvAA Rechtsbijstand Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. – hierna klaagster – heeft op 25 augustus 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 januari 2018, onder nummer 17164, heeft dat College de klacht afgewezen.
1.2 Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
1.3 De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 september 2018, waar zijn verschenen klaagster, in persoon en bijgestaan door mr. S. Philippi, en de huisarts, in persoon en bijgestaan door
mr. N. Hoekstra. Zowel klaagster en haar gemachtigde als de huisarts en zijn gemachtigde hebben hun standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
In 2003 is klaagster betrokken geweest bij een verkeersongeval waarbij zij als fietser door een automobilist is aangereden en waarbij zij persisterende lichamelijke klachten heeft opgelopen.
Klaagster heeft hiervoor sinds 2003 een groot aantal specialisten in binnen- en buitenland geraadpleegd om een oorzaak van haar klachten te achterhalen.
Klaagster heeft op 12 juli 2012 via haar toenmalige gemachtigde het verzoek aan verweerder gedaan om aan haar gemachtigde, in aanvulling op eerdere correspondentie van januari 2007, mogelijke berichtgeving van specialisten toe te sturen die betrekking had op klaagster.
Verweerder heeft op 30 juli 2012 een brief met inlichtingen verstrekt aan de toenmalig gemachtigde van klaagster.
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerder dat hij bewust twee specialistenbrieven van het D. heeft achtergehouden en niet heeft meegestuurd in de brief van 30 juli 2012 aan de toenmalig gemachtigde van klaagster. Het betreft de brieven van 4 september 2007 en 28 oktober 2008.
Hierdoor kon de toenmalige gemachtigde van klaagster zijn werkzaamheden ten behoeve van klaagster niet goed uitvoeren.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht gemotiveerd betwist en gesteld dat hij alle beschikbare correspondentie met betrekking tot klaagster op 30 juli 2012 naar de toenmalige gemachtigde van klaagster heeft gezonden, inclusief de brief van 28 oktober 2008.
Ten aanzien van de brief van 4 september 2007 stelt verweerder dat uit zijn eigen administratie blijkt, dat hij deze brief nooit heeft ontvangen. De brief is gericht aan klaagster en ook staat verweerder niet in de CC vermeld, wat bijvoorbeeld wel het geval is bij de brief van 28 oktober 2008 die evenals de brief van 4 september 2007 afkomstig is van het D..
5. De overwegingen van het college
Het college is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Uit de overgelegde stukken van verweerder blijkt dat hij de brief van
28 oktober 2008 naar de toenmalige gemachtigde van klaagster heeft verzonden, zodat dit onderdeel van de klacht faalt.
Het college acht de stelling van verweerder, dat hij de brief van 4 september 2007 nooit heeft ontvangen aannemelijk, temeer nu vast staat dat verweerder niet in de CC van die brief is opgenomen. Van doorsturen van deze brief door verweerder kon dan ook geen sprake zijn, zodat hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Het college merkt daarbij overigens op dat deze brief, zo blijkt uit het klaagschrift, wel in het bezit van klaagster was, zodat het voor het college niet duidelijk is wat het belang van klaagster bij dit klachtonderdeel is. Ook dit klachtonderdeel faalt.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1 Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
4.2 Klaagster verwijt de huisarts in haar inleidend klaagschrift dat hij op 30 juli 2012 de uitslagen van het D. van onderscheidenlijk 4 september 2007 en 28 oktober 2008 heeft achtergehouden. In beroep bij het Centraal Tuchtcollege betoogt zij ter toelichting ‑ onder meer ‑ dat de huisarts alleen het onderdeel ‘Besluit’ van de brief van 28 oktober 2008 in zijn brief van 30 juli 2012 heeft opgenomen. Door niet tevens de informatie onder de kopjes ‘Reden van komst’, ‘Achtergrond’, ‘Aanvullend’ en ‘Bespreking’ in de brief van 30 juli 2012 op te nemen heeft de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, aldus klaagster.
4.3 De huisarts voert hiertegen gemotiveerd verweer en concludeert tot verwerping van het beroep.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover als volgt.
4.5. Vast staat dat de huisarts op 30 juli 2012 een brief met inlichtingen aan de toenmalig gemachtigde van klaagster heeft verstrekt. In deze brief waren opgenomen uittreksels van een groot aantal specialistenbrieven, veelal het onderdeel ‘Bespreking’ met daarin de conclusies van de specialist.
4.6 Bij nadere bestudering van het dossier in raadkamer is het Centraal Tuchtcollege gebleken dat beide partijen aan het RTG een exemplaar van de bewuste brief hebben overgelegd. Deze zijn niet geheel identiek, want in de door klaagster ingeleverde tekst ontbreken de laatste twee bladzijden. Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de versie van de huisarts, die eindigt met een slotzin en zijn naam.
In die brief is – anders dan klaagster stelt – wel opgenomen de specialistenbrief van 4 september 2007, die abusievelijk is aangeduid als gedateerd 2008. Mogelijk is verwarring ontstaan over die brief, maar in ieder geval staat hiermee vast dat de arts geen informatie aan de gemachtigde van klaagster heeft onthouden.
Dat hij van de brief van 28 oktober 2008 niet de hele tekst, maar alleen de conclusie (“Besluit”) heeft opgenomen, is ook niet verwijtbaar; daarmee heeft hij geen informatie achtergehouden. Het Centraal Tuchtcollege overweegt daarbij dat duidelijk was dat de huisarts alleen delen van specialistenbrieven in zijn brief van 30 juli 2012 had opgenomen en dat niet is gebleken dat klaagster of haar gemachtigde na ontvangst van de brief van 30 juli 2012 en voorafgaand aan de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege aan de huisarts te kennen hebben gegeven dat zij meer informatie wensten te ontvangen dan was verstrekt.
4.9 De slotsom moet zijn dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht – zij het op andere gronden – heeft afgewezen. Het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, W.P.C.M. Bruinsma en
R.A. van der Pol, leden-juristen en M. van Bergeijk en F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten
en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 27 september 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.