ECLI:NL:TGZCTG:2018:255 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.004
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:255 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-09-2018 |
| Datum publicatie: | 27-09-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2018.004 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts, werkzaam bij een instelling voor verslavingszorg. Klager was sinds 2006 onder behandeling bij de instelling en was daar ingesteld op methadon. De arts heeft in februari 2016 voor het laatst een herhaalrecept voor methadon uitgeschreven. In mei 2016 heeft zij geweigerd een nieuw herhaalrecept uit te schrijven. Nadien heeft de arts de verantwoordelijkheid voor klager overgedragen aan de regiebehandelaar, omdat klager zich niet aan de voorwaarden voor behandeling hield. Op 8 september 2016 is klager in een gesprek gehad met de regiebehandelaar en de manager bedrijfsvoering van de instelling meegedeeld dat hij zal worden uitgeschreven bij de instelling. Klager verwijt de arts dat zij hem heeft uitgeschreven bij de instelling zonder dat de behandeling is overgedragen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing in beroep. Het Centraal Tuchtcollege geeft geen oordeel over het verwijt van klager aan de arts dat de arts in mei 2016 geen nieuw herhaalrecept voor methadon heeft willen uitschrijven. Ten aanzien van dit feit is al een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing genomen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.004 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., arts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. H.J. Hangelbroek.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 24 mei 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 november 2017, onder nummer 17/229, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 september 2018, waar zijn verschenen klager, in persoon, en de arts, in persoon en bijgestaan door mr. H.J. Hangelbroek. Zowel klager als de arts en haar gemachtigde hebben hun standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager is sinds 13 juli 2006 onder behandeling geweest van de D.- Stichting te B. vanwege afhankelijkheid van opioïden. Klager was daar ingesteld op methadon vanwege heroïnegebruik in het verleden.
2.2 Verweerster is als verslavingsarts in opleiding werkzaam bij de D.- Stichting. Zij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de richtlijn methadonverstrekking. Zij was niet de regiebehandelaar van klager. Indien een patiënt zich niet houdt aan de op grond van de richtlijn methadonverstrekking gemaakte afspraken, wordt hij overgedragen aan de regiebehandelaar. Op dat moment vervalt de verantwoordelijkheid van de verslavingsarts in opleiding.
2.3 Op 24 februari 2016 heeft verweerster voor het laatst een herhaalrecept methadon voor klager uitgeschreven.
2.4 Klager heeft op 20 juni 2016 een klacht ingediend tegen klaagster die -kort gezegd- inhield dat verweerster ten onrechte geweigerd heeft een herhaalrecept voor methadon uit te schrijven.
2.5 De beslissing d.d. 30 december 2016 op de klacht houdt in, voor zover hier van belang:
“ (..) Volgens verweerster loopt het contact met klager moeizaam en komt hij regelmatig niet op afspraken. Hij wil zich niet houden aan de regels rondom de individuele opiaatbehandeling zoals vastgelegd in de RIOB (Richtlijn Opiaatonderhoudsbehandeling). Het was volgens verweerster de bedoeling dit met klager te bespreken op 24 februari 2016 (…). Volgens verweerster is tijdens dit consult geprobeerd een aantal afspraken met klager te maken. Daarvan was de belangrijkste eis – als voorwaarde voor behandeling – dat de D.- Stichting hem enkel een recept voor methadon voor 3 maanden kon verstrekken, indien klager aan het eind van deze periode zelf en afspraak zou maken bij verweerster en de verslavingsarts. Dit is de minimale contactfrequentie om een middel als methadon te kunnen voorschrijven, aldus verweerster. Toen klager op 23 mei 2016 om een herhaalrecept methadon vroeg, kon verweerster hier niet aan voldoen, omdat zijn vorige recept liep tot 25 mei 2016 en klager eerst een (contact)afspraak bij beide artsen moest inplannen. (…) Hierna heeft verweerster geen contact meer gehad met klaagster. (…) ”
2.6 Op 8 september 2016 heeft klager een gesprek gehad bij de D.- Stichting met de regiebehandelaar en de manager bedrijfsvoering. In dat gesprek is tegen klager gezegd dat naar het idee van de D.- Stichting van beide kanten vertrouwen ontbreekt, hetgeen de basis is voor een behandelrelatie, zodat klager zal worden uitgeschreven bij de Stichting.
2.7 Voorafgaand aan en na afloop van het gesprek op 8 september 2016 heeft verweerster contact opgenomen met de huisarts van klager. De huisarts heeft de behandeling overgenomen.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster klager per augustus 2016 heeft uitgeschreven bij de D.- Stichting zonder dat de behandeling is overgedragen.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Zij heeft aangevoerd dat zij in mei 2016 voor het laatst contact met klager heeft gehad. Klager verzocht op dat moment om een herhaalrecept methadon. Zij heeft dit niet uitgeschreven, omdat klager zich niet hield aan de op 24 februari 2016 met hem gemaakte afspraak inhoudende dat hij aan het eind van iedere drie maanden een afspraak diende te maken bij verweerster. Zij heeft de verantwoordelijkheid voor klager op dat moment overgedragen aan de regiebehandelaar. Nadat verweerster had geweigerd een herhaalrecept uit te schrijven heeft klager een klacht ingediend. Deze klacht is ongegrond verklaard. Na het indienen van de klacht heeft op 8 september 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen klager, de regiebehandelaar en de manager bedrijfsvoering van de D.- Stichting, waarin aan klager is medegedeeld dat het vertrouwen aan beide kanten ontbrak, zodat er geen basis was voor een behandelrelatie en is hem voorts medegedeeld dat hij om die reden zal worden uitgeschreven. Bij dit gesprek is verweerster niet betrokken geweest. Wel heeft zij ervoor zorggedragen dat de behandeling is overgedragen aan de huisarts van klager.
