ECLI:NL:TGZCTG:2018:250 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.014

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:250
Datum uitspraak: 25-09-2018
Datum publicatie: 26-09-2018
Zaaknummer(s): c2018.014
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts. De klacht betreft de inmiddels overleden moeder van klaagster, hierna patiënte. Verweerder heeft patiënte in verband met benauwdheid samen met de eveneens aangeklaagde huisarts in opleiding (C2018.012) tijdens een visitedienst in de nacht van vrijdag op zaterdag bezocht. Klaagster verwijt verweerder dat hij patiënte niet naar het ziekenhuis heeft verwezen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen en het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.014 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. D. Benamari, verbonden aan de Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 11 april 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 december 2017, onder nummer 2017-086c, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken A. /D.(C2018.012) en A./ E. (C2018.013) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 21 augustus 2018, waar zijn verschenen klaagster, en de huisarts, bijgestaan door mr. Benamari voornoemd.

Zowel klaagster als de huisarts en zijn gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

2.1       Klaagster is de dochter van mevrouw F. (hierna: patiënte), die is geboren in 1942 en overleden op 10 november 2015.

2.2       Op 6 november 2015 nam patiënte contact op met huisartsenpost G. (G.) wegens benauwdheid. Verweerder, die sinds 1983 als huisarts werkt, heeft patiënte op 6 november 2015 omstreeks 23.30 uur, samen met de destijds in zijn praktijk werkzame huisarts in opleiding (verweerster in zaak 2017-086a, hierna: verweerster) bezocht tijdens hun visitedienst voor G..

2.3       Het aan de eigen huisarts van patiënte verstuurde (waarneemretour)bericht vermeldt over dit consult:

“(…)

Episode               Dyspnoe/benauwdheid toegeschreven aan luchtwegen (…).

Subjectief DA    Klacht/beloop: Dim: Weer een aanval van benauwdheid afgelopen

weekend ontslagen volgens dochter zijn het 4 kleine longembolietjes . Sinds vandaag een opgezette voet. Sinds vandaag aan de Clopidogrel. Mw klinkt idd benauwd maakt korte zinnen. Kan niet platliggen. Daarstraks ruzie met haar dochter gehad, Hulpvraag: Voorgeschiedenis: COPD,Pulmonale hypertensie. Medicatie: Clopidogrel,Haldol,Fentanylpleister,Divisum,PCM,…. Algemeen:iom Dr. H. U 2 visite.

HA:                                     Benauwd. Kan niet platliggen. Hoesten-. POB-. Recent opgenomen ivm wervel inzakkingen, ook longembolieen geconstateerd. VG COPD stadium IV.

(…)

Evaluatie             Dyspnoe bij bekend COPD

Plan                                    pte bleek de puffers seretide, atrovent en spiriva onjuist te gebruiken, zonder voorzetkamer. Voorgedaan hoe dit wel gebruikt moet worden.

(…)”

2.4       Patiënte is op 7 november 2015 rond 18:00 uur opnieuw bezocht door een huisarts van G. (verweerster in de zaak 2017-086b), waarna per direct een opname in een verpleeghuis is geregeld. Daar is patiënte op 10 november 2015 overleden.

3.         De klacht

Klaagster verwijt verweerder, zakelijk weergegeven, dat hij patiënte had moeten verwijzen naar het ziekenhuis. Volgens klaagster is sprake van nalatigheid met overlijden tot gevolg.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2       Verweerder heeft het volgende aangevoerd. Toestemming van patiënte voor het elektronisch delen van haar medische gegevens (via de zogenaamde opt-in regeling) ontbrak. Op grond van de bevindingen uit lichamelijk onderzoek en anamnese en gelet op een ter plaatse aangetroffen medicatielijst, achtten verweerder en verweerster een bronchiale oorsprong van de benauwdheid bij patiënte op 6 november 2015 het meest waarschijnlijk. Daarbij werd van belang geacht dat de kortademigheid, die mogelijk door een ruzie met klaagster kort voor de visiteaanvraag was toegenomen, tijdens de aanwezigheid van verweerder en verweerster geleidelijk afnam. Verder is geconstateerd dat patiënte haar inhalatiemedicatie niet op de juiste wijze bleek te gebruiken. Na adequate inhalatie trad er verdere verbetering op voor wat betreft de kortademigheid. Daarom is ervoor gekozen de juiste werking van de medicatie uit te leggen en patiënte te vragen om opnieuw contact met G. op te nemen indien sprake was van toenemende benauwdheid, ondanks juist gebruik van de medicatie. Andere oorzaken dan een bronchiale oorzaak werden overwogen maar minder tot niet waarschijnlijk geacht. Een cardiale oorzaak werd minder waarschijnlijk geacht wegens onder meer normale long- en hartgeluiden en afwezigheid van pijn op de borst en van oedeem. Patiënte had weliswaar telefonisch melding gemaakt van een dikke voet, maar die kon niet worden geobjectiveerd. Dat de benauwdheid werd veroorzaakt door longembolieën werd niet waarschijnlijk geacht, onder meer omdat geen sprake was van pijn op de borst of acute verslechtering van de benauwdheid.

