ECLI:NL:TGZCTG:2018:224 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.018

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:224
Datum uitspraak: 24-07-2018
Datum publicatie: 25-07-2018
Zaaknummer(s): c2018.018
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen bedrijfsarts. Klager is werkzaam als trambestuurder. Na een ziekmelding is hij gezien door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft ingezet op situationele arbeidsongeschiktheid. Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij A) heeft verzuimd advies in te winnen en medische informatie op te vragen bij de behandelend specialist, B) dat hij het verhaal van klager niet serieus heeft genomen en de door klager meegebrachte foto’s niet heeft bestudeerd, C) dat hij pas op 8 juni 2016 beperkingen heeft vastgesteld en heeft geweigerd de beperkingen met terugwerkende kracht per 26 mei 2016 te noteren, D) dat hij de werkgever van klager volgt en daarom geen urenbeperking heeft opgelegd ten aanzien van aangepaste werkzaamheden, E) dat hij het deskundigenoordeel van het UWV gebruikt om zijn standpunt en het standpunt van werkgever te rechtvaardigen ondanks dat de werkgever verkeerde, niet bestaande, stukken in het geding heeft gebracht bij het UWV, F) dat klager door het handelen van verweerder in conflict is geraakt met zijn werkgever en G) dat hij klager niet heeft verwezen naar de bedrijfspsycholoog. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.018 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., bedrijfsarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. N.M.H. Hoekstra, jurist verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht

1.               Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 9 juni 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C.- hierna de bedrijfsarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 9 januari 2018, onder nummer 2017-131, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.

De bedrijfsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 juni 2018, waar zijn verschenen klager en de bedrijfsarts, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. N.M.H. Hoekstra voornoemd. Partijen hebben hun standpunten over en weer bepleit.

2.               Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2.       De feiten

2.1            Klager werkt als trambestuurder bij D. in B.. Verweerder is bedrijfsarts

bij onder andere D..

2.2       Klager is sinds 2003 bekend met colitis ulcerosa.

2.3       Op 25 mei 2016 heeft klager zich bij zijn werkgever ziek gemeld. Op 26 mei 2016 heeft verweerder klager gezien. Verweerder heeft over dit consult in het medisch dossier genoteerd:

“CR/ervaart veel druk vanuit leiding, daardoor afnemende aandacht. Ziekgemeld

Discussie over op allerlaatste moment vrij geven zonder dat aan betr. te melden. Eerdere afgesproken dat hij daarover dan gebeld zou moeten worden. Sindsdien geescaleerd, gevoel van druk, onrustig, af en toe rectaal bloedverlies (bekend met colitis ulcerosa, neemt daarom Morgen gesprek met E. en F.. Doel is zaak op te lossen met elkaar (‘sussen’).”

2.4       Van dit gesprek heeft verweerder een terugkoppelingsverslag aan de werkgever verstrekt, dat luidt:

“(…) Hij heeft beperkingen op het vlak van optimale concentratie en hanteren van druk en stress. Deze beperkingen zijn echter geen gevolg van een onderliggende ziekte, maar van de spanning zoals hij die ervaart in zijn werkrelatie.

Ik adviseer de STECR richtlijn bij arbeidsconflicten hier te volgen. Dat wil zeggen een korte time-out, en die tijd gebruiken om de onderliggende knelpunten met elkaar op te lossen.

Ik begrijp van G. dat er al een gesprek gepland is met dit doel. (…)

Vervolgafspraken

Gelet op de afwezigheid van ziekte of gebrek is een vervolgafspraak met ondergetekende niet nodig.”

2.5       Op 1 juni 2016 heeft verweerder klager weer gezien, op initiatief van klager. Verweerder heeft hierover in het medisch dossier genoteerd:

“discussie gehad over hersteldag. Dacht woensdag 1/6, werd op dinsdag 31/5 gebeld dat hij vermist was.

Plan/advies: D. draagt bij aan zoveel mogelijk helder communicatie (afspraken) en betr. wordt geadviseert zich te versterken.

pers/inflexibel? Kan niet goed relativeren!

(…)

NB voelde zich de dagen na vorig gesprek juist uitstekend. Goed geslapen, lekker gegeten, voelde zich sterk. (…)”

Van dit consult heeft verweerder geen terugkoppeling verzonden aan de werkgever.

2.6       Op 2 juni 2016 heeft klager een gesprek gehad met zijn werkgever, waarbij aanwezig waren de leidinggevende, de bedrijfsjurist en de bedrijfscontactman van de FNV. Klager heeft zich aan het einde van dit gesprek op 2 juni 2016 ziek gemeld.

