ECLI:NL:TGZCTG:2018:226 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.499
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:226 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-07-2018 |
| Datum publicatie: | 27-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.499 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. De psychiater was de behandelaar van klagers (inmiddels ex-) vriendin (verder: patiënte). Klager heeft de psychiater medio oktober 2016 ongevraagd een brief geschreven waarin hij zijn zorgen uitte over het gedrag van zijn ex-vriendin. Deze brief was door klager niet als vertrouwelijk aangemerkt. Op 5 januari 2017 heeft klager verweerder nogmaals een brief geschreven over zijn ex-vriendin die hij wel als vertrouwelijk heeft aangemerkt. De psychiater heeft beide brieven aan zijn patiënte gegeven. De patiënte heeft de brieven gebruikt bij haar aangifte van stalking door klager. Klager verwijt de psychiater dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden doordat hij zonder klagers toestemming de door klager aan verweerder geschreven brieven aan klagers ex-vriendin heeft gegeven. Het RTG heeft vastgesteld dat tussen klager en de psychiater geen behandelrelatie bestond. De bemoeienis van klager met de zorgrelatie tussen de psychiater en patiënte verdient geen bescherming in de zin dat hij gerechtigd zou zijn om een tuchtklacht in te dienen tegen de psychiater nu de patiënte gedurende twee maanden een relatie heeft gehad met klager en die relatie, toen patiënte bij de psychiater in behandeling kwam, reeds een maand voorbij was. Het handelen van verweerder waar de klacht op ziet heeft geen betrekking op het belang van de individuele gezondheidszorg en klager kan daarom evenmin als klachtgerechtigd worden aangemerkt op grond van de tweede tuchtnorm. Het RTG verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep, nu de aanvullende gronden van het beroep buiten de termijn zijn ingekomen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep omdat de gronden van het beroep niet binnen de gestelde termijn zijn aangevuld. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.499 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., psychiater, werkzaam te D. en E., verweerder in beide instanties, bijgestaan door W.R. Kastelein, advocaat te Zwolle.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 22 december 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 7 november 2017, onder nummer 319/2016, heeft laatstgenoemd College klager niet‑ontvankelijk verklaard in zijn klacht.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift ingediend.
De klacht is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 juli 2018, waar is verschenen de psychiater, bijgestaan door
mr. Kastelein. Klager is, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet verschenen.
Het Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van de mondelinge behandeling, na beraadslaging in raadkamer, in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Hetgeen hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
"2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Verweerder was de behandelaar van klagers (inmiddels ex-) vriendin, verder patiënte te noemen. Klager heeft verweerder medio oktober 2016 ongevraagd een brief geschreven waarin hij zijn zorgen uitte over het gedrag van zijn ex-vriendin. Deze brief was door klager niet als vertrouwelijk aangemerkt. Verweerder heeft de brief aan zijn patiënte gegeven. Klager heeft op 22 december 2016 een tuchtklacht tegen verweerder ingediend. Op 5 januari 2017 heeft klager verweerder nogmaals een brief geschreven over zijn ex-vriendin die hij als vertrouwelijk had aangemerkt. Ook deze brief heeft verweerder aan zijn patiënte gegeven. Patiënte heeft de brieven gebruikt bij haar aangifte van stalking door klager.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden doordat hij zonder klagers toestemming de door klager aan verweerder geschreven brieven aan klagers ex-vriendin heeft gegeven.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert primair -zakelijk weergegeven- aan dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht en subsidiair dat de klacht ongegrond is. Verder acht verweerder zich niet vrij om zonder toestemming van patiënte nader in te gaan op de redenen die hij heeft gehad om de brieven aan zijn patiënte te verstrekken.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hem toegezonden brieven niet onder zijn beroepsgeheim vielen, wegens het ontbreken van een arts-patiëntrelatie. Voor zover het college daar anders over zou oordelen stelt verweerder zich op het standpunt dat hij de brieven niet geheim kon houden voor zijn patiënte in het kader van de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen verweerder en patiënte.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt het college het volgende.
