ECLI:NL:TGZCTG:2018:244 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.194

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:244
Datum uitspraak: 18-09-2018
Datum publicatie: 26-09-2018
Zaaknummer(s): c2018.194
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen psychiater, verbonden aan een instituut voor geestelijke gezondheidszorg en aldaar hoofdbehandelaar van de zoon van klager. Klager verwijt verweerster dat zij in een gerechtelijke procedure als behandelaar van zijn zoon anonieme verklaringen heeft overgelegd en daarin uitlatingen over klager heeft gedaan en voorts dat zij heeft geweigerd klager daarover en over zijn zoon te informeren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.194 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., psychiater, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. Ch.L. van den Puttelaar, advocaat te Rotterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 26 oktober 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. – hierna de psychiater – een klacht ingediend. Bij beslissing van

24 april 2018, onder nummer 2017-256, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege

van 18 september 2018, alwaar de psychiater, bijgestaan door mr. Van den Puttelaar voornoemd, is verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet ter terechtzitting verschenen.

De psychiater heeft, daarbij bijgestaan door haar gemachtigde, haar standpunt nader toegelicht. Na afloop van de mondelinge behandeling op 18 september 2018 heeft het College, na beraadslaging in raadkamer, in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Hetgeen hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

            “2.       De feiten

Klager is de vader van E., geboren op 22 december 2003. Klager heeft vanaf 2011 niet meer het gezag over zijn zoon. Jeugdbescherming D. is de voogd van E.. De vader van E. is het hier niet mee eens. Er lopen procedures bij het Gerechtshof F. tot wijziging van de gezagssituatie en het weer opstarten van een omgangsregeling.

2.1            Verweerster is als psychiater verbonden aan het instituut G. te

D.. Verweerster is aldaar hoofdbehandelaar van E..

2.2            Op 11 september 2017 heeft verweerster aan de huisarts van E. een brief

gestuurd over de voortgang van zijn behandeling. Deze brief is in kopie verzonden aan de voogd van E.. De brief is op enig moment in een gerechtelijke procedure overgelegd.

2.3            Verweerster heeft klager niet geïnformeerd over de behandeling van E..

Bij e-mail van 23 oktober 2017 heeft verweerster aan klager geschreven:

“In reactie op uw mail dd. 17-10-2017 laten we u weten dat wij van mening zijn correct te hebben gehandeld inzake de informatieverstrekking. Wij zien geen reden om in te gaan op uw verzoek tot een gesprek. Dit zou de behandeling van onze patiënt kunnen belemmeren: we kunnen dan niet integer handelen i.v.m. de vertrouwensrelatie met onze patiënt.

We zullen niet meer ingaan op verdere mailcorrespondentie.”.

            3.         De klacht

            Klager verwijt verweerster, zakelijk weergegeven, dat zij:

            1.         in een gerechtelijke procedure als behandelaar van E. anonieme verklaringen heeft overgelegd en daarin uitlatingen heeft gedaan over klager terwijl verweerster klager nooit heeft gezien;

            2.         heeft geweigerd klager daar vervolgens over te informeren en weigert klager informatie te verstrekken over E..

            4.       Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft primair een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klager en heeft subsidiair de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.       De beoordeling

5.1       Nu een grond voor het beroep op niet-ontvankelijkheid niet is gesteld of anderszins is gebleken, verwerpt het College dit beroep en zal het de klacht inhoudelijk behandelen.

            5.2       Met de in klachtonderdeel 1 genoemde verklaring doelt klager - zo begrijpt het

            College - op de brief van verweerster van 11 september 2017. Deze brief heeft verweerster geschreven aan de huisarts van E., met een kopie aan zijn voogd. Niet gebleken is dat verweerster de brief anoniem heeft verstuurd en evenmin dat zij deze in een gerechtelijke procedure heeft ingebracht. Dat derden de brief in een procedure hebben overgelegd, kan verweerster niet worden verweten.

            In de brief wordt klager weliswaar genoemd, maar verweerster geeft in die brief over hem geen oordeel. Zij beschrijft hoe E. zijn vader ziet. Opgenomen zijn de opvattingen van E., niet die van verweerster. Verweerster beschrijft geen eigen waarnemingen of conclusies betreffende klager. Verweerster heeft aldus ook geen eigen, inhoudelijke uitlatingen gedaan over klager. Een tuchtrechtelijk verwijt valt verweerster dan ook niet te maken.

            In het licht van het voorgaande faalt klachtonderdeel 1.

            5.3       Klager heeft ten aanzien van klachtonderdeel 2 betoogd dat hij op grond van artikel 1:377c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) recht heeft op (medische) informatie over zijn zoon en dat verweerster dus ten onrechte heeft geweigerd klager informatie te verstrekken. Het College overweegt in dit verband het volgende.

            In artikel 1:377c BW is bepaald dat de niet met gezag belaste ouder in beginsel op de hoogte gesteld moet worden van belangrijke feiten en omstandigheden betreffende het kind (waar ook bepaalde medische informatie onder kan vallen). Echter, als uitzondering daarop geldt het geval dat het belang van het kind zich tegen het verschaffen van die informatie verzet. Het is in een situatie als de onderhavige in beginsel aan de hulpverlener om te beoordelen in hoeverre de informatie, die onder het beroepsgeheim valt, met de niet gezag dragende ouder gedeeld kan en moet worden.

            Verweerster heeft aangevoerd dat zij in dezen een belangenafweging heeft gemaakt. Daarbij heeft zij betrokken dat E. niet wenst dat zijn vader geïnformeerd wordt over zijn behandeling. Verweerster heeft een ondertekende verklaring van E. overgelegd, waarin E. dit ook aangeeft. Voorts heeft verweerster overleg gehad met de voogd van E.. Verweerster heeft, alles beziend, geconcludeerd dat het belang van E. met zich brengt dat klager niet geïnformeerd diende te worden omdat dit de behandeling van E. zou tegenwerken.

            Het College is van oordeel dat verweerster de belangenafweging weloverwogen en

            zorgvuldig heeft gemaakt. Aldus is sprake van de voornoemde uitzondering op de in artikel 1:377c BW neergelegde regel over informatieverstrekking. Verweerster heeft klager dan ook in dit geval niet hoeven te informeren. Het College gaat voorbij aan de stelling dat klager op grond van een in rechte vastgestelde informatieregeling recht heeft op behandelinformatie van verweerster. Niet gebleken is dat die gestelde regeling, die niet is overgelegd, betrekking heeft op verweerster. Het College overweegt voorts dat de stelling van klager dat de verklaring van E. onder druk is afgelegd en daarom geen grote waarde heeft, niet door feiten is gestaafd of anderszins aannemelijk is gemaakt. Daarom gaat het College daaraan voorbij.

            Verweerster treft ten aanzien van klachtonderdeel 2 geen verwijt. Daarom faalt dit klachtonderdeel.

            5.4       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk

            ongegrond worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert – impliciet – tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2            De psychiater voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen van de psychiater nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat.

4.4       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling  op

18 september 2018 heeft de psychiater haar standpunt nader toegelicht. Klager is niet ter terechtzitting verschenen.

4.5       De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: K.E. Mollema, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en J. Legemaate, leden-juristen en G.T. Blok en I.A. de Boer, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2018.

                        Voorzitter   w.g.                                            Secretaris  w.g.