5.3       Het college is van oordeel dat het handelen van verweerder op 6 november 2015 is gebleven binnen de in 5.1 bedoelde grenzen. Verweerder heeft na onderzoek op grond van redelijke overwegingen vastgesteld welke oorzaak voor de benauwdheid hem het meest waarschijnlijk leek en voor het onder 5.2 beschreven beleid gekozen, nadat andere mogelijke oorzaken zijn overwogen en gemotiveerd verworpen. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat er op dat moment aanleiding was de situatie anders te beoordelen en acht de keuze om patiënte niet te verwijzen naar het ziekenhuis verdedigbaar. Niet is gebleken dat verweerder hierin onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld.

            5.4       De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert – impliciet – tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2  De huisarts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3       Op grond van het schriftelijk en mondeling debat ter terechtzitting in beroep onderschrijft het Centraal Tuchtcollege de conclusie van het college in eerste aanleg en voegt daaraan het volgende toe.

4.4       Op vrijdag 6 november 2015 heeft de huisarts samen met de eveneens aangeklaagde huisarts in opleiding (C2018.012 en hierna te noemen: de arts) de moeder van klaagster, hierna patiënte, omstreeks 23.30 uur bezocht tijdens de visitedienst voor G.. Patiënte had klachten van benauwdheid. Ter terechtzitting in beroep is komen vast te staan dat de arts bij patiënte de anamnese heeft afgenomen en haar heeft onderzocht en dat de huisarts hierbij ononderbroken aanwezig was. De arts is tot een diagnose gekomen en heeft vervolgbeleid voorgesteld en uitgevoerd.

De huisarts was daarmee akkoord.

4.5       Uit hetgeen ter terechtzitting is besproken komt naar voren dat patiënte op

6 november 2015 goed aanspreekbaar was. Op grond van hetgeen hierover in het waarneembericht aan de eigen huisarts van patiënte staat vermeld beoordeelt het Centraal Tuchtcollege de anamnese en het verrichte onderzoek als zorgvuldig. De resultaten van dat onderzoek wezen de arts, mede gelet op het feit dat patiënte bekend was met COPD, in de richting van een bronchiale oorzaak en gaven geen aanleiding te denken dat de benauwdheid werd veroorzaakt door de eerder bij patiënte geconstateerde longembolieën. Toen bleek dat patiënte de inhalatiemedicatie niet op de juiste wijze gebruikte is hierover aan patiënte uitleg gegeven. Nadat patiënte de inhalatiemedicatie op aanwijzing van de beide artsen op correcte wijze had gebruikt hebben zij het resultaat afgewacht en geconstateerd dat de benauwdheid afnam en dat het beter ging met patiënte. Patiënte is vervolgens geïnstrueerd opnieuw contact op te nemen met G. wanneer de benauwdheid, ondanks het juiste gebruik van de medicatie, zou verergeren.

4.6       De hiervoor onder 4.5 omschreven gang van zaken tijdens het huisbezoek op

6 november 2015 ontmoet bij het Centraal Tuchtcollege geen bedenkingen. Patiënte is, na een zorgvuldige afweging, terecht niet naar het ziekenhuis verwezen. Het beroep van klaagster faalt derhalve.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: T.L. de Vries, voorzitter; H. de Hek en A.R.O. Mooy,

leden-juristen en M.K. Dees en W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.