ECLI:NL:TGZCTG:2018:237 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.498
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:237 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-08-2018 |
| Datum publicatie: | 21-08-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2016.498 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht behelst drie klachtonderdelen ter zake van de inhoud van de rapportage, de onderliggende rapportages en de aanpak van het onderzoek en de termijnen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege wijst hier een tussenbeslissing waarin twee van de drie klachtonderdelen worden afgewezen. Van belang is de overweging van het College dat het College het onwenselijk acht dat er binnen de forensische setting een ander invulling wordt gegeven aan het begrip ‘werkaantekeningen’ en daarmee aan de regel omtrent het medisch dossier, zonder dat daar regelgeving aan ten grondslag ligt die voor onderzochten kenbaar is. Ter zake van het derde klachtcategorie over de inhoud van de rapportage acht het College zich nog onvoldoende voorgelicht en wordt een aanvullend vooronderzoek gelast. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2016.498 van:
A., verblijvende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
E., gezondheidszorg psycholoog, werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, gemachtigde: de heer
mr. V.C.A.A.V. Daniëls, advocaat verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. - hierna klager - heeft op 8 januari 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen E. - hierna verweerder - een klacht ingediend. Bij beslissing van
30 september 2016, onder nummer 16/008 GZP heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.
Verweerder heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
1.2 De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak A. / C. (C2016.497) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van
20 september 2017, waar zijn verschenen klager en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Daniëls voornoemd. De zaak is over en weer bepleit, waarbij klager een pleitnota (met bijlagen) aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.
1.3 Bij beslissing van 5 december 2017 heeft het Centraal Tuchtcollege de behandeling van zowel deze zaak als de zaak C2017.497 voor onbepaalde tijd aangehouden en verweerder verzocht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht weken na onderhavige beslissing aan het Centraal Tuchtcollege te doen toekomen het extern psychologisch rapport van klinisch psycholoog F. betreffende klager, met uitzondering van de ruwe testgegevens, en het rapport van de psychomotorische observatie van de sportmedewerker betreffende klagers tweede opnameperiode in het Pieter Baan Centrum (PBC).
1.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft op 19 december 2017 van verweerder een brief
d.d. 15 december 2017 ontvangen, met als bijlage het verslag van de psychomotorische observatie door de heer G. betreffende de tweede periode van opname van de
heer A. in het PBC, alsmede het extern psychologisch rapport (met uitzondering van
de ruwe testgegevens) van klinisch psycholoog F. d.d. 6 mei 2015.
1.5 Klager heeft daarop gereageerd bij brief d.d. 24 december 2017, bij het Centraal Tuchtcollege ingekomen op 28 december 2017.
1.6 Op 16 maart 2018 heeft het Centraal Tuchtcollege van klager een brief
d.d. 13 maart 2018 met aanvullende stukken ontvangen.
1.7 De geplande terechtzitting van 3 april 2018 heeft geen doorgang gevonden, nu
klager niet tijdig was aangevoerd..
1.8 Nadien heeft het Centraal Tuchtcollege van klager een email d.d. 3 april 2018 ontvangen met als bijlage een brief d.d. 28 maart 2018 van de Dienst Justitiële Inrichtingen inhoudende een Goedkeuring incidenteel verlof voor klager om de zitting van 3 april 2018
bij te wonen.
1.9 Het Centraal Tuchtcollege heeft bij brief van 14 mei 2018 F. verzocht om een toelichting over de door haar uitgebrachte rapportage. Het Centraal Tuchtcollege heeft op
18 mei 2018 daarop van F. een brief d.d. 16 mei 2018 ontvangen.
1.10 Bij brief van 24 mei 2018 heeft het Centraal Tuchtcollege F. nogmaals
om een toelichting gevraagd over de door haar uitgebrachte rapportage. F. heeft
daarop gereageerd bij brief d.d. 25 mei 2018, bij het Centraal Tuchtcollege ingekomen
op 29 mei 2018.
1.11 Op 29 mei 2018 heeft het Centraal Tuchtcollege van klager ontvangen een brief
(met bijlagen) d.d. 24 mei 2018.
1.12 De mondelinge behandeling is, wederom tegelijkertijd maar niet gevoegd met de behandeling van de zaak C2017.497, voortgezet ter openbare terechtzitting van
12 juni 2018 in een - ten opzichte van de zitting van 20 september 2017 - grotendeels ongewijzigde samenstelling. Klager en verweerder zijn verschenen. Verweerder werd bijgestaan door mr. Daniëls voornoemd. Klager heeft een ‘Aanvullende pleitnota tuchtzaak’
en een ‘Nadere pleitnota tuchtzaak overgelegd’. Mr. Daniëls heeft eveneens een pleitnota overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“ 2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Verweerder is vanaf 2011 als psycholoog werkzaam bij het Pieter Baan Centrum
(verder: PBC). Bij vonnis van de rechtbank H., locatie B. van 21 januari 2014 is in het kader van een tegen klager aanhangige strafzaak een onderzoek naar zijn geestesvermogens gelast. In dit verband is klager vanaf 13 maart 2014 tot en met
30 april 2014 opgenomen geweest in het PBC voor onderzoek door een team bestaande uit een psychiater (verweerster in de procedure met kenmerk 16/007), een psycholoog (verweerder in de onderhavige procedure), een forensisch milieuonderzoeker, een groepsleider, een proces-begeleidend gedragsdeskundige en een jurist. Klager gaf destijds geen toestemming voor een milieuonderzoek en het opvragen van informatie bij derden. Aan het onderzoek hebben wel meegewerkt de moeder van klager, zijn pleegouders en zijn zus. Klager heeft destijds ook niet meegewerkt aan een (neuro)psychologisch onderzoek. De NIFP-rapportage is uitgebracht op 6 juni 2014.
2.2. Bij vonnis van 13 oktober 2014 is klager veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Daarnaast is aan hem de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd. Klager is in hoger beroep gegaan van dit vonnis.
