ECLI:NL:TGZCTG:2018:227 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.101

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:227
Datum uitspraak: 05-07-2018
Datum publicatie: 27-07-2018
Zaaknummer(s): c2018.101
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen psychiater. Klager, geboren in 1925, is onder andere bekend met een cognitieve stoornis met gedragsverandering. Klagers zoon belde in mei 2017 met de SEH omdat de thuissituatie van klager onhoudbaar was geworden, waarna klager op de SEH werd onderzocht. De behandelend geriater vroeg de psychiater te beoordelen of er een indicatie bestond voor gedwongen opname. De psychiater concludeerde dat hiervan sprake was en gaf een geneeskundige verklaring af. Klager werd vervolgens overgeplaatst naar een bejaardentehuis. Klager is van mening dat de psychiater zich beter had moeten verdiepen in de oorzaak van zijn klachten alvorens hem gedwongen op te laten nemen. Dan had de psychiater kunnen constateren dat klagers situatie het gevolg was van een delier als gevolg van klagers blaasontsteking en was klager een gedwongen opname bespaard gebleven. Klager verwijt de psychiater: 1) dat hij klager ten onrechte gedwongen heeft laten opnemen, en; 2) dat hij medisch onzorgvuldig en ondeskundig heeft gehandeld. Het RTG heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het RTG en verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.101 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

bijgestaan door C.,

tegen

D., psychiater, werkzaam te E., verweerder in beide instanties,

bijgestaan door M.C. Hazenberg.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 19 juni 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen, tegen D. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 7 november 2017, onder nummer 319/2016, heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift ingediend. De klacht is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 juli 2018, waar is verschenen de psychiater, bijgestaan door mr. Hazenberg. Klager en zijn gemachtigde zijn, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet verschenen.

Het Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van de mondelinge behandeling, na beraadslaging in raadkamer, in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Hetgeen hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.  

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

"2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Verweerder is werkzaam als psychiater in het F. (hierna: het ziekenhuis). Hij beschikt sinds 2015 over een ‘Interne Aantekening Ouderenpsychiatrie’.

2.2

Klager, geboren op 16 december 1925, is onder andere bekend met een cognitieve stoornis met gedragsverandering. De gemachtigde van klager, tevens zijn zoon, belde op 15 mei 2017 met de Spoedeisende Hulp (hierna: SEH) van het ziekenhuis, omdat de thuissituatie van klager volgens hem onhoudbaar was geworden. Klager werd vervolgens per ambulance overgebracht naar het de SEH van het ziekenhuis, alwaar hij werd onderzocht. De behandelend geriater vroeg verweerder te beoordelen of er een indicatie bestond voor gedwongen opname. Verweerder concludeerde dat hiervan sprake was en gaf een geneeskundige verklaring af. Deze werd voorgelegd aan de burgemeester van G. die – na overleg met verweerder over de situatie – een beschikking inhoudende een last tot inbewaringstelling (IBS) heeft afgegeven. Klager werd vervolgens overgeplaatst naar het verpleeghuis H. te I., alwaar hij drie weken opgenomen is geweest. Klager is daarna overgeplaatst naar een bejaardentehuis.

