ECLI:NL:TGZCTG:2018:249 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.013

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:249
Datum uitspraak: 25-09-2018
Datum publicatie: 26-09-2018
Zaaknummer(s): c2018.013
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts. De klacht betreft de inmiddels overleden moeder van klaagster, hierna patiënte. Verweerster heeft patiënte in verband met benauwdheid tijdens een visitedienst op zaterdag bezocht. De nacht tevoren was patiënte door twee andere artsen bezocht. Patiënte was delirant. Verweerster heeft opname in een verpleeghuis voor patiënte geregeld. Klaagster verwijt verweerster dat zij patiënte niet naar het ziekenhuis heeft verwezen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond nu verweerster niet met klaagster heeft besproken of er een onderliggende medische oorzaak voor de toestand van patiënte kon zijn. Voorts heeft zij nagelaten daar verder onderzoek naar te doen terwijl zij ook niet met klaagster heeft overlegd over de keuze tussen opname in een verpleeghuis of, vanwege de onduidelijkheid over de oorzaak van het delier, ziekenhuisopname. Aan de huisarts wordt een waarschuwing opgelegd.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.013 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. D.M. Pot, verbonden aan de Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 11 april 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te

Den Haag tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van

12 december 2017, onder nummer 2017-086b, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken A./ D. (C2018.012) en A./E. (C2018.014) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 21 augustus 2018, waar zijn verschenen klaagster, en de huisarts, bijgestaan door mr. Pot voornoemd.

Zowel klaagster als de huisarts en haar gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

2.1       Klaagster is de dochter van mevrouw F. (hierna: patiënte), die is geboren in 1942 en overleden op 10 november 2015.

2.2       Op 6 november 2015 is patiënte omstreeks 23.30 uur bezocht door twee (huis)artsen (verweerders in de zaken 2017-086a en 2017-086c) van huisartsenpost G. (G.) na een melding van benauwdheid.

2.3       Op 7 november 2015 heeft verweerster patiënte omstreeks 18:00 uur tijdens haar visitedienst voor G. bezocht naar aanleiding van een nieuwe melding.

2.4       Het aan de eigen huisarts van patiënte verstuurde (waarneemretour)bericht vermeldt hierover:

“Episode:            Fractuur wervelkolom (…)

Subjectief DA    Klacht/beloop: gisteravond G. geweest ivm kortademigheid. Blijkt dat de puffers onjuist is gebruikt. Bij binnenkomst vandaag trof dochter mdr op de grond aan. Bekend met ingezakte wervel. Hangt aan de li-kant met haar lichaam door pijn. Geen functie uitval armen en benen. Li-been enkel opgezwollen. Afgelopen week 4 kleine longembolie ontdekt. Donderdag naar de pijnpoli. kortademig-, bleek+, duizelig-, misselijk-, geen koorts. Hulpvraag: wat kan ik nu verder doen? Voorgeschiedenis: copd. Medicatie: morfinepleister en lorazapam (…)

HA:                                     Zorgprobleem. Dochter is nu zelf ziek, koorts. Moeder kan niet alleen blijven, kan alleen scheef op de rand vh bed zitten vanwege rugpijn, bij platliggen benauwd. Thuiszorg stuurt ze continu weg, boos.

Objectief             Zit zeer scheef in bed, drukpijn ribben, pulm vag, komt niet benauwd over, bekende lage saturatie. RR190-122, pols 100, temp 37. Licht oedeem vvoeten li meer dan re-

Evaluatie:           wervelfractuur

(…)

Plan                      opname H. via vervoer ambu geregeld.

(…)”

2.5       Verweerster heeft per direct de opname van patiënte in een verpleeghuis H. in B. geregeld. Daar is patiënte op 10 november 2015 ’s nachts door de verzorging overleden in haar bed aangetroffen.

3.         De klacht

Klaagster verwijt verweerster, zakelijk weergegeven, dat zij patiënte had moeten verwijzen naar het ziekenhuis. Volgens klaagster is sprake van nalatigheid met overlijden tot gevolg.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2       Verweerster heeft het volgende aangevoerd. Toestemming van patiënte voor het elektronisch delen van haar medische gegevens (via de zogenaamde opt-in regeling) ontbrak. Verweerster heeft aangevoerd dat zij na anamnestisch en lichamelijk onderzoek op 7 november 2016 geen noemenswaardig verschil zag in de medische situatie ten opzichte van de bevindingen van de artsen van G. op 6 november 2015. Voor de overwogen differentiaal diagnoses longembolie, decompensatio cordis en exacerbatie COPD waren voor verweerster onvoldoende aanwijzingen. Daarnaast gaf klaagster aan dat sprake was van een zorgprobleem, omdat zij vanwege ziekte (tijdelijk) niet goed voor patiënte kon zorgen. Verweerster heeft patiënte daarom per direct laten opnemen in een verpleeghuis, waar bovendien een verpleeghuisarts aanwezig is en eventuele benodigde medische zorg zou kunnen worden gegeven.