2.3. De raadsman van klager heeft in de procedure in hoger beroep verzocht om een nieuw deskundigenrapport. Bij voorzittersbeslissing van 18 december 2014 van het gerechtshof I./J. is aan de aan het PBC verbonden psychiater (verweerster in procedure 16/007) en psycholoog (verweerder) opdracht gegeven aanvullend multidisciplinair te rapporteren. Daarbij heeft het hof verzocht tevens te reageren op de brief van de behandelend psycholoog van klager K. van 21 januari 2016, die de diagnose stoornis in autisme spectrum, genoemd in de NIFD-rapportage van
6 juni 2014, niet onderschrijft, maar denkt aan een persoonlijk-heidsstoornis NAO met narcistische en borderline trekken.
2.4. Klager is vervolgens vanaf 21 april 2015 tot 2 juni 2015 opgenomen geweest in het PBC voor het verrichten van aanvullend onderzoek. In deze periode zijn onder meer psychologische testen bij klager afgenomen. Ook heeft een psychomotorische observatie plaatsgehad alsmede een onderzoek door een externe deskundige psychologe (tevens verweerster in de procedure met nummer16/009p), in verband met haar deskundigheid op het gebied van autisme spectrum stoornissen.
2.5. Op 27 augustus 2015 is de (tweede) NIFP-rapportage uitgebracht (verder te noemen: de Rapportage). De Rapportage bevat de volgende rapportonderdelen/ hoofdstukken:
1. Informatie uit gerechtelijke stukken;
2. Verantwoording onderzoeksopzet;
3. Milieuonderzoek;
4. Groepsobservatie;
5. Aanvullend psychologisch onderzoek;
6. Aanvullend psychiatrisch onderzoek;
7. Forensische Analyse en beantwoording van de vraagstelling.
Het milieuonderzoek is verricht door een forensisch milieuonderzoeker. De groepsinformatie is verkregen van de rapporterend groepsleider. Verweerder heeft het aanvullend psychologisch onderzoek voor zijn rekening genomen, waarbij tevens testpsychologisch onderzoek is verricht en voornoemde extern deskundige psychologe is geraadpleegd. Verweerster in de procedure met nummer 16/007 heeft aanvullend psychiatrisch gerapporteerd.
2.6. De conclusie van verweerder luidde – kort gezegd – dat een PDD-NOS stoornis de meest waarschijnlijke diagnose is en dat een persoonlijkheidsstoornis niet valt uit te sluiten.
Hij heeft in zijn aanvullend psychologisch onderzoek onder meer geschreven:
“(…) Het huidige aanvullende onderzoek kent een belangrijke beperking en dat is dat noch de rapporterend psychiater en ondergetekende (verweerder, RTG) noch dr. (de extern deskundige, RTC) met (verschillende) betrouwbare referenten zoals bijvoorbeeld betrokkenes pleegouders hebben kunnen spreken. (…) Hierdoor ontbreekt het aan een goede anamnese van de vroegkinderlijke ontwikkeling die specifiek gericht is op de aan- of afwezigheid van symptomen die zouden kunnen wijzen in de richting van een stoornis binnen het autisme spectrum.
(…)
Tijdens dit aanvullend onderzoek is naar voren gekomen dat er bij betrokkene sprake is van een sterke detailgerichtheid, het hebben van veel behoefte aan duidelijkheid en een sterke mate van regelgestuurd zijn. Ook wordt de neiging bij betrokkene gezien om taal letterlijk te nemen, komt de Theory of Mind (ToM) als beperkt naar voren en is betrokkene als gevolg hiervan meer gericht op zijn eigen perspectief dan dat van de ander. Bij enkele van bovenstaande kenmerken is het van belang om op te merken dat deze aspecifiek zijn voor mensen met een stoornis binnen het autisme spectrum. (…) Ondergetekende wil concluderend dan ook niet voorbij gaan aan de argumenten van F. om enige terughoudendheid te laten zien als het gaat om het classificeren van een autisme spectrum stoornis (…) Echter, op basis van de eigen ervaringen met betrokkene en de observaties van de medewerkers van de DOP en de groepsleiding tijdens dit aanvullend onderzoek, ziet ondergetekende meer aanwijzingen om de pathologie van betrokkene te zien in het licht van een autisme spectrumstoornis, dan vanuit de hoek van de persoonlijkheid. Met name de herhaaldelijk en ook door meerdere personen binnen verschillende situaties geobserveerde beperkingen in de non-verbale communicatie, het gebrek aan ToM waardoor betrokkene het ‘sociale verkeer’ minder goed kan lezen en hij meer moeite heeft met het zich adequaat af kunnen stemmen op anderen, de rigiditeit, de detailgerichtheid en de sterke behoefte aan regels en ervaren duidelijkheid, zijn factoren die in deze afweging een belangrijke rol spelen. (…)”
2.7. De raadsman van klager heeft bij het PBC de onderliggende rapportages opgevraagd, waaronder de rapportage van de extern deskundige. Bij brief van
2 november 2015 heeft de stafjurist van het NIFP, mr. Ghonedale onder meer het volgende geantwoord:
“(…) Vooropgesteld staat dat in de PBC-rapporten, voor zover forensisch relevant, de bevindingen uit het psychologisch en psychiatrisch onderzoek verwerkt. Ook de werkaantekeningen van de deskundigen zijn in de verslaglegging betrokken. Daarmee is naar mijn oordeel in ieder geval voldaan aan het wettelijk recht op afschrift van de schriftelijke bevindingen van de onderzoekers.
Ruwe onderzoeken van het testpsychologisch onderzoek
Gelet op de geldende richtlijnen van het College Bescherming Persoonsgegevens kunnen de ruwe testgegevens niet aan u worden verstrekt. Deze testgegevens worden slechts afgestaan in het kader van nadere rapportage door een vakgenoot, dan wel na een expliciet verzoek hiertoe van het hof bij de verantwoording van de door onderzoekers getrokken conclusies.
De verstrekking van de testgegevens is auteursrechtelijk beschermd, om de waarde en de betrouwbaarheid van de ontwikkelde tests te kunnen waarborgen. In geval van een eventuele second opinion naast het PBC-onderzoek, kunnen – als vakgenoot – eventueel de testprotocollen en zonodig ruwe scores worden verstrekt om deze te betrekken bij zijn of haar onderzoek.
