ECLI:NL:TGZCTG:2018:252 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.122

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:252
Datum uitspraak: 25-09-2018
Datum publicatie: 26-09-2018
Zaaknummer(s): c2018.122
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts. Klager was als patiënt ingeschreven in de huisartsenpraktijk waar de huisarts tot aan zijn pensionering werkzaam was. Klager verwijt de huisarts het onrechtmatig intrekken van de jachtakte op 19 december 2012, omdat hij hem in de steek heeft gelaten door geen onderzoek te laten verrichten door een psychiater, waar klager recht op had. Voorts verwijt hij verweerder dat hij klager, bij het huisbezoek van 4 december 2013 betitelde als een spraakwaterval. Hij heeft ten onrechte in het dossier genoteerd dat klager een persoonlijkheidsstoornis had en een narcistisch type was en dat hij brieven had geschreven die nogal warrig en vol grammaticale onjuistheden waren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing in beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.122 van:

A., wonende te B.,appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, destijds werkzaam te B.,

verweerder in beide instanties.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 20 oktober 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van

22 februari 2018, onder nummer 17209b, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2018.121 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 21 augustus 2018. Partijen zijn – met bericht – niet verschenen.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1       Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager staat sinds maart 2006 als patiënt ingeschreven in de huisartsenpraktijk waar verweerder tot aan zijn pensionering als huisarts werkzaam was.

Op 18 oktober 2013 noteerde verweerder in het dossier onder de episode “Gedrag”:

“  S     Politie heeft zijn jachtgeweer ingenomen. Justitie heeft dit ongegrond verklaard.

O        Heeft zelf een brief aan ons geschreven met verzoek wijziging psychiater.

            P         Verwijzing naar psychiater lijkt mij zeer terecht. Bellen D.”

Op 2 december 2013 noteerde verweerder:

“  S     Zijn geschreven brieven gelezen. Al met al nogal warrig en vol grammaticale onjuistheden.

          P         Kan niets voor hem doen. Genoemde personen zijn geen zorgverleners die door een huisarts verwijzing benaderbaar zijn.”

En op 4 december 2013 noteerde hij (inclusief taal- en typefouten):

“  A          Visite huisarts langer dan 20 minuten

S         Bespreking verzoek ver psychiater.

O         Vanaf binnekomst tot afscheid een sprtaakwaterval waar heel moeilijk tussen te komen is. Hele gescheidenis verteld emt wat hij gepresteerd heeft tot zijn sstrijs om rechtvaardigheid.

(…)

                E         Persoonlijkheidsstoornis, narcistisch type

                            P         Hij is niet te remmen in zijn woordenstroom. is te allen tijde correct zonder direkte dreigementen.

            (…)”

Nadat klager op 11 december 2013 belde dat hij een verklaring nodig had “voor de politie omtrent zijn geestelijke gesteldheid” volgde een verwijzing naar de psychiater.

Op 13 december 2013 noteerde verweerder naar aanleiding van een telefonisch consult:

“  S     na D. ouderengeneeskunde gebeld; patiënten horen drie dagen later pas te bellen, niet zelfde klachten

P         verklaring wordt binnen drie weken naar ons toe gezonden. Wij moeten op juridische wijze zorgen dat dit bij de politie komt. Dhr wordt gebeld door D. wordt met spoed opgeroiepebn”

3.         Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerder het onrechtmatig intrekken van de jachtakte op 19 december 2012, omdat hij hem in de steek heeft gelaten door geen onderzoek te laten verrichten door een psychiater, waar klager recht op had.

Voorts verwijt hij verweerder dat hij klager, bij het huisbezoek van 4 december 2013 betitelde als een spraakwaterval. Hij heeft ten onrechte in het dossier genoteerd dat klager een persoonlijkheidsstoornis had en een narcistisch type was en dat hij brieven had geschreven die nogal warrig en vol grammaticale onjuistheden waren.

4.         Het standpunt van verweerder

Het probleem waarmee klager naar verweerder kwam, betrof de inname van klagers wapenvergunning voor een jachtgeweer door de politie. Klager had een verklaring nodig waarmee hij naar de politie kon. Het probleem voor verweerder was een psychiater te vinden die een verklaring opstelde. Verweerder heeft niet meer gehoord hoe het is afgelopen.

Het kan zijn dat klager het niet eens is met de opmerkingen in het dossier, maar het gaat hier om eigen aantekeningen van verweerder.

5.         De overwegingen van het college

Klager heeft zijn stellingen niet, althans onvoldoende onderbouwd. Daarentegen heeft het college aan de hand van het dossier kunnen vaststellen dat verweerder, naar aanleiding van het door klager benoemde probleem, voor een verwijzing naar een psychiater heeft gezorgd. De stelling van klager, dat verweerder klager in de steek heeft gelaten en geen onderzoek door een psychiater heeft laten verrichten, mist derhalve feitelijke grondslag.

Met betrekking tot de opmerkingen in het dossier volgt het college de stelling van verweerder dat het om de eigen dossieraantekeningen van verweerder gaat. Klager is het mogelijk met de inhoud van die aantekeningen niet eens, maar dat kan niet afdoen aan het feit dat verweerder zijn eigen mening mag vertolken in een document dat slechts voor eigen gebruik is. Daar komt bij dat niet gebleken is dat de inhoud van deze aantekeningen onterecht zou zijn.