5.3       Het college is van oordeel dat het handelen van verweerster op 7 november 2015 is gebleven binnen de in 5.1 bedoelde grenzen. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat er op dat moment aanleiding was de situatie anders te beoordelen dan verweerster heeft gedaan, mede gelet op de informatie waarover zij op dat moment kon beschikken. Het college acht de keuze van verweerster om patiënte niet naar het ziekenhuis te verwijzen verdedigbaar. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerster onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld.

            5.4       De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert – impliciet – tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2  De huisarts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3       Op zaterdag 7 november 2015 omstreeks 18.00 uur heeft de huisarts de moeder van klaagster, hierna patiënte, tijdens de visitedienst voor G. bezocht. De avond tevoren was patiënte omstreeks 23.30 uur gezien door twee eveneens aangeklaagde (huis)artsen van G. (C2018.012 en C2018.014) na een melding van benauwdheid. De huisarts had op 7 november 2015 de beschikking over onderstaand op 6 november 2015 door de twee voornoemde (huis)artsen opgesteld waarneembericht:

“(…)

Episode               Dyspnoe/benauwdheid toegeschreven aan luchtwegen (…).

Subjectief DA     Klacht/beloop: Dim: Weer een aanval van benauwdheid afgelopen

weekend ontslagen volgens dochter zijn het 4 kleine longembolietjes . Sinds vandaag een opgezette voet. Sinds vandaag aan de Clopidogrel. Mw klinkt idd benauwd maakt korte zinnen. Kan niet platliggen. Daarstraks ruzie met haar dochter gehad, Hulpvraag: Voorgeschiedenis: COPD, Pulmonale hypertensie. Medicatie: Clopidogrel, Haldol, Fentanylpleister, Divisum, PCM,…. Algemeen: iom Dr. I. U 2 visite.

HA:                                     Benauwd. Kan niet platliggen. Hoesten-. POB-. Recent opgenomen ivm wervel inzakkingen, ook longembolieen geconstateerd. VG COPD stadium IV.

(…)

Evaluatie            Dyspnoe bij bekend COPD

Plan                                    pte bleek de puffers seretide, atrovent en spiriva onjuist te gebruiken, zonder voorzetkamer. Voorgedaan hoe dit wel gebruikt moet worden.

(…)”

4.4       Ter terechtzitting in beroep heeft de huisarts verklaard op 7 november 2015 met name gevraagd te hebben naar veranderingen in de toestand van patiënte ten opzichte van 6 november 2015. Omdat met patiënte geen gesprek mogelijk was heeft de huisarts daartoe contact gehad met klaagster. Ter zitting heeft de huisarts patiënte omschreven als delirant, als een kwetsbare, verwarde patiënte die verzorging nodig had. De huisarts heeft overwogen dat een verpleeghuisplek voor patiënte aangewezen was en is ter plekke gaan bellen om opname in een verpleeghuis te regelen.

4.5       Ter terechtzitting in beroep is gebleken dat op 7 november 2015 niet met klaagster (noch met patiënte, die immers niet aanspreekbaar was) is besproken of er een onderliggende medische oorzaak voor de toestand van patiënte kon zijn en zo ja welke. De huisarts heeft ook niet verder onderzocht of er een onderliggende behandelbare oorzaak voor het delier was. Ten slotte is ook niet met klaagster overlegd over de keuze tussen opname in een verpleeghuis of, vanwege de onduidelijkheid over de oorzaak van het delier, ziekenhuisopname.

4.6       Gelet op het hiervoor overwogene oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De inzet die de huisarts heeft getoond en de moeite die zij heeft gedaan voor het regelen van een verpleeghuisplek voor patiënte zijn prijzenswaardig. Het feit dat dit plaatsvond op een zaterdag aan het begin van de avond maakt het aannemelijk dat een en ander niet eenvoudig voor elkaar te krijgen was. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt echter dat de huisarts met dit voortvarend handelen voorbij is gegaan aan het noodzakelijk informeren van en overleggen met klaagster, als vertegenwoordiger van patiënte, over de toestand van patiënte en over de te volgen koers. Voor een verwijzing van patiënte naar het ziekenhuis was in de ogen van de huisarts mogelijk onvoldoende aanleiding, mede gelet op de gezondheidsproblematiek van patiënte, maar voor het Centraal Tuchtcollege was een andere keuze ook verdedigbaar geweest. Het delier en de verslechterde situatie van patiënte in vergelijking met de vorige dag vormden aanwijzingen voor een onderliggende en mogelijk behandelbare oorzaak. Onder deze omstandigheden leidt het feit dat de huisarts niet met klaagster heeft overlegd over haar keuze om patiënte niet te verwijzen naar een ziekenhuis maar te laten opnemen in een verpleeghuis en klaagster niet bij haar afwegingen heeft betrokken ertoe dat de klacht in die zin gegrond is. Het beroep van klaagster slaagt.

4.7       Het Centraal Tuchtcollege acht, het voorgaande in acht genomen, de oplegging van een waarschuwing passend en toereikend, nu dit een zakelijke terechtwijzing is die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder daarop het stempel van laakbaarheid te drukken.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de klacht alsnog gegrond;

legt aan de huisarts de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door: T.L. de Vries, voorzitter; H. de Hek en A.R.O. Mooy,

leden-juristen en M.K. Dees en W. de Ruijter, leden- beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018.

Voorzitter  w.g.                      Secretaris w.g.