Het volledige rapport van psycholoog (verweerster in procedure 16/009p, RTG) Zoals vermeld in het PBC-rapport van 2015 is de conclusie van het onderzoek van (verweerster in procedure 16/009p, RTG) volledig opgenomen in het PBC-rapport. Voor meer informatie dan opgenomen, wil ik u verzoeken om middels de nieuwe PJ-rapporterend psycholoog haar onderzoeksgegevens bij ons op te vragen. Gezien het feit dat de testgegevens een (groot) deel van haar onderzoek uitmaken, wordt ook bij dit onderzoek de geldende richtlijnen van het College Bescherming Persoonsgegevens aangehouden. En dat betekent dat deze testgegevens slechts afgestaan worden in het kader van een nadere rapportage door een vakgenoot, dan wel na expliciet verzoek van het hof hiertoe.
(…)
Uw cliënt heeft voorafgaand aan de eindvergadering de conceptrapportages van de psycholoog, psychiater en de groepsleiding mogen zien. (…) deze conceptrapportages worden gelijkgesteld aan werkaantekeningen. Werkaantekeningen van de onderzoekers vormen volgens vaste jurisprudentie geen onderdeel van het dossier en zijn derhalve niet beschikbaar voor inzage door anderen dan de individuele rapporteurs. Ik verwijs in dit kader naar de uitspraak van de RSJ d.d. 26 oktober 2004 (zaaknummers 04/1667/GA en 04/1856/GA) waarin onder ander het volgende staat vermeld:
“het wettelijk inzagerecht zich niet uitstrekt over de rapportage nu deze slechts bevindingen en voorlopige conclusies van de deskundige bevat die uitdrukkelijk nog bespreking in multidisciplinair overleg behoeven, waarna de eindrapportage wordt opgemaakt. Daarnaast is van belang dat de rapportage in het kader van het onderzoek met de onderzochte wordt besproken en diens reactie op de inhoud een wezenlijk deel uitmaakt van dat onderzoek. De rapportage is, gelet hierop, eerder aan te merken als de persoonlijke werkaantekeningen van de deskundige en valt hiermee niet onder de stukken die in het dossier dienen te worden opgenomen. (…)”
2.8. De adjunct-directeur van het PBC heeft bij brieven van 11 december 2015 en 5 februari 2016 aan de Commissie van Toezicht het standpunt van het PBC kenbaar gemaakt omtrent (ondermeer) de door klager opgevraagde bevindingen van de psychomotorische therapeut en de extern deskundige psychologe.
3. De klacht en het standpunt van klager
3.1. Klager heeft in voornoemde processtukken klacht(onderdelen) geformuleerd jegens meerdere bij de Rapportage betrokken personen. In de kern voert klager aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld bij het onderzoek naar zijn geestesvermogens en bewust heeft toegeschreven naar een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling. Samengevat onderscheid het college de volgende klachten jegens verweerder:
A) inhoudelijke klachten (klachtonderdelen I/II/III en V van klager), waarbij klager onder meer stelt dat forensisch relevante informatie is achtergehouden, sprake is geweest van het toepassen van een selectieve observatie (o.a. het niet verwerken van de observaties van de psychomotore therapeut in de Rapportage), een en ander om bewust toe te werken naar de volgens klager gewenste diagnose (PDD-NOS). Volgens klager zijn de onderzoekers bevooroordeeld aan de opdracht begonnen.
B) klachten met betrekking tot de procedure: weigering om inzage te geven in de onderliggende rapportages zoals het extern psychologisch deskundigenrapport en de observaties van de psychomotore therapeut, de weigering deze mondeling te bespreken en de weigering deze vrij te geven aan klager. Volgens klager is niet aan de wettelijke regels voldaan. Klager stelt recht te hebben op meer dan alleen de conclusies. (klachtonderdeel VI)
C) klachten over de aanpak van het onderzoek door het PBC: Klager vindt dat er geen duidelijke termijnen zijn gesteld en er was lang onduidelijkheid over wie het onderzoek zou verrichten. Klager zegt zodoende onder valse voorwendselen aan het onderzoek te zijn begonnen. Voorts vindt klager dat het lang heeft geduurd voordat de definitieve versie van de tweede rapportage kwam (aanvullend klachtonderdeel VII en VIII);
3.2. Klager heeft bij repliek nog (nieuwe) klachtonderdelen naar voren gebracht over (onder meer) de interne klachtafhandeling binnen het PBC. Deze worden in deze procedure als zijnde tardief en daarmee in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht bestreden. Hij voert – samengevat – aan dat middels het onderzoek en de uitvoerige wijze van rapporteren is voldaan aan de criteria waaraan het deskundigenrapport behoort te voldoen. Hij stelt daartoe onder meer dat:
A) hij bij het eerste onderzoek tot de diagnose autisme spectrum stoornis is gekomen op basis van de informatie waarover hij de beschikking had gekregen en zijn observaties van klager. Daaruit bleken hem tekortkomingen in het gebruik van de non-verbale communicatieve vaardigheden. Verder was er sprake van de afwezigheid van sociale en emotionele wederkerigheid. Klager hanteert volgens verweerder een rigide denktrant waarvan hij door gebrek aan mentale flexibiliteit niet meer kan afwijken. Op basis van voornoemde bevindingen concludeerde verweerder dat er bij klager sprake was van een stoornis binnen het autisme spectrum. Verweerder had echter onvoldoende informatie verkregen om vanuit gedragsdeskundig oogpunt op een verantwoorde manier uitspraak te kunnen doen over de persoonlijkheid van klager. Voorts is psychiatrisch onderzoek verricht door verweerster in de procedure 16/007. Nadat alle onderzoeken waren verricht zijn de bevindingen besproken in het onderzoeksteam en is er een forensische analyse opgesteld waarbij de vragen van (destijds) de rechtbank zijn beantwoord. Bij het aanvullende (door het Gerechtshof verzochte) onderzoek weigerde klager om gestructureerd met verweerder in gesprek te gaan. Om het onderzoek toch vorm te kunnen geven is de deskundigheid van de externe psychologe ingeroepen. Klager was wel bereid om met haar in gesprek te gaan. Zij kon echter zelf geen hetero-anamnese afnemen, omdat klager weigerde hiervoor zijn toestemming te geven. Dit was volgens verweerder van directe invloed op de mate waarin de externe deskundige tot haar diagnostische conclusies kon komen. De uiteindelijke conclusie van de beide rapporteurs was dat het beeld dat van klager naar voren kwam in dit aanvullend onderzoek (op basis van de gesprekscontacten, het testpsychologisch onderzoek en de observaties) niet wezenlijk verschilde van het beeld dat naar voren is gekomen tijdens het eerdere verblijf van klager in het PBC.
