ECLI:NL:TGZCTG:2018:220 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.527
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:220 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-07-2018 |
| Datum publicatie: | 25-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.527 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts. Klager heeft bij de gemeente WMO-aanvragen gedaan. In dat kader is klager in opdracht van de gemeente door de arts gezien. Klager verwijt verweerder dat 1) de arts een medische keuring heeft uitgevoerd in een openbare ruimte, bij de opdrachtgevende gemeente, 2) Er een heftige discussie is gevoerd over het aanreiken van het medisch dossier, 3) sprake was van een “zeer intimiderend medisch onderzoek”, 4) de arts medische machtigingen heeft verstrekt die niet voldoen aan de eisen van de KNMG en dat de medische bijlagen daarbij deels verzonnen zijn, 5) keuringen zonder geldige gronden zijn afgewezen en 6) afwijzende adviezen aan de gemeente zijn verstrekt zonder klager in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.527 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals,
tegen
C., arts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. C.J. de Wever verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 4 april 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 1 november 2017, onder nummer 1777, heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 juni 2018, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door
mr. Nadaud voornoemd, en de arts, bijgestaan door mr. De Wever voornoemd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“ 2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Klager heeft bij de gemeente aanvragen gedaan voor een gehandicaptenparkeerkaart en een aanpassing van klagers auto als vervoersvoorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Verweerder zag klager in opdracht van de gemeente op 26 mei 2016 in verband met de medische advisering ter beoordeling van die aanvragen.
Verweerder zag klager in een spreekruimte met ramen in een gebouw van de opdrachtgevende gemeente.
Tussen klager en verweerder is discussie ontstaan over het opvragen van medische informatie bij de curatieve sector, de formulering van de brieven waarmee informatie werd opgevraagd en het daar bijhorend machtigingsformulier. Verweerder heeft naar aanleiding van die discussie wijzigingen doorgevoerd in de brieven. Klager vond dit onvoldoende en heeft de machtigingen niet ondertekend geretourneerd.
Bij brief van 21 oktober 2016 schreef verweerder aan klager:
“ Middels deze brief wil ik u mededelen dat ik niet tot een advies aan de gemeente […] kan komen.
(…)
Ik heb tot twee keer toe geprobeerd rekening te houden met uw reacties/verzoeken. Kennelijk is dit voor u niet afdoende daar u zich blijft beroepen op uw blokkeringsrecht of toestemming onder voorwaarden. Uw resterende eisen omtrent de vraagstelling zijn voor mij dusdanig onredelijk dat ik deze niet zal inwilligen. (…)
De gemeente […] zal worden bericht dat uw dossier zal worden afgesloten zonder advies.”
Naar aanleiding van de adviesvraag is door verweerder een reactie opgemaakt die op
24 oktober 2016 is verzonden aan de gemeente. In deze reactie is onder “Advies en motivering” opgenomen:
“ Er kan geen advies uitgebracht worden en de vraagstelling van de gemeente kan niet beantwoord worden omdat de voor een onafhankelijke en medische onderbouwde advisering noodzakelijke informatie niet op een voor ondertekende werkbare manier kan worden opgevraagd. Tevens ontbreekt een voldoende vertrouwensbasis om tot een onafhankelijk advies te komen.”
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder dat:
1). hij een medische keuring heeft uitgevoerd in een openbare ruimte, bij de
opdrachtgevende gemeente;
2). er een heftige discussie is gevoerd over het aanreiken van het medisch
dossier;
3). sprake was van een “zeer intimiderend medisch onderzoek”;
4). hij medische machtigingen heeft verstrekt die niet voldoen aan de eisen
van de KNMG en dat de medische bijlagen daarbij deels verzonnen zijn;
5). keuringen zonder geldige gronden zijn afgewezen;
6). afwijzende adviezen aan de gemeente zijn verstrekt zonder klager in de
gelegenheid te stellen gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder stelt zich op het standpunt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld. Hij heeft getracht zijn werk als onafhankelijk medisch adviseur naar eer en geweten te doen. Door het ontbreken van de benodigde machtigingen heeft verweerder niet uit eigen waarneming en objectief medische informatie vanuit de curatieve sector kunnen opmaken dat klager niet kon deelnemen aan het collectief vervoer. Het was daarmee niet mogelijk om antwoord te geven op de vraagstelling van de opdrachtgever.