5. De beoordeling
5.1. Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.
5.2. Bij het antwoord op de vraag of verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld staat het persoonlijk handelen van verweerster centraal. Verweerster heeft onbetwist gesteld dat zij in mei 2016 voor het laatst contact heeft gehad met klager. Bij het gesprek op 8 september 2016 waarin aan klager is medegedeeld dat hij zou worden uitgeschreven bij de D.- Stichting was verweerster niet betrokken. Immers, op dat moment had zij de verantwoordelijkheid voor klager al overgedragen aan de regiebehandelaar. Van persoonlijke verwijtbaarheid met betrekking tot de uitschrijving bij de D.- Stichting is dan ook geen sprake. Verweerster heeft juist conform de professionele standaard gehandeld door ervoor zorg te dragen dat de behandeling is overgedragen aan de huisarts.
5.3. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. Indien en voor zover klager met zijn klacht tevens het oog heeft gehad op verwijtbaar handelen van andere bij de behandeling van klager betrokkenen, kan hij in zijn klacht niet worden ontvangen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden, met dien verstande dat niet is gebleken dat de arts contact heeft gezocht met de huisarts. Dit is voor de huidige beoordeling niet van belang, zoals hierna zal blijken.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. Ter terechtzitting heeft hij nader toegelicht dat zijn klacht niet uitsluitend ziet op de uitschrijving bij de D.- Stichting, zonder dat de behandeling is overgedragen, maar ook op het feit dat de arts in mei 2016 heeft geweigerd om een herhaalrecept voor methadon aan klager uit te schrijven.
4.2 De arts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het beroep.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege overweegt over het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de weigering van de arts om een herhaalrecept uit te schrijven als volgt.
4.4 Vast staat dat klager ook al eerder, in juni 2016, bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam een klacht heeft ingediend tegen de arts over – onder meer – de weigering van de arts in mei 2016 om het herhaalrecept voor methadon uit te schrijven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 11 januari 2017, inzake no. 16/181, deze klacht afgewezen. Het college heeft daartoe overwogen dat – kort weergegeven – voor de verstrekking van methadon aan bepaalde minimumvoorwaarden moet worden voldaan, waaronder elke drie maanden langskomen voor een controleafspraak, en dat klager zich hieraan niet heeft gehouden. Naar het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege mocht de arts van klager verwachten dat hij zich zou houden aan de controleafspraken en is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat zij heeft geweigerd een recept aan hem uit te schrijven, toen klager zich niet aan die voorwaarde hield.
4.5 Klager heeft tegen deze beslissing van het Regionaal Tuchtcollege niet tijdig beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege. Dit betekent dat ten aanzien van dit feit een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Gelet op artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, kan over de weigering van de arts om in mei 2016 een herhaalrecept methadon uit te schrijven niet opnieuw worden geklaagd.
4.6 Dit betekent dat in deze procedure uitsluitend nog aan de orde is het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de uitschrijving bij de D.- Stichting. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover als volgt.
4.7 Ter toetsing staat of de arts bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Bij het antwoord op de vraag of de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld staat het persoonlijk handelen van de arts centraal.
4.8 De arts heeft onweersproken gesteld dat zij in mei 2016 voor het laatst contact heeft gehad met klager. Zij heeft vervolgens de verantwoordelijkheid voor klager overgedragen aan de regiebehandelaar, op de grond dat klager zich niet had gehouden aan bepaalde voorwaarden voor de behandeling. Het Centraal Tuchtcollege is niet gebleken dat de arts daarmee heeft gehandeld in strijd met geldende richtlijnen of de eisen van goed hulpverlenerschap.
4.9 Nadien heeft klager op 8 september 2016 bij de D.- Stichting een gesprek gehad met de regiebehandelaar en met de manager bedrijfsvoering. In dat gesprek is aan klager meegedeeld dat hij zou worden uitgeschreven bij de D.- Stichting. Vast staat dat de arts bij dit gesprek niet betrokken is geweest, net zo min als bij de besluitvorming over de uitschrijving bij de D.- Stichting. Het Regionaal Tuchtcollege heeft derhalve terecht overwogen dat van persoonlijke verwijtbaarheid van de arts ter zake van de uitschrijving bij de D.- Stichting geen sprake is.
4.10 De slotsom moet zijn dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; W.P.C.M. Bruinsma en R.A. van der Pol, leden-juristen en M. van Bergeijk en F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.