B) in het kader van het inzagerecht de rapporten aan klager zijn voorgelegd en met hem zijn besproken. Met betrekking tot het aanvullend PBC rapport heeft klager geen gebruik willen maken van het inzage en correctierecht, voor wat betreft de rapportages van verweerders. De bevindingen van de externe deskundige zijn met klager mondeling besproken en haar conclusies zijn als integraal onderdeel van het rapport van 27 augustus 2015 aan hem voorgelegd. Klager wenste hiervan echter geen kennis te nemen. De observatie van de psychomotorisch therapeut betreft geen op zichzelf staande rapportage. Evenals de door klager opgevraagde conceptversie van de groepsobservatie, betreft het werkaantekeningen ten behoeve van de rapporteurs. Verweerster verwijst verder naar de correspondentie die is gevoerd met klager en zijn advocaat omtrent het afgeven van de stukken die bij het opstellen van de Rapportage zijn gebruikt.
C) Het gerechtshof heeft bij voorzittersbeslissing (onder meer) aan verweerder de opdracht gegeven aanvullend psychiatrisch en psychologisch te rapporteren samen met de rapporterend psychiater. Het onderzoek is uitgevoerd door een voltallig onderzoeksteam. Klager weigerde echter met verweerder in gesprek te gaan omdat hij van mening was dat hij andere onderzoekers zou krijgen. Verweerder is niet verantwoordelijk voor mededelingen over de opzet en uitvoering van het onderzoek door derden.
5. De beoordeling
Kader
5.1. Bij psychiatrisch en psychologisch onderzoek pro Justitia is (hoewel er geen sprake is van een gewone behandelingsovereenkomst die op vrijwillige basis is aangegaan tussen psychiater en patiënt) wel sprake van handelingen op het gebied van de geneeskunst. De wet inzake de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) is van toepassing zolang de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet (artikel 7:464 van het Burgerlijk Wetboek). Dit betekent dat niet alle bepalingen uit de WGBO onverkort gelden bij het psychiatrisch en psychologisch onderzoek pro Justitia. Daarnaast zijn relevant voor de beoordeling van de klacht (ten aanzien van verweerder) de (herziene) gedragscode voor psychologen, de gedragscode Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (de NRGD-code), de ‘best practises voor het Forensisch Milieuonderzoek’ van het PBC, alsmede de NIFP aanbevelingen voor het uitbrengen van een Pro Justitia–rapportage.
5.2. Het college wijst er verder op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroeps-uitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Het gaat daarbij om persoonlijke verwijtbaarheid van de zorgverlener.
A. Inhoud rapportage
5.3. Wat betreft de inhoudelijke klachten over de Rapportage geldt daarbij nog dat toetsing van een deskundigenrapportage in het kader van het tuchtrecht aan beperkingen is onderworpen. Beoordeeld moet worden of verweerder met het opstellen van haar rapportage binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. De voorwaarden waaraan een rapportage zoals hier uitgebracht dient te voldoen, zijn de volgende:
1. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
2. de gronden vinden aantoonbaar steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeld in het rapport;
3. die gronden kunnen de daaruit getrokken conclusies rechtvaardigen;
4. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheidsgebied;
5. de methode van onderzoek teneinde tot de beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen, kon tot het beoogde doel leiden, dan wel de rapporteur heeft daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden.
Het college zal ten volle toetsen of het onderzoek wat betreft vakkundigheid en zorgvuldigheid aan de genoemde criteria voldoet, terwijl de conclusie van het rapport slechts marginaal wordt getoetst.
5.4. Het college is van oordeel dat in de Rapportage voldoende duidelijk uiteengezet is op welke gronden de conclusie berust en welke feiten, omstandigheden en bevindingen daaraan ten grondslag liggen. De beschrijving van de onderzoeksopzet is overzichtelijk. In het onderzoek zijn het milieuonderzoek en de groepsobservatie mede betrokken. Bij het aanvullend psychologisch onderzoek zijn tests afgenomen en is een externe deskundige geraadpleegd. De door verweerder gehanteerde onderzoeksmethodiek (voor zijn onderdeel van de rapportage) was niet ongeschikt om tot de beantwoording van de vragen te komen. Zo heeft verweerder klager klinisch onderzocht, dossieronderzoek gedaan en overleg gevoerd met mede-rapporteurs. Klager wilde in het kader van het aanvullende PBC-onderzoek niet meewerken aan een milieu-onderzoek. Wel is gebruik gemaakt van eerder milieu-onderzoek en informatie van familieleden. Het diagnostisch team is uiteindelijk tot een waarschijnlijkheidsdiagnose gekomen, op basis van een (vanwege de gebrekkige medewerking van klager) niet volledig onderzoek. Naar het oordeel van het college konden de onderzoekers – binnen de mogelijkheden die klager hen heeft geboden – in redelijkheid tot hun conclusies komen.
Dat mevrouw K. tot een andere diagnose is gekomen is voorstelbaar gezien haar eigen opmerking dat er geen uitgebreide intake en/of psychodiagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Het dossier zou dan ook niet veel informatie bevatten die voor het onderzoek bruikbaar zou kunnen zijn. Haar behandeling heeft plaatsgevonden in het kader van een detentie en betreft een meer laagdrempelige zorg, gericht op het hanteren van de emotionele impact van de detentie en waarbij wordt stilgestaan bij de aspecten die hebben geleid tot het delict gedrag.