2.7       Vervolgens heeft verweerder klager gezien op zijn spreekuur van 8 juni 2016. Van dat consult heeft hij een terugkoppelingsverslag aan de werkgever verzonden, met de navolgende inhoud:

“(…) Er is nu sprake van beperkingen: afgenomen aandacht en concentratie en het niet goed kunnen hanteren van druk en stress.

Daarmee is het uitvoeren van zijn werk als bestuurder tram mogelijk niet veilig mogelijk.

Aangepast werk, waarbij de genoemde beperkingen minder van belang zijn, kan hij natuurlijk uitvoeren. Het in de nabijheid hebben van een beschikbaar toilet is daarbij ook een voorwaarde.

Er is een duidelijke relatie tussen zijn huidige beperkingen en de spanning in de werkrelatie zoals hij die ervaart. (…)”

2.8       Vervolgens heeft D. bij brief van 9 juni 2016 aan klager bericht dat zij klager tijdelijk niet zal inzetten als trambestuurder en dat hij vanaf 10 juni 2016 vervangende werkzaamheden kan verrichten als medewerker klantenservice op het H.. Verder heeft D. klager een officiële waarschuwing gegeven omdat klager zich niet tijdig en duidelijk ziek heeft gemeld conform het verzuimprotocol. Ten slotte heeft zij mediation voorgesteld.

2.9       Op 15 juni 2016 is klager wederom bij verweerder op het spreekuur gekomen. Van dit consult heeft verweerder de volgende terugkoppeling aan de werkgever verzonden:

“(…) Mijn weging van zijn mogelijkheden is conform mijn voorlaatste uitsparrk: geschikt voor aangepast werk, waarbij aandacht en concentratie niet optimaal hoeven te zijn, en waar een beschikbaar toilet in zijn nabijheid is. Een urenbeperking is daarbij nadrukkelijk niet aan de orde.

A. is het met dit laatste niet eens. Ik heb hem aangegeven dit dan ook met UWV op te nemen (er loopt reeds een deskundigenoordeel)

Zijn beperkingen zijn overigens vooral het gevolg van de spanning zoals hij die ervaart in de arbeieddsrelatie. Het is daarom van belang deze oorzaak zo snel mogelijk weg te nemen. Hij heeft daarin zelf verschillende opties, we hebben die ook besproken. (…)”

2.10     Klager heeft een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd met de vraag-stelling of hij per 1 juni 2016 geschikt was voor zijn eigen werk. In de in dat kader opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV d.d. 11 juli 2016 luidt de conclusie dat klager per geschildatum 1 juni 2016 niet geschikt is te achten voor het eigen werk in de volle omvang. Die conclusie is gebaseerd op de overweging dat klager beperkt is in het uitvoeren van de taak van trambestuurder als gevolg van een verminderde concentratie en alertheid en dat hij daarnaast energetisch beperkt is in het verrichten van fysiek en mentaal inspannende werkzaamheden.

2.11     Klager heeft op 26 oktober 2016 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd, met de vraagstelling: “ben ik in staat om de door werkgever aangeboden vervangende werkzaamheden voor 8 uur per dag te doen”. In het kader van dit deskundigenoordeel heeft de arbeidsdeskundige van het UWV op 17 januari 2017 gerapporteerd en geconcludeerd dat de door de werkgever aangeboden arbeid passend is. Onder het kopje ‘arbeidskundige oordeelsvorming’ staat daaromtrent vermeld:

“(…) Zowel de bedrijfsarts als de verzekeringsarts hebben aangegeven dat er geen sprake is van een urenbeperking voor werknemer. Er zijn alleen beperkingen aangegeven ten aanzien van concentratie en altertheid en energetisch beperkt in het verrichten van fysiek zware en mentaal inspannende werkzaamheden. Gelet op de belastbaarheid in de aangeboden werkzaamheden en op het feit dat werknemer de mogelijkheid kreeg van werkgever om zijn rustmomenten zelf te bepalen, weliswaar in overleg met zijn collega’s en leidinggevende, is er geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid. (…) Nu er geen urenbeperking aan de orde is en werknemer voldoende rustmomenten, naar eigen inzicht, kan nemen in het werk is het werk passend voor 8 uur per dag.”