Op grond van artikel 47 lid 1 onder a van de wet BIG is verweerder - kort gezegd - onderworpen aan tuchtrechtspraak terzake van handelen ten opzichte van de patiënt of de naaste betrekkingen van patiënt.
5.2
Onweersproken is dat er nooit een behandelrelatie tussen klager en verweerder is geweest. De ex-vriendin van klager was de patiënt van verweerder. Klager is dus niet op de grond dat hij patiënt was als klachtgerechtigd aan te merken.
5.3
Dan komt de vraag aan de orde of klager kan worden aangemerkt als naaste betrekking van patiënte. Het gaat hier niet om een klacht namens patiënte, die de meest naast betrokkene kan indienen, maar een klacht die de klager zelf betreft en gaat over het handelen van verweerder jegens hem.
5.4
Naar het oordeel van het college moet de vraag of een klager in naaste betrekking staat tot de patiënt materieel worden beoordeeld. De formele relatie tussen patiënte en klager kan daarbij natuurlijk wel een grote rol spelen, maar is niet doorslaggevend. Beoordeeld moet worden of de aard van de relatie tussen klager en patiënte meebrengt dat de klager als naaste betrekking moet worden aangemerkt. Daarover heeft verweerder ter zitting verklaard dat zijn patiënte gedurende twee maanden een relatie heeft gehad met klager en dat die relatie, toen zij bij verweerder in behandeling kwam, een maand voorbij was. Onder deze omstandigheden kan de positie van klager in het leven van patiënte niet worden aangemerkt als een naaste betrekking. De bemoeienis van klager met de zorgrelatie tussen verweerder en patiënte verdient dus geen bescherming in de zin dat hij gerechtigd zou zijn om een tuchtklacht in te dienen tegen verweerder.
5.5
Klager kan evenmin als klachtgerechtigd worden aangemerkt op grond van de in artikel 47 lid 1 onder b van de wet BIG genoemde norm (de tweede tuchtnorm). Op grond van dat artikel zijn beroepsbeoefenaren onderworpen aan de tuchtrechtspraak ter zake van enig ander handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de gezondheidszorg. Die norm betreft volgens de toelichting gedragingen die niet door de eerste tuchtnorm worden bestreken maar niettemin in strijd zijn met het algemeen belang gelegen in een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Nu het handelen van verweerder waar de klacht op ziet geen betrekking heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg kan klager daarom evenmin als klachtgerechtigd worden aangemerkt op grond van de tweede tuchtnorm.
5.6
De conclusie is dan ook dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht. "
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten weergegeven in overweging 2. "De feiten" van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Het beroepschrift bevat niet de gronden van beroep zoals vereist ingevolge artikel 73 lid 2 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) in verbinding met artikel 19 Tuchtrechtbesluit BIG. Aan klager is bij brief van 8 december 2017 de gelegenheid geboden de gronden van het beroep schriftelijk aan te vullen. Klager is in de laatstgenoemde brief meegedeeld dat de aanvullende gronden uiterlijk op 5 januari 2018 door het Centraal Tuchtcollege moeten zijn ontvangen. De aanvullende gronden van het beroep zijn eerst op 24 januari 2018 bij het Centraal Tuchtcollege binnengekomen. Het Centraal Tuchtcollege heeft, nadat de psychiater in de gelegenheid is gesteld zijn verweerschrift in te dienen, aanleiding gezien een mondelinge behandeling te gelasten, mede teneinde klager in de gelegenheid te stellen de redenen van het overschrijden van de termijn voor het indienen van de aanvullende gronden van het beroep toe te lichten. Klager heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4.2 Nu de gronden van het beroep niet binnen de gestelde termijn zijn aangevuld moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet voldoet aan de daaraan in de wet gestelde eisen en dat klager niet in het beroep kan worden ontvangen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: A.D.RM. Boumans, voorzitter, R. Prakke-Nieuwenhuizen en
A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en I.A. de Boer en M.C. ten Doesschate, leden-beroepsgenoten en A.R. Sijses, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.