5.5. Het college kan niet vaststellen dat bij verweerders sprake is geweest van vooringenomenheid. In de Rapportage leest het college geen vooringenomenheid terug. Verweerder heeft de bekende feiten en zijn eigen waarnemingen gewogen. De onderzoeksvragen zijn genuanceerd beantwoord. Daarbij zijn ook de ‘positief’ beschermende factoren genoemd en meegewogen. Alle betrokkenen geven aan dat het bij klager zeker niet eenduidig en eenvoudig is. Klager heeft zijn visie op de rapportage mogen geven en de visie van klager is ook (voor zover klager hier gebruik van heeft gemaakt) in de rapportage verwerkt. Klager heeft overigens wisselend gebruik gemaakt van zijn correctierecht. In zijn opmerkingen over de rapportage gaat klager erg in op de details, terwijl verweerder zijn conclusies baseert op het geheel van bevindingen. Verweerder mocht dit ook zo doen en de door klager aangevoerde (volgens hem ten onrechte buiten beschouwing gelaten ‘input’) werpt naar het oordeel van het college niet een ander licht op het geheel aan bevindingen.
Niet is komen vast te staan dat verweerders onderzoek niet voldoet aan de eisen van vakkundigheid en zorgvuldigheid. Dit betekent dat voor zover klager van mening is dat het onderzoek door verweerder wat betreft vakkundigheid en zorgvuldigheid niet de tuchtrechtelijke toets der kritiek zou kunnen doorstaan, de klacht ongegrond dient te worden verklaard.
Onderdeel B: onderliggende rapportages.
5.6. De klacht heeft betrekking op het niet verstrekken aan klager van inzage en afschrift van de bevindingen van de psychomotore therapeut en van de externe deskundige (waaronder onderzoeksresultaten van door extern deskundige afgenomen tests). Dit terwijl in de verantwoording van de onderzoeksopzet wel staat opgenomen dat “betrokkene in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van de verschillende rapportonderdelen”.
5.7. Uit de regelgeving volgt dat een verdachte recht heeft op inzage in de pro Justitia-rapportage alsmede dat hij recht heeft op het verkrijgen van een afschrift van de stukken, voor zover deze geen (privacygevoelige) gegevens van derden bevatten en het rapport de opdrachtgever reeds heeft bereikt. Tevens dient de rapporteur met de verdachte de beantwoording van de vraagstelling te bespreken. Naast een verzoek om inzage en afschrift van het rapport kan ook sprake zijn van een verzoek om inzage en afschrift van andere gegevens en stukken uit het dossier van de rapporteur. Een dergelijk verzoek dient (nadat het rapport de opdrachtgever heeft bereikt) in beginsel gehonoreerd te worden (zie de NIFP aanbevelingen voor het uitbrengen van een Pro Justitia–rapportage). Voor bij het psychologische onderzoek verzamelde testgegevens geldt een uitzondering. Volstaan kan worden met het bieden van inzage tijdens een gesprek, in combinatie met het schriftelijke eindrapport waar de uitslag van de test in beschreven staat. Persoonlijke werkaantekeningen vallen ook buiten de stukken die op aanvraag dienen te worden verstrekt aan de betrokkene.
5.8. Verweerder en de aan het PBC verbonden psychiater hebben van het gerechtshof de opdracht gekregen om een pro Justitia rapportage te vervaardigen. Zij bevestigen hun verantwoordelijkheid voor de conclusie en het advies door hun handtekening onder het rapport te zetten. De extern deskundige wordt in de opdracht van het gerechtshof niet genoemd. Zij is ingeschakeld door het PBC om als extern deskundige advies uit te brengen aan de pro Justitia-rapporteurs. Zij heeft als autisme-deskundige de vraag gekregen of er bij klager sprake was van ASS. De tests zijn afgenomen door een medewerker van de dienst ondersteuning diagnostiek (DOP). De onder 5.1 genoemde gedragscodes en richtlijnen bieden weinig houvast voor de regels omtrent inzage en afschrift van een dergelijke deelrapportage, anders dan (zoals hiervoor is overwogen) dat onderliggende rapportgegevens in beginsel verstrekt dienen te worden wanneer de rapportage de opdrachtgever (het gerechtshof) heeft bereikt, behoudens voor zover het daarbij gaat om (ruwe) psychologische testgegevens en werkaantekeningen.
5.9. Nu het college niet beschikt over de (schriftelijke) rapportage van de extern deskundige psychologe aan de pro justitia-rapporteurs, noch over de testresultaten en de werkaantekeningen van de extern deskundige, kan het college niet beoordelen in hoeverre de conclusies van de extern deskundige – zoals verweerder aanvoert - integraal zijn opgenomen in de rapportage. Evenmin kan thans nog worden nagegaan wat de pro justitierapporteurs met klager hebben besproken wat betreft haar bevindingen. Wel kan geconstateerd worden dat de weergave van de conclusies van de extern deskundige in de Rapportage zeer uitgebreid is en volledig voorkomt. Ook de door de externe deskundige naar voren gebrachte nuanceringen en twijfels zijn overgenomen. Verder is gebleken dat aan klager bij brief van 2 november 2015 is aangeboden dat hij nader informatie (niet zijnde werkaantekeningen en ruwe testuitslagen) kon opvragen bij de (nieuwe) PJ-rapporterend psycholoog. Onduidelijk is of klager dit heeft gedaan. Het college is van oordeel dat het voor de transparantie en informatievoorziening aan klager wellicht beter was geweest indien de extern deskundige haar bevindingen en conclusies in een schriftelijke deelrapportage had verwerkt, die (na verstrekking van de Rapportage aan de opdrachtgever) op zijn verzoek aan hem had kunnen worden verstrekt. Bij gebreke aan duidelijke regelgeving op dit punt is er naar het oordeel van het college echter geen sprake van een tuchtrechtelijk verwijtbaar achterhouden van informatie.