3.         De klacht

Klager verwijt verweerder, zakelijk weergegeven:

A.               dat hij heeft verzuimd advies in te winnen en medische informatie op te vragen

bij de behandelend specialist;

B.               dat hij het verhaal van klager niet serieus heeft genomen en de door klager

meegebrachte foto’s niet heeft bestudeerd;

C.               dat hij pas op 8 juni 2016 beperkingen heeft vastgesteld en heeft geweigerd de

beperkingen met terugwerkende kracht per 26 mei 2016 te noteren;

D.              dat hij de werkgever van klager volgt en daarom geen urenbeperking heeft

opgelegd ten aanzien van aangepaste werkzaamheden;

E.               dat hij het deskundigenoordeel van het UWV gebruikt om zijn standpunt en het

standpunt van werkgever te rechtvaardigen ondanks dat de werkgever verkeerde, niet bestaande, stukken in het geding heeft gebracht bij het UWV;

F.               dat klager door het handelen van verweerder in conflict is geraakt met zijn

werkgever;

G.        dat hij klager niet heeft verwezen naar de bedrijfspsycholoog.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.2       De klachtonderdelen A en B hebben de strekking dat verweerder de lichamelijke klachten van klager niet serieus heeft genomen. Ondanks het verzoek daartoe van klager heeft verweerder geen contact opgenomen met de behandelende sector en bovendien heeft verweerder geweigerd de foto’s van de ontlasting van klager te bekijken. Daarover wordt het volgende overwogen. Verweerder wist dat klager bekend is met colitis ulcerosa. Daarvan bevond zich reeds documentatie in het dossier. In het dossier was ook vastgelegd dat conflictsituaties de lichamelijke klachten in het verleden hebben doen toenemen. Klager heeft aan verweerder bij het consult op 26 mei 2016 verteld wat op dat moment zijn lichamelijke klachten waren, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard. Dat betrof darmbloedingen (i.c. af en toe rectaal bloedverlies), koorts, krampen in de buik en onderhuidse bulten. Verweerder heeft aan die klachten niet getwijfeld. Verweerder heeft verklaard dat klager hem vertelde dat die darmklachten al weken speelden en dat hij er in de periode dat zijn klachten al speelden ook zijn eigen werk mee heeft verricht. Op basis daarvan kon verweerder tot de conclusie komen dat sprake was van een milde colitis ulcerosa, met opvlammende symptomen als gevolg van werk gerelateerde spanningen. Ook klager legt een relatie tussen de verergering van zijn darmklachten en de werk gerelateerde spanning die hij ervoer. Voor die conclusie was het beoordelen van de foto’s van klagers ontlasting niet nodig. Evenmin was het nodig dat verweerder op dat moment - 26 mei 2016 - informatie inwon bij de behandelend sector. Tijdens de zitting is gebleken dat klager zich op dat moment nog niet voor nadere hulp tot zijn mdl-arts had gewend, maar dat hij pas later, op 2 juni 2016, bij zijn behandelend arts een klysma heeft gevraagd. Er was op 26 mei 2016 dus geen recente behandelinformatie beschikbaar, terwijl de oudere behandelinformatie zich al in het dossier van verweerder bevond. De bedoeling van klager met het verzoek om informatie in te winnen, zo heeft hij tijdens de zitting verklaard, was gelegen in zijn gevoel dat verweerder weinig van de aandoening afwist. Daardoor zou verweerder bekend raken met wat de ziekte doet en wat de behandeling is. Nu het verzoek niet tot doel had relevante recente behandelinformatie te laten opvragen, treft verweerder ter zake geen tuchtrechtelijk verwijt.