Ad 1). Er was geen sprake van een medische keuring in een openbare ruimte maar van het afnemen van een anamnese en een observatie van functioneren in een spreekkamer bij de gemeente voorzien van een raam in een deur. Het vond bij de gemeente plaats om klager niet te ver te laten reizen en de ruimte was voor klager goed bereikbaar.
Ad 2). Tijdens het spreekuurcontact was er geen discussie. Die is later ontstaan over de machtigingen.
Ad 3). Verweerder is niet intimiderend opgetreden.
Ad 4). Verweerder betwist dat hij in strijd met richtlijnen van de KNMG zou hebben gehandeld ten aanzien van de machtigingen. De KNMG heeft geen regels voor machtigingen maar voor het afgeven van verklaringen door de curatieve sector. Het is aan de curatieve sector om wel of niet mee te werken aan een informatieverzoek.
Ad 5) en 6). Er is door verweerder geen keuring afgewezen en er is geen advies in strijd met blokkeringsrecht verstrekt. De opdracht is teruggegeven.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
De klacht heeft betrekking op de door de gemeente aan verweerder verstrekte opdracht om te adviseren over de aanvraag van klager in het kader van de WMO. Nu het in voornoemd kader adviseren door een medisch adviseur het algemeen belang van een goede beroepsuitoefening van de individuele gezondheidszorg raakt (tweede tuchtnorm) is klager ontvankelijk in zijn klacht. Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.
De klachtonderdelen
Klager heeft meerdere klachtonderdelen gepresenteerd. Het college zal de klachtonderdelen die zich daartoe lenen, gezamenlijk bespreken en beoordelen.
Ten aanzien van de klachtonderdelen 1) en 3)
Het college zal eerst de wijze van het uitvoeren van het onderzoek en de onderzoekslocatie, waarover is geklaagd, bespreken. Het college stelt voorop dat verweerder een eigen verantwoordelijkheid heeft waar het de keuze voor een onderzoekslocatie betreft. Het gegeven dat de onderzoekslocatie door de gemeente is bepaald, ontslaat verweerder dan ook niet van die verantwoordelijkheid. Verweerder geeft aan dat hij voor de aard van zijn onderzoek, enkel anamnestisch en observatie, de locatie - ondanks het daarin aanwezige raam in de deur - acceptabel vond. Dat de locatie in een gebouw van de opdrachtgever gelegen was beoordeelde verweerder, gelet op de daarmee beperkte reisafstand en de toegankelijkheid ervan voor klager, eveneens acceptabel. Naar het oordeel van het college is verweerder daarmee binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. Voor zover klager met “intimiderend medisch onderzoek” over meer dan de onderzoekslocatie heeft beoogd te klagen, oordeelt het college als volgt. Nu alleen klager en verweerder bij dit onderzoek aanwezig zijn geweest en beide een andere lezing van de gebeurtenissen hebben, kan het college niet vast stellen hoe het onderzoek precies is verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. De klachtonderdelen 1) en 3) slagen daarmee niet.
Ten aanzien van de klachtonderdelen 2) en 4)
Deze klachtonderdelen zien op de machtigingen en het verkrijgen van informatie uit de curatieve sector.
Een onderzoek zoals in deze zaak aan de orde dient zorgvuldig en deskundig te zijn. Die eisen zijn in meerdere uitspraken van tuchtrechters vastgelegd en herhaald. Om aan die eisen te voldoen dient een medisch adviseur een zelfstandige beoordeling te geven op basis van eigen onderzoek van betrokkene en de informatie uit de curatieve sector. Het enkel beschikken over de door de opdrachtgever en/of de betrokkene aangeleverde stukken kan onvoldoende zijn om tot een goede advisering te kunnen komen. In die situatie dient verweerder derhalve - met machtiging - informatie bij de curatieve sector op te vragen en zijn vragen daarbij zelfstandig te formuleren. Het enkele feit dat verweerder in zijn begeleidende brief een enkele maal een oordeel van de curatieve sector heeft gevraagd, hetgeen zoals verweerder erkent wat ongelukkig te noemen is, kan echter niet leiden tot een aan verweerder terzake te maken tuchtrechtelijk verwijt. Het college is dan ook van oordeel dat de in het geding gebrachte machtigingen - in samenhang bezien met de begeleidende brief - voldoen aan de eisen die daaraan kunnen worden gesteld. De klachtonderdelen 2) en 4) slagen daarmee niet.