5.10. Naar het oordeel van het college heeft verweerder de observaties van de psychomotore therapeut terecht aangemerkt als werkaantekeningen (die voeding hebben geleverd aan de andere rapportonderdelen), die niet aan klager behoefden te worden verstrekt. Het betreft observaties van ondersteunende disciplines. De interpretatie van die observaties valt binnen het competentiegebied van de psychiater/psycholoog. Overigens zijn deze observaties wel met klager besproken door de psychomotore therapeut.
Conclusie van het voorgaande is, dat er op dit punt geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
C. Aanpak onderzoek en termijnen
5.11. Nu in de opdracht van het gerechtshof is omschreven wie als (aanvullend) onderzoekers werden aangewezen (te weten: verweerder en verweerster in de procedure met nummer 16/007), is niet duidelijk geworden waarom klager aan verweerder verwijt dat hij op dit punt verkeerd is voorgelicht. Verweerder kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor aan klager verstrekte informatie door derden op dit punt. Evenmin heeft klager voldoende toegelicht in welk opzicht verweerder zich (onverschoonbaar) niet heeft gehouden aan door het Gerechtshof gestelde termijnen voor het uitbrengen van de Rapportage. Dit klachtonderdeel faalt daarmee eveneens.
5.12. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder met betrekking tot de klachtonderdelen geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt ”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager is in beroep gekomen tegen de ongegrondverklaring van zijn klachten die door het Regionaal Tuchtcollege zijn ingedeeld in drie categorieën, te weten: A) inhoudelijke klachten betreffende rapportage, B) klachten met betrekking tot de gevolgde procedures en C) klachten over de aanpak van het onderzoek door het PBC. Klager heeft de volgende beroepsgronden aangevoerd: 1) de klachten zijn verkeerd benoemd door het Regionaal Tuchtcollege, 2) het Regionaal Tuchtcollege heeft zijn zaak ten onrechte in raadkamer afgedaan in plaats van na behandeling op zitting,
3) het Regionaal Tuchtcollege heeft ten onrechte overwogen dat het psychomotorisch rapport persoonlijke werkaantekeningen zijn, 4) ten onrechte is niet opgenomen dat verweerders het extern psychologisch onderzoek hebben aangemerkt als ‘persoonlijke werkaantekeningen’, 5) ten onrechte is overwogen dat de aanvullende onderbouwingen/subklachten niet werden meegewogen in de beslissing, 6) ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege de bepalingen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) niet als tuchtnorm beschouwd,
7) het Regionaal Tuchtcollege heeft ten onrechte in de beslissing aangegeven dat klager weigerde mee te werken aan een hetero-anamnese ten behoeve van het extern-psychologisch onderzoek en 8) ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege het aanvullend klaagschrift d.d. 10 januari 2016 niet beoordeeld. Het beroep strekt ertoe dat de klacht alsnog op alle onderdelen gegrond wordt verklaard. ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege het aanvullend klaagschrift d.d. 10 januari 2016 niet beoordeeld. Het beroep strekt ertoe dat de klacht alsnog op alle onderdelen gegrond wordt verklaard.
4.2 Verweerder heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt.
Gedeeltelijk gewijzigde samenstelling College
4.4 Het Centraal Tuchtcollege van de terechtzitting van 12 juni 2018 is gedeeltelijk anders samengesteld dan het College van 20 september 2017 dat de tussenbeslissing van 5 december 2017 heeft gewezen. Collegelid drs. E.D. Berkvens maakte destijds geen deel uit van het College. Dit betekent dat de zaak opnieuw diende te worden aangevangen. Met uitdrukkelijke instemming van partijen heeft het Centraal Tuchtcollege - ondanks zijn enigszins gewijzigde samenstelling - het onderzoek ter terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond.
Omvang beroep en klachtformulering
4.5 Het Centraal Tuchtcollege heeft nota genomen van klagers bezwaar ter zake van de wijze van klachtenformulering door het Regionaal Tuchtcollege. In dit verband wijst het Centraal Tuchtcollege erop dat het weliswaar aan klager is om de klacht aan te dragen, maar dat het aan de tuchtrechter is om op basis van de ingediende klacht - na een weloverwogen beoordeling - te komen tot een beslissing die voor het algemene publiek voldoende te volgen is. Immers, het Centraal Tuchtcollege is ingesteld om de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bevorderen. Dit betekent dat de tuchtrechter in voorkomende gevallen een veelheid van klachten op overzichtelijke en/of samenvattende wijze kan formuleren. Het Centraal Tuchtcollege is niet gebleken dat de klachtenformulering zoals weergegeven in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege geen recht doet aan de door klager ingediende klachten. Het Centraal Tuchtcollege zal bij de beoordeling van het beroep uitgaan van die klachtenformulering en eerst de klachtonderdelen B en C beoordelen.
4.6 Voor zover klager in zijn beroepschrift, het daarbij bijgevoegde ‘Klachtoverzicht’ en zijn ter terechtzitting overgelegde ‘Toelichting beroepschrift’ in de beroepsprocedure klachten aan de orde heeft gesteld die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest, kan klager daarin in beroep niet worden ontvangen. Het beroep strekt er immers toe het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over klachten of onderdelen daarvan ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Nieuwe klachten vallen derhalve buiten het bereik van het beroep.
4.7 Waar klager in zijn beroepschrift bezwaar heeft gemaakt tegen het opnemen in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van de zin: “ Bij het aanvullende (door het Gerechtshof verzochte) onderzoek weigerde klager om gestructureerd met verweerder in gesprek te gaan ”, miskent klager dat deze zin in de beslissing is opgenomen als weergave van het standpunt van verweerder in eerste aanleg en niet als onderdeel van de beoordeling van het Regionaal Tuchtcollege. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.