3. De klacht

3.1

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Klager had in mei 2017 last van zijn onderlijf. Zijn zoon belde hierover met de huisarts, die zei dat de klachten wellicht het gevolg waren van stress en zenuwen, veroorzaakt doordat klagers vrouw ernstig ziek en opgenomen was. De klachten bleven aanhouden en enkele dagen later werd bij klager een blaasontsteking geconstateerd, waarvoor hij antibiotica kreeg. Weer een paar dagen later begon klager dingen te zien die er niet waren en praatte hij verward. Volgens de thuiszorg zou dit het gevolg van een delier kunnen zijn, wat wel vaker voorkomt bij oudere mensen met een blaasontsteking. Volgens de dokterswacht was dit echter niet het geval en zouden de klachten vanzelf weer moeten overgaan. Dit gebeurde echter niet. Op 15 mei 2017 heeft klagers zoon 112 gebeld en werd klager opgenomen op de SEH van het ziekenhuis. Vervolgens werd zonder overleg met zijn zoon zomaar besloten dat klager gedwongen opgenomen zou worden in een verpleeghuis. Daar heeft klager drie weken lang tussen demente patiënten gezeten. Hij heeft hier verschrikkelijke dingen meegemaakt, waardoor zijn situatie eerder is verslechterd dan verbeterd. Klager heeft nog steeds nare dromen van deze periode. Ook de medewerkers van het verpleeghuis gaven aan dat klager daar eigenlijk niet thuishoorde. Klager is van mening dat verweerder zich beter had moeten verdiepen in de oorzaak van zijn klachten alvorens hem gedwongen op te laten nemen. Dan had verweerder  kunnen constateren dat klagers situatie het gevolg was van een delier en was klager een gedwongen opname bespaard gebleven.   

Klager verwijt verweerder:

1. dat hij klager ten onrechte gedwongen heeft laten opnemen en

2. dat hij medisch onzorgvuldig en ondeskundig heeft gehandeld.

4. Het verweer

4.1

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Op 15 mei 2017 werd klager opgenomen op de SEH in het ziekenhuis, alwaar hij werd behandeld door een verpleegkundige, enkele SEH-artsen en een geriater. De behandelend geriater oordeelde dat er geen medische noodzaak was tot opname. Daarnaast stelde zij vast dat de thuissituatie van klager compleet vastliep. Om die reden vroeg zij verweerder in consult om te beoordelen of er een indicatie was voor inbewaringstelling. Verweerder concludeerde dat er sterke aanwijzingen waren voor een cognitieve stoornis gepaard gaande met overzichtsverlies, paranoïde wanen, dysforie en een onhoudbare thuissituatie. Verweerder besloot na overleg met een ouderenpsychiater een geneeskundige verklaring af te geven op basis waarvan de burgemeester een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven. Enkele dagen hierna vond er een tweede toetsing plaats door de rechtbank. De rechtbank heeft de IBS verlengd. 

4.1.1 Aangaande het eerste klachtonderdeel

Verweerder verwijst naar artikel 20 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Dit artikel bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende: 

Lid 1. De burgemeester kan in het geval, bedoeld in het tweede lid, bij beschikking last geven dat een persoon die zich in zijn gemeente bevindt, gedurende de periode, benodigd voor de toepassing van artikel 27, in bewaring wordt gesteld, indien deze persoon twaalf jaar of ouder is en geen blijk geeft van de nodige bereidheid zich in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen dan wel een van de andere omstandigheden, bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid, zich voordoet. De burgemeester kan de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, delegeren aan een wethouder.

Lid 2. De burgemeester kan slechts last geven tot inbewaringstelling als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel

a. de betrokkene gevaar veroorzaakt,

b. het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene het gevaar doet veroorzaken,

c. het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat toepassing van paragraaf 1 van dit hoofdstuk niet kan worden afgewacht, en

d. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

(…)

Niet verweerder als psychiater, maar de burgemeester is derhalve bevoegd om iemand gedwongen te laten opnemen. Het is dus niet juist dat verweerder klager gedwongen heeft laten opnemen. Overigens ziet verweerder het feit dat de rechtbank de IBS heeft verlengd als een bevestiging van het feit dat zijn beoordeling van de situatie juist is geweest. Voor zover klager met dit klachtonderdeel heeft willen stellen dat verweerder ten onrechte een geneeskundige verklaring heeft afgegeven, betwist verweerder nadrukkelijk de juistheid van deze stelling. Voor de onderbouwing verwijst verweerder naar zijn reactie op het tweede klachtonderdeel (zoals weergegeven onder 4.1.2). 

