ECLI:NL:TGZCTG:2018:243 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.075
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:243 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-09-2018 |
| Datum publicatie: | 20-09-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2018.075 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft zich gewend tot de aangeklaagde huisarts vanwege klachten aan zijn rechteroog. Klager verwijt de huisarts: 1. het stellen van een verkeerde diagnose en het voorschrijven van verkeerde medicatie, terwijl de toestand van het oog, met aangroei op het hoornvlies, aanleiding had moeten vormen voor onmiddellijke doorverwijzing naar de oogarts; 2.verantwoordelijk te zijn voor het gezichtsverlies van 40% van het rechteroog; 3.verantwoordelijk te zijn voor de emotionele schade. Het Regionaal Tuchtcollege beslist dat de huisarts heeft gehandeld en mocht handelen conform de NHG-standaard Het rode oog. Nu het eerste klachtonderdeel faalt, komt het college niet toe aan de bespreking van de overige twee klachtonderdelen. De klacht wordt zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.075 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, als jurist verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 11 april 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen huisarts C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 9 januari 2018, onder nummer 2017-084 heeft dat College de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 september 2018, waar zijn verschenen klager alsmede de huisarts bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.C.C. Leemans.
De standpunten van klager en de huisarts zijn ter terechtzitting nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld.
“2. De feiten
Klager is op 27 november 2013 op consult geweest bij verweerster vanwege
aanhoudende roodheid van zijn rechteroog. Klager had deze klacht sinds drie dagen, maar sinds de ochtend van 27 november 2013 was sprake van een verslechtering.
2.1 Als klager op het spreekuur verschijnt verklaart hij dat hij last heeft van roodheid en een brandend gevoel aan zijn oog.. De verschijnselen zijn opgetreden nadat klager verkouden is geweest. Verweerster onderzoekt klager en constateert dat er geen alarmverschijnselen zijn zoals visusdaling, uitgesproken pijn of lichtschuwheid. Verweerster neemt een diffuse roodheid van de conjunctiva waar evenals wat purulent secreet. Voorts constateert zij dat de vorm en reacties van de pupil normaal zijn.
2.2 Op basis van haar bevindingen stelt verweerster als diagnose bacteriële conjunctivitis.
Zij schrijft conform de NHG-standaard Het rode oog vier maal daags Chlooramfenicol voor. Druppels voor overdag en crème voor ’s nachts.
2.3 Verweerster vraagt klager over twee dagen terug te komen voor controle. Indien hij eerder alarmsymptomen heeft, dient hij direct contact op te nemen met de praktijk.
2.4 Op 28 november 2013 neemt klager telefonisch contact op met de huisartsenpraktijk vanwege visusdaling en toenemende pijn in het oog. Hierop is klager direct door een collega (dhr. D.) doorgestuurd naar het oogziekenhuis E./F.- Ziekenhuis.
2.5 Op 28 november 2013 is klager op consult geweest bij een oogarts van het F. Ziekenhuis. Klager heeft toen andere medicatie voorgeschreven gekregen, te weten Trafloxal en later Tobradex.
2.6 Klager is vervolgens op 29 november, 2, 6, 13 en 20 december 2013 op controle geweest in het F. Ziekenhuis. Bij de laatste controle op 20 december 2013 heeft klager een verwijzing gekregen voor het G. teneinde daar te laten onderzoeken of er iets te doen is aan een inmiddels geconstateerd litteken in zijn oog.”
2.2. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in.
“3. De klacht
Klager verwijt verweerster zakelijk weergegeven:
- het stellen van een verkeerde diagnose en het voorschrijven van verkeerde
medicatie op 27 november 2013, terwijl de toestand van het oog, met aangroei op het hoornvlies, aanleiding had moeten vormen voor onmiddellijke doorverwijzing naar de oogarts;
- verantwoordelijk te zijn voor het gezichtsverlies van 40% van het rechter oog;
- verantwoordelijk te zijn voor de emotionele schade.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan. “
2.3. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“5. De beoordeling
5.1 Kern van de klacht is dat verweerster de juiste diagnose heeft gemist. Op zich zelf behoeft het missen van de juiste diagnose niet doorslaggevend te zijn voor het slagen van de klacht. Een klacht is pas gegrond, als vast komt te staan dat de wijze waarop een arts tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. Bij de beoordeling daarvan wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.
5.2 Klager heeft op 27 november 2013 een consult gehad bij de huisarts vanwege roodheid van zijn rechteroog die op dat moment al drie dagen aanhield. Volgens klager heeft hij daarbij aangegeven dat hij een beginnende aangroei zag op het hoornvlies.
Verweerster heeft klager onderzocht, waarbij zij geen alarmsymptomen heeft waargenomen die een spoedverwijzing vergden. De door klager genoemde aangroei wordt niet genoemd in het huisartsenjournaal. Dit kan worden verklaard door het feit dat verweerster dit niet zag als aangroei, maar als een afwijking op het bindvlies vanwege de ontsteking. Zij concludeerde tot een bacteriële conjunctivitis. Vervolgens heeft zij klager conform de NHG-standaard Het rode oog behandeld door het voorschrijven van Chlooramfenicol. Tevens heeft zij klager conform de NHG-standaard gezegd dat hij direct contact moest opnemen met de huisarts ingeval van (toename van) pijn, lichtschuwheid dan wel vermindering van het gezichtsvermogen.