Procedurele beroepsgronden
4.8 Klager heeft in beroep aangevoerd dat het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte stukken niet bij de beoordeling heeft betrokken en de zaak ten onrechte in raadkamer heeft afgedaan. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat indien en voor zover er sprake is geweest van een tekortkoming in de behandeling van de zaak in eerste aanleg, dit inmiddels is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep. Klager heeft in beroep zowel schriftelijk als mondeling de gelegenheid gekregen datgene naar voren te brengen wat volgens hem van belang is en heeft het volgens klager onjuiste oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over de door hem ingediende klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege kunnen voorleggen. Klager heeft ter terechtzitting ook aangegeven dat zijn voorkeur nu uitgaat naar een beoordeling door het Centraal Tuchtcollege.
Juridisch kader
4.9 Artikel 7: 464 BW verklaart Afdeling 5 van Boek 7 BW van toepassing als er in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht ‘anders dan krachtens een behandelings-overeenkomst’, tenzij de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet (waaromtrent in dit geval niets is gesteld of gebleken). Psychiatrisch en psychologisch onderzoek (observatie) Pro Justitia ten behoeve van rapportage vallen onder de reikwijdte van het begrip ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ als bedoeld in artikel 7:446, lid 2 BW van Afdeling 5. Voorts zijn hier relevant de artikelen 7:454 BW (dossierplicht voor de hulpverlener) en artikel 7:456 BW (inzagerecht patiënt). Uitgezonderd de persoonlijke werkaantekeningen van de forensisch onderzoekers, maken de bij observatie verzamelde gegevens omtrent de gezondheid en behandeling van de onderzochte deel uit van het medisch dossier. Uitgangspunt van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) is dat de onderzochte een fundamenteel recht heeft op kennisname van de inhoud van zijn medisch dossier, tenzij het belang van de persoonlijke levenssfeer van een ander daaraan in de weg staat.
4.10 Daarnaast gelden voor verweerder de Wet deskundige in Strafzaken en is verweerder als gz-psycholoog in de uitoefening van zijn functie als Pro Justitia rapporteur gehouden aan diverse richtlijnen, beroepscodes en aanbevelingen:
· Beroepscode voor psychologen (NIP-code) , 2015;
· De gedragscode Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen ;
· Uitbrengen van de rapportage, Aanbevelingen voor psychiaters en psychologen
pj rapporteurs, NIFP.
· Het Forensisch Milieuonderzoek, Kaders en uitvoering, NIFP, 2012
4.11 Kennisname van het medisch dossier kan worden beperkt door eventuele lex specialis. Nu de in die regelgeving genoemde uitzonderingsgevallen zich niet voordoen, leggen de toepasselijke regels van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire Beginselenwet, de Penitentiaire maatregel of de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), behoudens het moment waarop (zie hieronder 4.20), geen beperkingen aan voor wat betreft het verstrekken van bedoelde gegevens aan klager. Daarbij moet worden bedacht dat klager, ten tijde van de gebeurtenissen waarover wordt geklaagd, nog verdachte was.
4.12 Het Centraal Tuchtcollege wijst er voorts op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing
van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het
antwoord op de vraag of verweerder met zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen
de grenzen van wat redelijkerwijs van hem als gz-psycholoog in de functie van Pro Justitia rapporteur bij het PBC kan worden verwacht.
4.13 Ook is van belang het in het tuchtrecht voor de gezondheidszorg geldende beginsel
van persoonlijke verwijtbaarheid inhoudende dat een klacht slechts gegrond kan worden
bevonden als er sprake is van persoonlijke verwijtbaarheid van de aangeklaagde ter zake
van het verweten handelen.
Klachtonderdeel B
4.14 De klachten vervat onder categorie B stellen de vraag aan de orde of zorgvuldig is gehandeld jegens klager voor wat betreft de mondelinge bespreking, het bieden van inzage
en het verstrekken van afschrift van de medische gegevens van de aan de Pro Justitia
rapportage d.d. 27 augustus 2015 ten grondslag liggende deelonderzoeken.
Bespreking, inzage en afschrift van psychologisch rapport van F..
4.15 Klager klaagt erover dat het deelrapport van F. niet met hem is besproken
en hem geen inzage is verleend. Deze stelling van klager wordt ondersteund door de brief
van F. van 16 april 2016 waarin zij zelf aangeeft dat zij haar rapport nooit in persoon
met klager heeft besproken en zij geen persoonlijk inzagemoment met klager heeft gehad. Verweerder heeft echter aangevoerd dat de bevindingen van het onderzoek van F.
wel met klager zijn besproken en dat de conclusie van het rapport van F. als onderdeel
van het aanvullend rapport van 27 augustus 2015 ter inzage aan klager is voorgelegd, maar
dat hij daarvan geen kennis wenste te nemen. Klager heeft hierop niet meer gereageerd.
Onder deze omstandigheden kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen welke van beide lezingen het meest aannemelijk is. Dit betekent dat de klacht dat het deelrapport van
F. niet met hem is besproken en hem geen inzage is verleend ongegrond moet worden verklaard.
4.16 Het Centraal Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen dat aan klager (uiteindelijk) een afschrift is verstrekt van het deelrapport van F.. Klager heeft daarom wel verzocht, zo blijkt uit de e-mail van zijn raadsman van 23 oktober 2015 aan de stafjurist van het PBC. Klagers gemachtigde is daarop bij brief van 2 november 2015 door het PBC in de gelegenheid gesteld de rapportage - voor zover niet betreffende ruwe testgegevens bij de nieuwe PJ-rapporterend psycholoog op te vragen. Niet gebleken is dat klager of diens gemachtigde hieraan gevolg heeft gegeven. In ieder geval kan onder deze omstandigheden niet aan verweerder worden tegengeworpen dat hij klager het gevraagde afschrift niet heeft verstrekt. Dat aan klager niet de ruwe testgegevens van de psychologische test zijn verstrekt kan verweerder evenmin worden tegengeworpen. Op grond van de Wbp behoeven deze gegevens in beginsel niet te worden verstrekt, hetgeen (aan de raadsman van) klager is bericht bij eerdergenoemde brief van 2 november 2015.
Het psychomotorisch rapport.
