ECLI:NL:TGZCTG:2018:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.543
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:213 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-07-2018 |
| Datum publicatie: | 25-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.543 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.543 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., anesthesioloog, werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties,
gemachtigde: R.J. Peet, als jurist verbonden aan de Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 22 maart 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. – hierna de anesthesioloog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 november 2017, onder nummer 2017-068, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De anesthesioloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 3 juli 2018, waar zijn verschenen klager, en de anesthesioloog, bijgestaan door de heer Peet voornoemd.
Zowel klager als de anesthesioloog en zijn gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager heeft op 1 maart 2016, na verwijzing door de uroloog, met
pijnklachten ter hoogte van zijn meatus, testikels, beide benen, armen en hoofd, voor pijnbestrijding het poliklinisch spreekuur van verweerder bezocht. Hem werden pijnstillers voorgeschreven.
2.2 Verweerder heeft hierna bij brief d.d. 8 maart 2016 de huisarts over zijn
bevindingen geïnformeerd. In de brief staat vermeld dat het hij het vermoeden heeft dat het een psychosomatische klacht betreft en dat psychiatrische hulp terecht lijkt.
2.3 Op 22 maart , 31 mei en 16 augustus 2016 heeft klager het spreekuur van
verweerder wederom bezocht. De psychosomatische aard van de klachten is niet aan de orde geweest.
2.4 Bij brief d.d. 27 juni 2017 heeft verweerder klager excuus aangeboden voor
de, door hem voorbarige genoemde, brief aan de huisarts.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven - als volgt.
1. De bewering van verweerder dat de klachten van klager psychosomatisch zijn en dat psychiatrische hulp terecht lijkt, mist elke grond en is niet aantoonbaar. Klager is psychisch gezond.
2. Verweerder had aan klager hetzelfde moeten vertellen als aan de huisarts. Dat heeft hij niet gedaan. Dat is afkeurenswaardig.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Klager heeft meerdere specialisten, waaronder een uroloog, een neuroloog, en een kno-arts, voor zijn pijnklachten geconsulteerd. Een lichamelijke oorzaak van de door klager ondervonden pijnklachten is daarbij (nog) niet gevonden. Ook verweerder kon geen lichamelijke oorzaak vinden voor de klachten. Hij vermoedde dat er sprake was van een somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klacht (SOLK).
Verweerder heeft naar het oordeel van het College gedaan wat onder de omstandigheden naar professionele maatstaven op medisch gebied redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht.
Ondanks onderzoek, ook door andere artsen, heeft verweerder geen lichamelijke oorzaak gevonden voor de verschillende klachten van klager en heeft hij in redelijkheid het vermoeden kunnen hebben dat er sprake was van SOLK, waarbij psychiatrische hulp terecht leek. Dit betekent dat het eerste onderdeel van de klacht ongegrond is.
5.2 Verweerder heeft aangevoerd dat hij, omdat klager na afloop van het bezoek
op 1 maart 2016 aanvankelijk geen nieuwe afspraak bij de afsprakenbalie had gemaakt, in de veronderstelling was dat het bij een eenmalig consult zou blijven en hij klager niet zou weerzien op het spreekuur en dat hij daarom de huisarts na dit bezoek schriftelijk heeft bericht over zijn vermoeden van de oorzaak van de klachten van klager en deze heeft aangeduid als psychosomatisch. Nu de (verwijzende) huisarts het centrale schakelpunt is van waaruit de zorg voor klager wordt verleend is het de plicht van verweerder om voor een goede informatieoverdracht zorg te dragen. Omdat verweerder in de veronderstelling verkeerde dat het contact met klager was afgesloten, heeft hij juist gehandeld door de huisarts te informeren over zijn vermoeden, zonder dat hij dit eerst met klager had besproken. Expliciete toestemming van klager was hiervoor niet nodig. Wel heeft verweerder klager later per brief laten weten dat, achteraf bezien, nu klager toch op een vervolgconsult was gekomen, zijn brief aan de huisarts voorbarig is geweest en daar heeft hij zijn excuus voor aangeboden.
Het College is van oordeel dat verweerder ook in deze gedaan heeft wat onder de omstandigheden naar professionele maatstaven op medisch gebied redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht. Bovenstaande handelswijze kan verweerder derhalve niet verweten worden. Ook als de lezing van klager juist is dat verweerder tijdens de vervolgconsulten klager niet heeft verteld dat hij het vermoeden van SOLK had, kan hem dat niet worden tegengeworpen, nu het verweerder duidelijk was dat klager voor deze diagnose niet openstond en het derhalve geen zin had dit met hem te delen.
Ook het tweede onderdeel van de klacht is ongegrond.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert – impliciet – tot gegrondverklaring van het beroep.
4.2 De anesthesioloog voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van
het beroep.
4.3 In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de anesthesioloog nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.
4.4 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 3 juli 2018 is dat debat voortgezet.
4.5 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; S.M. Evers en
R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en F.M.M. van Exter en J.S. Pöll, leden- beroepsgenoten
en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.