De stellingen van klager kunnen dan ook niet tot het oordeel leiden dat verweerder onprofessioneel of onzorgvuldig heeft gehandeld.

De klacht dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2       De huisarts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het beroep.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen van de huisarts niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de huisarts bij zijn beroepsmatige handelen vanuit tuchtrechtelijk standpunt bezien is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdende met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.4       Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, dat de huisarts geen onderzoek heeft laten verrichten door een psychiater, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

4.5       Het Centraal Tuchtcollege is evenals het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat uit het dossier kan worden afgeleid dat de huisarts voor een verwijzing naar een psychiater heeft gezorgd. Klager heeft zijn stelling dat dit niet is gebeurd in beroep niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist.

4.6       Het Centraal Tuchtcollege overweegt over het klachtonderdeel betreffende de dossieraantekeningen van de huisarts als volgt.

4.7       Vast staat dat de huisarts eind 2013 verscheidene keren met klager heeft gesproken naar aanleiding van diens verzoek om een verwijzing naar een psychiater. Bovendien heeft de huisarts toen kennis genomen van een aantal door klager geschreven brieven. De huisarts heeft van zijn bevindingen aantekeningen gemaakt in het volgens de zogenaamde SOEP-systematiek ingerichte elektronische patiëntendossier. Deze aantekeningen maken daarmee deel uit van het medisch dossier van klager.  Klager kan zich niet verenigen met enkele aantekeningen van de huisarts.

4.8       Ingevolge artikel 7:454, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek richt een hulpverlener een dossier in met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is.

4.9       Het Centraal Tuchtcollege overweegt over de inhoud van de aantekeningen in het medisch dossier dat de hulpverlener een zekere mate van vrijheid heeft bij de formulering van zijn bevindingen. Het gaat immers om zijn eigen interpretatie van de feitelijke situatie. Wel is in de regel enige behoedzaamheid geboden bij de registratie in het dossier, zeker als het gaat om een psychiatrische aandoening. De hulpverlener moet er immers op bedacht zijn dat anderen dan hijzelf, zoals waarnemers, opvolgers of patiënten zelf, op enig moment kennis kunnen nemen van zijn dossieraantekeningen. 

4.10     Het Centraal Tuchtcollege vermag niet in te zien dat de huisarts met de aantekeningen “spraakwaterval” en “Zijn geschreven brieven gelezen. Al met al nogal warrig en vol grammaticale onjuistheden.” enige tuchtrechtelijke norm heeft overschreden.

4.11     Ten aanzien van de aantekening “Persoonlijkheidsstoornis, narcistisch type” overweegt het Centraal Tuchtcollege dat deze wat stellig overkomt en de indruk zou kunnen wekken dat de huisarts hiermee een psychiatrische diagnose heeft gesteld.

De aantekening is echter gemaakt op de zogenoemde E-regel van het dossier, hetgeen staat voor ‘Evaluatie’ van – in dit geval – de huisarts. Het Centraal Tuchtcollege begrijpt de bedoelde aantekening dan ook aldus dat het hier gaat om een werkhypothese van de huisarts. Het ware beter geweest als de huisarts bij deze aantekening een vraagteken had geplaatst of anderszins kenbaar had gemaakt dat het hier zijn eigen inschatting betrof. Niettemin kan ook van deze aantekening niet worden gezegd dat de huisarts daarmee enige tuchtrechtelijke norm heeft overschreden. Daarbij neemt het Centraal Tuchtcollege in aanmerking dat – gelet op hetgeen uit het dossier naar voren komt over de verschillende contacten die de huisarts met klager heeft gehad – de aantekening “Persoonlijkheidsstoornis, narcistisch type” als werkhypothese niet als evident onjuist of onredelijk kan worden beschouwd.

4.12     Voor zover de huisarts in beroep beoogt te betogen dat zijn door klager gewraakte aantekeningen moeten worden aangemerkt als eigen aantekeningen van de hulpverlener, merkt het Centraal Tuchtcollege nog op dat aantekeningen in de zogenoemde SOEP-regels moeten worden onderscheiden van persoonlijke werkaantekeningen van de hulpverlener. Persoonlijke werkaantekeningen maken geen onderdeel uit van het medisch dossier en dienen gescheiden van het medisch dossier te worden bewaard. Het Centraal Tuchtcollege verwijst in dit verband naar de wetsgeschiedenis van voormelde bepaling.

4.13     Gezien het vorenstaande, komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege terecht – zij het op iets andere gronden – heeft geoordeeld dat de huisarts binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. De klacht is terecht afgewezen.  Het beroep is dus ongegrond.

4.14     Klager heeft  het Centraal Tuchtcollege in zijn brief van 4 mei 2018 nog verzocht om aan te geven of hij, klager, het medisch dossier van zijn overleden echtgenote kan opvragen bij twee met name genoemde huisartsen. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat dit verzoek geen verband houdt met de hier voorliggende zaak en ziet dan ook geen ruimte om hier verder op in te gaan.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door: T.L. de Vries, voorzitter; H. de Hek en A.R.O. Mooy,

leden-juristen en M.K. Dees en W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018.

Voorzitter  w.g.           Secretaris  w.g.