4.17 Waar klager erover heeft geklaagd dat het psychomotorisch rapport niet met hem is besproken en hem geen inzage is verleend, stuit dit af op klagers eigen - en onweersproken gebleven - verklaring dat de psychomotorische therapeut na afloop van elke psychomotorische sessie een nagesprek met hem hield en dat psychomotorische therapeut aan het eind van zijn onderzoek zijn conceptrapport ter inzage aan klager heeft verstrekt. Volgens klager mocht hij op- en aanmerkingen maken en vertelde de psychomotorisch therapeut klager dat de definitieve versie niet veel zou afwijken.
Niet in geschil is dat aan klager geen afschrift is verstrekt van het deelrapport van de psychomotorisch therapeut. Klager heeft daarom wel verzocht, zo blijkt uit de e-mail van zijn raadsman van 23 oktober 2015. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat geen afschrift behoefde te worden verstrekt, omdat binnen het PBC de gevraagde observatiegegevens als werkaantekeningen dienen te worden geduid en derhalve geen onderdeel uitmaken van het medisch dossier van klager.
4.18 Het Centraal Tuchtcollege verwerpt dit verweer. Het gevraagde afschrift van het psychomotorische rapport voldoet niet aan de KNMG-definitie van persoonlijke werkaantekeningen, als bedoeld in de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ onder 6.3, nu deze gegevens met anderen, waaronder klager, zijn gedeeld.
4.19 Waar verweerder heeft betoogd dat binnen de forensische setting een andere definitie van werkaantekeningen wordt gehanteerd, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat in het onderhavige geval de wijze waarop de psychomotorisch therapeut zijn deelonderzoeksgegevens aan klager heeft gepresenteerd - tonen conceptrapportage - niet de indruk van ‘werkaantekeningen’ zijn gewekt, maar veeleer die van een zelfstandig deelonderzoek. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege maken de psychomotorische gegevens in het onderhavige geval in beginsel dan ook deel uit van het medisch dossier. Onder deze omstandigheden acht het Centraal Tuchtcollege geen termen aanwezig op grond van de WGBO of de Wbp om klager een afschrift van deze gegevens te onthouden, zeker nu de informatie enkel betrekking heeft op de persoon van klager. Dit echter wel met dien verstande dat de verstrekking aan klager eerst kon geschieden nadat de aanvullende Pro Justitia-rapportage aan de opdrachtgever, het gerechtshof, was verstrekt
4.20 Het Centraal Tuchtcollege acht het onwenselijk dat er binnen de forensische setting kennelijk een andere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘werkaantekeningen’ en daarmee aan regels omtrent het medisch dossier, zonder dat daar regelgeving aan ten grondslag ligt die voor onderzochten kenbaar is. Duidelijk is dat verweerder gehandeld heeft zoals te doen gebruikelijk in het PBC. Gelet op voormelde onduidelijkheid acht het Centraal Tuchtcollege het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder (al dan niet via het PBC) niet gezorgd heeft voor een afschrift aan klager. Op dit punt is aanscherping van de binnen het PBC gehanteerde regels dringend gewenst.
Klachtonderdeel C
4.21 Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de stukken en hetgeen door partijen over en weer ter terechtzitting in beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de klachten vervat in categorie C tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege.
4.22 In aanvulling daarop overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Verweerder heeft bij brief van 5 februari 2015 van het gerechtshof opdracht gekregen om samen met een co-rapporteur (gz-psycholoog E.) een aanvullende rapportage uit te brengen over klager. Daarbij is aan verweerder geen einddatum voor rapportage bepaald. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat verweerder niet tijdig heeft gerapporteerd of zich niet heeft gehouden aan de gedragscode Nederland Register Gerechtelijk Deskundigen . De periode vanaf de PBC opname van klager tot en met het uitbrengen van het aanvullende rapport (2 juni 2015 t/m op 27 augustus 2015) acht het Centraal Tuchtcollege niet onzorgvuldig lang, mede gelet op het gegeven dat bij de rapportage tevens een deelrapport van de externe psychologe F. diende te worden betrokken. Waar klager heeft aangegeven dat hij (te) lange tijd in het ongewisse is gelaten over hoe en wanneer het PBC invulling zou geven aan de opdracht van het gerechtshof, kan verweerder hiervoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden, nu hij geen bemoeienis heeft gehad bij organisatie van het onderzoek door het PBC. Het Centraal Tuchtcollege acht deze klachten - evenals het Regionaal Tuchtcollege - ongegrond.
Klachtonderdeel A
4.23 Wat betreft de klachten vervat in klachtonderdeel A acht het Centraal Tuchtcollege zich nog onvoldoende ingelicht. De stukken en hetgeen door partijen ter terechtzitting van
12 juni 2018 nog naar voren is gebracht geven ambtshalve aanleiding om klinisch psycholoog F. als getuige te horen. Zo is ter terechtzitting gebleken dat er meer dan één versie van het rapport van F. in omloop is geraakt. Klager heeft ter terechtzitting verzocht om F. te horen. In zoverre wordt het verzoek van klager dan ook gehonoreerd.
4.24 De zaak zal daartoe tot een nader vast te stellen datum en tijdstip worden aangehouden. Het Centraal Tuchtcollege zal op grond van artikel 74 lid 2 Wet BIG juncto artikel 66 lid 2 en 6 Wet BIG een (aanvullend) vooronderzoek gelasten en
mr. J.M. Rowel-van der Linde opdragen om F. als getuige te horen over het door haar uitgebrachte externe psychologisch rapport d.d. 6 mei 2015. Daarbij staat met name de vraag centraal of F. haar oorspronkelijk aan de psychiater en haar co-rapporteur (gz-psycholoog E.) uitgebrachte rapport naderhand op onderdelen heeft gewijzigd en – zo ja – waarom dat is gebeurd.
4.25 Nadien zal de behandeling van de zaak worden voortgezet in het stadium waarin de behandeling van de zaak zich bevond toen deze op de terechtzitting van 12 juni 2018 werd gesloten.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
houdt de zaak aan tot een nader vast te stellen datum en tijdstip met het hiervoor onder 4.24 en 4.25 vermelde doel.
Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr.drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. M.P. den Hollander , leden-juristen en drs. E.D. Berkvens en drs. M.A.J. Hagenaars, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 21 augustus 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.