ECLI:NL:TGZCTG:2018:251 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.121
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:251 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-09-2018 |
| Datum publicatie: | 26-09-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2018.121 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klager is patiënt in een huisartsenpraktijk waar verweerster als huisarts werkzaam is. Klager verwijt verweerster dat zij hem onvoldoende zorg heeft verleend toen hij in oktober en november 2009, direct nadat hij een griepprik had gekregen, de Mexicaanse griep had. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing in beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.121 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, werkzaam te B.,
verweerster in beide instanties,
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 20 oktober 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van
22 februari 2018, onder nummer 17209a, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2018.122 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 21 augustus 2018. Partijen zijn - met bericht - niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Klager is patiënt in een huisartsenpraktijk waar verweerster als huisarts werkzaam is.
Wegens klachten van keelpijn en hoesten werd klager op 14 oktober 2009 gezien door een collega-huisarts van verweerster die klager een antibiotica kuur voorschreef.
Op vrijdag 23 oktober 2009 belde klager naar de praktijk met de mededeling nog ziek te zijn. De assistente overlegde met een andere collega van verweerster, die vervolgens codeInetabletten voorschreef. Op donderdag 29 oktober 2009 werd klager door verweerster gezien. Verweerster noteerde hierover in het medisch dossier:
“ S Nog niet lekker. Kouwelijk, nog wat hoesten, hoofdpijn, duizelig. Trillerig. Vermagerd. Moe. Mictie geen bijzonderheden, defaecatie geen bijzonderheden. Nachtzweten nu niet meer.
O Bleekjes. Tensie 120/80, O2 saturatie 93%, gewicht 68kg, cor:S1S2, souffles neg, pulm:vag,abd:drukpijn maagregio en drukpijn lob, geen defense..
E malaise
P Uitgebreid lab onderzoek, en retour”
Op vrijdag 30 oktober 2009 vond bloedonderzoek plaats. Afgezien van een licht verhoogd kreatinine gehalte, toonde de uitslag geen afwijkingen.
Op zaterdag 31 oktober 2009 belde klager om 17.30 uur naar de huisartsenpost. In het waarneembericht staat vermeld:
“ S (…)
Diaree sinds 2 dgn, alleenstaand. Eet en drinkt slecht. Heeft vanmiddag ook gebraakt. Bang voor uitdroging. Gisteren 3x ontlasting, vandaag 2x ontlasting. Plast nog goed, wel minder dan anders. Freq 3-4 c pd.
P motilium supp 60 mg 1-3 dd1 en ors voorgeschreven.
Verrichtingen:
Telefonisch consult tijdens diensturen.”
Maandag 2 november 2009 vond een telefonisch consult met verweerster plaats. Zij adviseerde klager om een longfoto te laten maken en daarna weer terug op het spreekuur te komen. De longfoto werd op dinsdag 3 november 2009 gemaakt. De conclusie luidde:
“ Geen aanwijzingen voor cardiopulmonale pathologie.”
Op 6 november 2009 vond een telefonisch consult plaats. Verweerster noteerde:
“ S Gaat weer stukken beter. Eet goed, 3 kg bijgekomen.
P Controle 2 weken. Controle nierfunctie 4 weken.”
Op vrijdag 20 november 2009 kwam klager vanwege hoestklachten opnieuw het spreekuur van verweerster, die in het dossier noteerde:
“ S Vanochtend weer hoesten. Gewicht 71,5kg nu. Is weer goed bijgekomen.
O Pulm: vag, abd: lichte drukpijn bovenbuik.
P Controle lab.”
Diezelfde dag vond bloedonderzoek plaats. De uitslag vertoonde geen bijzonderheden. Het kreatininegehaldte was weer gedaald tot normaalwaarden.
Op 23 november 2009 belde klager naar de praktijk. De assistente noteerde in het dossier:
“ S TEL: Vaccin mexicaanse griep wil hij niet, hij weet zeker dat hij de griep al heeft doorgemaakt, is 14 dg ziek geweest.”
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerster dat zij hem onvoldoende zorg heeft verleend toen hij in oktober en november 2009, direct nadat hij een griepprik had gekregen, de Mexicaanse griep had. Ter toelichting stelt klager dat hij erg ziek was en op zondagnacht naar de huisartsenpost heeft gebeld met het verzoek om een waarnemend huisarts te sturen. De huisartsenpost heeft toen na overleg met verweerster geen huisarts gestuurd omdat verweerster had gezegd dat het niet zo ernstig was en dat klager op maandagmorgen op controle kon komen.
4. Het standpunt van verweerster
Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. In een periode van drie weken heeft verweerster diverse malen spreekuurcontact en telefonisch contact met klager gehad. Zij heeft hem daarbij telkens zorgvuldig onderzocht, tweemaal bloedonderzoek aangevraagd en eenmaal een longfoto aangevraagd. Klager is in die periode volledig hersteld.
In het waarneembericht van de huisartsenpost wordt geen melding gemaakt van een eventueel overleg met verweerster. Verweerster kan zich hier ook niets van herinneren.
5. De overwegingen van het college
Tegenover de niet, althans onvoldoende onderbouwde stellingen van klager dat verweerster onvoldoende zorg heeft verleend, staat de gemotiveerde betwisting door verweerster. Het standpunt van verweerster dat zij adequaat heeft gehandeld, wordt bovendien door het dossier ondersteund. Nu vast staat dat er meerdere contacten waren, er tweemaal bloedonderzoek alsmede een longfoto is aangevraagd in de periode dat klager ziek was, kunnen de stellingen van klager dan ook niet tot het oordeel leiden dat verweerster onvoldoende zorg heeft verleend.
Het verwijt van klager dat tijdens zijn bezoek aan de huisartsenpost overleg is geweest met verweerster die zou hebben geadviseerd om klager weg te sturen, wordt door klager op geen enkele wijze onderbouwd. Aangezien verweerster deze stelling betwist, en er ook in het waarneembericht niets over staat vermeld, kan het college niet vaststellen dat er overleg met verweerster heeft plaatsgevonden. Ook dit klachtonderdeel faalt.
Nu van onzorgvuldig en/of tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster niet is gebleken, dient de klacht als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1 Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
4.2 De huisarts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het beroep.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg door klager geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
4.4 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Dit betekent dat het beroep wordt verworpen.
4.6 Klager heeft het Centraal Tuchtcollege in zijn brief van 4 mei 2018 nog verzocht om aan te geven of hij, klager, het medisch dossier van zijn overleden echtgenote kan opvragen bij twee met name genoemde huisartsen. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat dit verzoek geen verband houdt met de hier voorliggende zaak en ziet dan ook geen ruimte om hier verder op in te gaan.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: T.L. de Vries, voorzitter; H. de Hek en A.R.O. Mooy en leden‑juristen en M.K. Dees en W. de Ruijter, leden‑beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.