5.3       De klachtonderdelen C, D, E en F zien op het feit dat verweerder pas vanaf

8 juni 2016 beperkingen heeft vastgesteld en dat hij weigert de beperkingen met terugwerkende kracht per 26 mei 2016 te noteren, alsmede op het feit dat verweerder heeft geweigerd een urenbeperking voor het aangepaste werk vast te stellen. Verweerder heeft op 26 mei 2016 wel beperkingen geduid op het gebied van optimale concentratie en het hanteren van druk en stress. Deze beperkingen waren echter volgens verweerder niet het gevolg van ziekte maar van een arbeidsconflict. Verweerder adviseerde op 26 mei 2016 een korte time-out. Het College heeft geen bedenkingen bij dat advies. Op 1 juni 2016 heeft verweerder klager opnieuw gezien. Verweerder heeft het consult van 1 juni 2016 beschouwd als een open spreekuur consult, omdat klager was gekomen zonder dat sprake was van een ziekmelding. Verweerder heeft verklaard dat hij op 1 juni 2016 van klager heeft begrepen dat het beter met hem ging. Klager vertelde dat hij al weer op de tram had gereden. Tijdens de zitting heeft verweerder verklaard dat hij zich een sterk opgeleefde klager herinnert, die wel vertelde dat de manier waarop hij de vorige dag aan het werk was gegaan jammer was. Klager daarentegen heeft tijdens de zitting verklaard dat het na het consult van 26 mei 2016 beter ging, maar dat het op 31 mei 2016 weer mis is gegaan, zodat het op 1 juni 2016 niet prima ging. Op grond van deze verklaringen is duidelijk dat klager en verweerder een geheel andere beleving hebben van het consult van 1 juni 2016. Het College kan niet uitmaken wie van beiden daarin gelijk heeft, omdat aan het woord van de een niet meer geloof gehecht kan worden dan aan het woord van de ander. Duidelijk is wel dat verweerder zich van het consult van 1 juni 2016 niet een zieke of beperkte klager herinnert. Dat hij onder die omstandigheden dan geen beperkingen heeft vastgesteld per 1 juni 2016 of zelfs per 26 mei 2016, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Bij het consult van 8 juni 2016 vond verweerder klagers toestand, met name geestelijk, verslechterd. Klager is volgens verweerder nu meer gespannen en is ook naar de inschatting van verweerder weinig stressbestendig. Verweerder acht klager nu, door de toegenomen psychische klachten ten gevolge van het arbeidsconflict, niet geschikt voor het eigen werk van bestuurder railvoertuig. Het is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder weigert zijn bevindingen over de consulten van 26 mei 2016 en 1 juni 2016 achteraf te wijzigen.

5.4       Evenmin is het klachtonderdeel gegrond dat verweerder geen urenbeperking vaststelt voor het aangepaste werk. Een dergelijke urenbeperking is pas aan de orde als iemand om medische redenen dusdanig energetisch beperkt is dat hij niet in staat is om 8 uur per dag op het werk aanwezig te zijn om bijvoorbeeld licht administratief zittend werk te verrichten of omdat betrokkene om medische redenen niet beschikbaar is voor werk door bijvoorbeeld een opname. Daarvan is geen sprake. Met het aangepaste werk is voldaan aan de voorwaarden dat niet continu een hoge concentratie is vereist en dat er een toilet in de nabijheid is. Dat het UWV tot dezelfde conclusie is gekomen, betekent niet dat verweerder op onoorbare wijze het rapport van het UWV gebruikt. Er zijn aan het College geen aanwijzingen gebleken dat verweerder onvoldoende zelfstandig, dat wil zeggen onafhankelijk van zijn werkgever en van het UWV, tot zijn afweging is gekomen. Daarop stuiten de klachtonderdelen D en E af. Gezien het voorgaande is dan ook klachtonderdeel F ongegrond.

5.5       Ook klachtonderdeel G is ongegrond. Verweerder heeft klager gezien in een relatief korte tijdspanne van enkele weken, waarbij de nadruk aanvankelijk lag op spanningen in de arbeidsrelatie. Dat verweerder klager niet meteen op dat moment naar een psycholoog heeft verwezen, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.6       De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen”.

3.               Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.               Beoordeling van het beroep

4.1            Klager heeft vier gronden van beroep aangevoerd. Het beroep strekt ertoe dat de oorspronkelijke klachtonderdelen A, B, C, D en F alsnog gegrond worden verklaard. Deze beroepsgronden komen, samengevat, neer op:

1.                Ten onrechte heeft de bedrijfsarts verzuimd informatie op te vragen bij de

 behandelend specialist. In plaats daarvan gebruikte hij 13 jaar oude informatie. Achteraf bleek de oude diagnose ook niet volledig juist.

2.                Ten onrechte heeft de bedrijfsarts gesteld dat hij geen (mogelijk mondelinge)

terugkoppeling van het consult op 1 juni 2016 heeft gegeven.

3.                Ten onrechte heeft de bedrijfsarts geen urenbeperking aangegeven toen

aangepast werk werd aangeboden.

4.         Ten onrechte heeft de bedrijfsarts een “time out” aanbevolen.

4.2             De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3            Het Centraal Tuchtcollege neemt het door het Regionaal Tuchtcollege geformuleerde toetsingskader (overweging 5.1) over.