Ten aanzien van de klachtonderdelen 5) en 6)
Het college stelt vast dat in het onderhavige geval geen medisch oordeel of advies is gegeven. Verweerder heeft naar klager en de gemeente gemotiveerd aangegeven niet tot advisering te kunnen komen. Er is daarmee geen sprake van een afwijzen van een keuring. Voor zover klager hier mede doelt op de discussie omtrent de machtigingen verwijst het college naar hetgeen hij daarover hiervoor reeds heeft overwogen en geoordeeld. Naar het oordeel van het college is verweerder bij zijn conclusie dat hij - nu hij niet op de door hem acceptabel geachte wijze stukken kon opvragen bij de curatieve sector - niet tot een advies kon komen en daarmee de opdracht heeft teruggegeven, binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening gebleven zodat van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Wat betreft het bericht aan de gemeente komt het college tot de volgende overwegingen. Het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:465 tweede lid BW ziet op de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek. Nu er geen onderzoek heeft plaatsgevonden en derhalve geen uitslag of gevolgtrekking uit dat onderzoek is voortgevloeid, is er geen sprake van een blokkeringsrecht als bedoeld in dat artikel. De klachtonderdelen 5) en 6) slagen daarmee niet.
Samenvattend dient de klacht in al haar onderdelen te worden afgewezen ”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep de klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Het beroep strekt ertoe dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.
4.2 De arts heeft verweer gevoerd en concludeert tot verwerping van het beroep.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg door klager geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege toegestuurd.
4.4 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juni 2018 is het debat voortgezet.
4.5 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE’ heeft overwogen hier over.
4.6 Aanvullend overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de kamer waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden de ruimte in het gemeentehuis betreft waar ook hoorzittingen worden gehouden. Uit het door klager overgelegde fotomateriaal blijkt dat in de muur van deze ruimte die grenst aan een hal/gang van het gemeentehuis op ooghoogte twee langwerpige ramen aanwezig zijn. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen is de deur niet van een raam voorzien. Deze ramen geven door hun hoge situering geen direct zicht op wat zich in die ruimte afspeelt. Zicht daarop is pas mogelijk door zich pal voor die ramen op te stellen en naar binnen te kijken. De arts heeft ter zitting verklaard dat hij deze als spreekruimte ingerichte kamer niet ongeschikt vond voor het doel waarvoor hij deze gebruikte: onderzoek van klager hoofdzakelijk door middel van een gesprek. Ook het Centraal Tuchtcollege is niet gebleken dat die ruimte daarvoor ongeschikt was. Dat klager deze ruimte naar zijn zeggen als intimiderend heeft ervaren omdat hij in deze ruimte vele malen is gehoord in het kader van door hem aangespannen bezwaarschriftprocedures waaraan hij geen goede herinneringen bewaart, kan de arts niet worden verweten. De arts heeft verklaard dat hij daarvan toen niet op de hoogte was. Ook overigens ziet het Centraal Tuchtcollege niet op grond waarvan de arts redelijkerwijs had moeten begrijpen dat klager zowel het onderzoek door de arts als de ruimte waarin dit plaatsvond als intimiderend heeft ervaren, gelet op het feit dat het onderzoek van klager twee uur heeft geduurd en klager zich daarover tijdens het onderzoek niet heeft uitgelaten.
4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel 6 uit de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege inzake het blokkeringrecht neemt het Centraal Tuchtcollege onder het kopje: “De klachtonderdelen”, vierde en vijfde regel van onderen niet over de zin: “Het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:465 tweede lid BW ziet op de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek”. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het blokkeringsrecht, voor zover al van toepassing op de door klager gedane WMO-aanvragen, hier geen rol speelt, reeds omdat door de arts geen medisch advies is uitgebracht. De arts heeft immers bij zijn brief van 24 oktober 2016 zijn opdracht aan de gemeente teruggeven.
4.8 De conclusie is dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken.
4.9 Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. A.R.O. Mooy en
mr. drs. R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en drs. F.M.M. van Exter en mr.drs. W.A. Faas, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 24 juli 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.