Nu vaststaat dat verweerster heeft gehandeld en mocht handelen conform de NHG-standaard Het rode oog, faalt dit klachtonderdeel en komt het college derhalve niet toe aan de bespreking van de overige klachtonderdelen.
Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor zijn weergegeven onder “1. De feiten.”
4. Beoordeling van het beroep
Procedure
4.1 Klager beoogt in beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die hij reeds in eerste aanleg heeft geuit. Hij concludeert (impliciet) tot gegrond verklaring van zijn klachten en tot de oplegging van een passende tuchtrechtelijke maatregel.
4.2 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concludeert primair tot niet-ontvankelijk verklaring van appellant in het beroep en subsidiair tot verwerping van het beroep.
Beoordeling m.b.t. de ontvankelijkheid.
4.3 Wat betreft het primaire verweer van de huisarts dat klager op grond van artikel 73 Wet BIG, artikel 19 van het Tuchtrechtbesluit BIG, het Reglement van het Centraal Tuchtcollege en de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 9 maart 2010 ( LJNYG0158) in onderlinge samenhang bezien, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep, dient de vraag te worden beantwoord of klager zijn beroep per e-mail in kon dienen en zo ja of hij binnen de termijn beroep heeft ingesteld en het aanvullend beroepschrift onverwijld per post is nagezonden.
De huisarts stelt in haar verweerschrift terecht dat het beroepschrift niet is ingediend op een wijze als voorzien in artikel 73 Wet BIG juncto artikel 19 Tuchtrechtbesluit BIG en (het daaruit voortvloeiende) eerste artikel van het Reglement van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hieromtrent het volgende.
De in artikel 1 van het Reglement voorgeschreven wijzen van indiening van een beroepschrift zijn limitatief en indiening op een andere wijze of buiten de daarvoor gestelde termijn leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. In dit geval zal het Centraal Tuchtcollege deze consequentie echter niet verbinden aan het feit dat het initiële beroepschrift per e-mail werd ingediend. De reden hiervoor is dat het Regionaal Tuchtcollege kennelijk heeft nagelaten dadelijk na ontvangst van de e-mail van klager waarin het beroepschrift als bijlage was opgenomen, laatstgenoemde erop te wijzen dat het beroepschrift niet op rechtsgeldige wijze was ingediend en dat hij onverwijld alsnog op de in het Reglement voorgeschreven wijze het beroepschrift diende in te dienen. Het Centraal Tuchtcollege verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 6 juni 2013 onder nummer C2012.319 (ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG 2970).
Daarnaast neemt het Centraal Tuchtcollege hierbij in ogenschouw dat niet is gesteld of gebleken dat de huisarts zich door genoemde handelwijze onvoldoende heeft kunnen verweren.
Overigens bestaat er vooralsnog geen aanleiding om, naar analogie van het bepaalde in
artikel 1 onder e van het Reglement met betrekking tot de indiening van het beroepschrift per fax, indiening per e-mail toelaatbaar te achten indien het beroepschrift daarin als bijlage is opgenomen. Het is aan de wet- en regelgever om deze vorm van elektronische indiening van een klaag- of beroepschrift of andere processtukken te regelen, omdat invoering van die mogelijkheid, gelet op de eisen die daarbij moeten worden gesteld aan de verifieerbaarheid van het tijdstip van ontvangst en van de authenticiteit en integriteit van die stukken, het treffen van de nodige maatregelen binnen de secretariaten van de tuchtcolleges vergt.
Klager is derhalve ontvankelijk in zijn beroep.
Beoordeling van het beroep.
4.4 In het eerste klachtonderdeel verwijt klager de huisarts dat zij op 27 november 2013 een verkeerde diagnose heeft gesteld en als gevolg daarvan verkeerde medicatie heeft voorgeschreven. In het tweede klachtonderdeel verwijt klager de huisarts verantwoordelijk te zijn voor het gezichtsverlies van 40% van zijn rechteroog. En in het derde klachtonderdeel verwijt klager de huisarts dat zij verantwoordelijk is voor de door hem geleden emotionele schade.
4.5 In beroep is de klacht nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk (en mondeling) gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 september 2018 is dat debat voortgezet.
4.6 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege wa t betreft de klacht geleid tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder 5.1 en 5.2 heeft overwogen hier over en maakt deze tot de zijne. Het Centraal Tuchtcollege voegt hieraan nog toe dat de huisarts, op basis van de op de op 27 november 2013 door klager gepresenteerde klachten aan zijn rechteroog, kon volstaan met het behandelen conform de “ NHG-Standaard Het rode oog” met de mededeling dat indien de toestand van het oog verslechterde klager wederom contact op moest nemen met de huisarts. Dat de volgende dag na verwijzing door een collega, in het oogziekenhuis (E./F. Ziekenhuis), een andere diagnose werd gesteld en andere medicijnen werden voorgeschreven, doet dit niet anders zijn.
Gelet op het bovenstaande komt het Centraal Tuchtcollege in beroep evenals het
Regionaal Tuchtcollege, niet toe aan de bespreking van het tweede en derde klachtonderdeel.
4. 7 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; W.P.C.M. Bruinsma en R.A. van der Pol, leden-juristen en M. van Bergeijk en F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten en H.J. Lutgert, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 20 september 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.