4.1.2 Aangaande het tweede klachtonderdeel

Verweerder heeft een geneeskundige verklaring opgesteld op basis van feiten uit het medisch dossier, zijn eigen waarneming tijdens het onderzoek van klager en op basis van de verkregen informatie uit de gesprekken die hij heeft gevoerd met de huisarts van klager, de behandelend geriater en de ouderenpsychiater.  Verweerder heeft onderzocht of er sprake was van een stoornis, of er causaal verband bestond tussen een stoornis en gevaar, of er geen andere, minder ingrijpende weg was dan gedwongen opname en of de patiënt niet vrijwillig kon worden opgenomen. Hij is hierbij deskundig en zorgvuldig te werk gegaan en heeft gehandeld binnen de ethische, professionele, maatschappelijke en wettelijke kaders. Hierbij heeft verweerder de beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid in acht genomen. Zoals uit het medisch dossier volgt, is er bij klager sinds 2014 sprake van een cognitieve stoornis. Verweerder heeft voorts vastgesteld dat er bij klager sprake was van gevaar, waaronder verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, agressie naar anderen en een bovenmatig hoge zorgconsumptie. Ook ontbrak het klager tijdens het onderzoek aan ziektebesef, reflectief vermogen op eigen handelen. Zonder interventie zou het eerder vastgestelde gevaar weer optreden als klager naar huis zou gaan, wat hij op dat moment wilde. Om deze redenen achtte verweerder geen andere, minder ingrijpende weg dan gedwongen opname aanwezig.

5. Beoordeling van de klacht

5.1

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2 Aangaande het eerste klachtonderdeel

Het college benadrukt allereerst dat – zoals verweerder ook reeds heeft gesteld – het inderdaad niet verweerder is geweest die heeft besloten dat klager gedwongen moest worden opgenomen, maar de burgemeester. De vraag die in het kader van dit klachtonderdeel dan ook moet worden beantwoord, is of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld met het afgeven van zijn geneeskundige verklaring. Die vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Verweerders stellingen omtrent de situatie waarin klager verkeerde, vinden steun in het medisch dossier. De overwegingen op basis waarvan verweerder vervolgens tot zijn geneeskundige verklaring is gekomen, ontmoeten geen bedenkingen bij het college. Ook overigens ziet het college geen aanleiding om klager te volgen in zijn stelling dat verweerder ten onrechte een geneeskundige verklaring zou hebben afgegeven. Het eerste klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

5.3 Aangaande het tweede klachtonderdeel

Naar het college begrijpt, verwijt klager verweerder ‘onzorgvuldig en ondeskundig medisch handelen’, doordat verweerder bij klager een delier over het hoofd zou hebben gezien. Klager stelt dat als verweerder zijn medische situatie beter had ingeschat, klager niet gedwongen opgenomen zou zijn geweest. Zoals het college onder 5.2 reeds heeft overwogen, zijn er in het dossier geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat verweerder niet tot het afgeven van de geneeskundige verklaring had mogen komen. Dat verweerder medisch onzorgvuldig dan wel ondeskundig zou hebben gehandeld, is evenmin gebleken. Hierbij verdient nog te worden opgemerkt dat verweerder ten tijde van zijn beoordeling van klager ervan op de hoogte was dat er bij klagers huisarts, de GGZ en de thuiszorg al langere tijd zorgen bestonden ten aanzien van de situatie van klager. Deze zorgen kunnen onmogelijk allemaal gerelateerd worden aan een eventueel delier in mei 2017. Een en ander betekent dat ook het tweede klachtonderdeel kennelijk ongegrond is."

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten weergegeven in overweging 2. "Vaststaande feiten" van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de psychiater nog een keer aan de tuchtrechter voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen.

4.2       De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                               verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door:  A.D.R.M. Boumans, voorzitter, R. Prakke-Nieuwenhuizen en

A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en I.A. de Boer en M.C. ten Doesschate, leden-beroepsgenoten en A.R. Sijses, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2018.

                        Voorzitter  w.g.                                   Secretaris   w.g.