4.4            Ad 1: Deze beroepsgrond betreft in wezen de klacht dat de bedrijfsarts de lichamelijke klachten van klager niet serieus heeft genomen. Ondanks het verzoek daartoe van klager heeft de bedrijfsarts geen contact opgenomen met de behandelend specialist en bovendien heeft de bedrijfsarts geweigerd de door klager in zijn telefoon opgeslagen foto’s van diens ontlasting te bekijken. Daarover wordt het volgende overwogen. De bedrijfsarts wist dat klager bekend is met colitis ulcerosa. Daarvan bevond zich reeds documentatie in het dossier. In het dossier was ook vastgelegd dat conflictsituaties de lichamelijke klachten in het verleden hebben doen toenemen. Klager heeft aan de bedrijfsarts bij het consult op 26 mei 2016 verteld wat op dat moment zijn lichamelijke klachten waren, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard. Dat betrof darmbloedingen (i.c. af en toe rectaal bloedverlies), koorts, krampen in de buik en onderhuidse bulten. De bedrijfsarts heeft aan het bestaan van die klachten niet getwijfeld en heeft dit ook aan klager meegedeeld. De bedrijfsarts heeft verklaard dat klager hem vertelde dat die darmklachten al weken speelden en dat hij er in de periode dat zijn klachten al speelden zijn eigen werk heeft kunnen uitvoeren. Dit is door klager ter terechtzitting erkend.

Bij die stand van zaken noopten de gemelde darmklachten niet tot het beoordelen van de foto’s noch het raadplegen van de specialist.

4.5            Ad 2. Op 1 juni bezocht klager de bedrijfsarts. Anders dan het geval was op

26 mei 2016 volgde dit consult niet op een ziekmelding maar betrof het een consult op initiatief van klager, op het open spreekuur. Uit de aard van een dergelijk consult (dat valt onder het bereik van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) vloeit rechtstreeks voort dat de bedrijfsarts daarvan in beginsel geen terugkoppeling geeft. De bedrijfsarts betwist onder verwijzing naar de aard van dat consult dat hij een terugkoppeling heeft gegeven en aan het Centraal Tuchtcollege is van zo’n terugkoppeling evenmin gebleken.

Aan klager moet worden toegegeven dat de inhoud van de aan klager gerichte brief van zijn werkgever van 7 juni 2016 de suggestie oproept dat die terugkoppeling wél heeft plaatsgehad. Immers, in die brief schrijft de werkgever dat de bedrijfsarts op

1 juni 2016 aan klagers leidinggevende I. heeft laten weten “…dat (klager) niet arbeidsongeschikt was en er geen verdere terugkoppeling zou worden gemaakt omdat het een preventief consult was.” Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat de bedrijfsarts niet mag worden gehouden aan de inhoud van een brief die niet door hem, maar door de werkgever van klager is geschreven. Voorts dwingt de aangehaalde regel uit die brief geenszins tot de conclusie dat de bedrijfsarts in weerwil van zijn ontkenning wél een terugkoppeling over de arbeidsongeschiktheid of een standpuntbepaling dienaangaande van klager heeft gegeven c.q. kenbaar heeft gemaakt. De verwijzing naar deze passage uit die brief kan in het licht van de uitdrukkelijk onderbouwde betwisting door de bedrijfsarts klager daarom niet baten.

4.6            Ad 3. Aan klager is door zijn werkgever een aangepaste functie aangeboden. Klager verzocht om een urenbeperking. Niet is gebleken van een medische grond voor een beperking in het aantal uren dat klager werkzaam kon zijn. Dit moet onderscheiden worden van de vraag of de aangeboden functie passend was; die vraag lag niet voor bij de bedrijfsarts. Ook deze grond levert geen tuchtrechtelijk verwijt op.

4.7            Ad 4. De bedrijfsarts heeft gehandeld conform de richtlijnen van de Stecr-werkwijzer. Darmklachten waren aanwezig, maar deze vormden volgens de informatie van klager geen beletsel om te werken als trambestuurder in de voorafgaande weken. Vanwege de concentratieklachten was hij door de werkgever op 25 juni 2016 niet toegelaten tot het besturen van trams. Deze klachten waren naar zeggen van klager veroorzaakt door een arbeidsconflict. Onder die omstandigheden heeft  het Centraal Tuchtcollege geen bedenkingen dat de bedrijfsarts op 26 juni 2016 het arbeidsconflict op de voorgrond heeft geplaatst en een time out heeft voorgesteld om de rust te laten weerkeren middels gesprekken tussen werkgever en werknemer.

4.8            De slotsom is dat de beroepsgronden geen doel treffen en dat  het beroep van klager niet leidt tot een ander oordeel dan het Regionaal Tuchtcollege heeft gegeven; het beroep wordt dan ook afgewezen.

5                 Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

bepaalt dat deze beslissing  op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en  het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde

met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, mr. R. Veldhuisen en

mr.dr. B.J.M. Frederiks, leden-juristen en drs. M.L. van den Kieboom-de Groen en

drs. F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 24 juli 2018.

            Voorzitter   w.g.                                            Secretaris  w.g.