ECLI:NL:TGZCTG:2018:205 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.064

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:205
Datum uitspraak: 03-07-2018
Datum publicatie: 11-07-2018
Zaaknummer(s): c2018.064
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts. De klacht heeft betrekking op de moeder van klaagster, patiënte. Patiënte is op enig moment op de grond aangetroffen in het verzorgingstehuis waar zij verbleef, waarschijnlijk na een val. Op verzoek van een verpleegkundige is verweerster naar het verzorgingstehuis gegaan en heeft patiënte daar onderzocht. Verweerster achtte het raadzaam patiënte in te sturen naar het ziekenhuis en heeft contact met klaagster opgenomen. Verweerster heeft met klaagster over reanimatie gesproken en klaagster heeft aangegeven dat patiënte, indien nodig, gereanimeerd diende te worden. Verweerster heeft dit in het dossier genoteerd en daarbij aangegeven dat zij besproken heeft dat zij, gelet op de conditie van patiënte, reanimatie medisch gezien niet zinvol acht. Klaagster verwijt verweerster dat zij het formulier “Overdracht Acute Zorg” in strijd met de waarheid heeft ingevuld waardoor klaagster met de behandelend artsen heeft moeten discussiëren over het wel moeten reanimeren van patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.064 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: S.J. Berkhoff-Muntinga, als jurist verbonden aan de stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 10 maart 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 31 oktober 2017, onder nummer 17/092, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 14 juni 2018, waar zijn verschenen klaagster, en de huisarts, bijgestaan door mevrouw Berkhoff-Muntinga voornoemd.

Zowel klaagster als de huisarts en haar gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klaagster is de dochter van D., geboren in 1933 (hierna: patiënte). Patiënte is in het verleden behandeld aan een schedelbasismeningeoom, waarbij zij postoperatief afatisch is geraakt als gevolg van een CVA. Verder was zij bekend met gedragsproblemen.

2.2.      Patiënte verbleef op zondagochtend 19 februari 2017 op een verpleegafdeling van een verzorgingstehuis. Aldaar is zij in die ochtend omstreeks 10.30 uur op de grond aangetroffen, waarschijnlijk na een val op haar hoofd. Patiënte had pijn aan haar hoofd en aan haar rechterarm. Een verpleegkundige van het verzorgingstehuis heeft daarna naar de huisartsenpost gebeld en om een visite door de huisarts verzocht. Verweerster, waarnemend huisarts, is vervolgens naar het verzorgingstehuis gegaan.

2.3.      Na aankomst in het verzorgingstehuis heeft verweerster met personeel van het verzorgingstehuis gesproken en patiënte onderzocht. Omdat er onduidelijkheid was ten aanzien van de val en er mogelijk sprake was van een hoofdtrauma bij patiënte, achtte verweerster het raadzaam om patiënte in te sturen voor een onderzoek door een neuroloog. In verband daarmee heeft zij telefonisch contact opgenomen met klaagster, waarbij door verweerster het onderwerp reanimatie ter sprake is gebracht. Klaagster heeft in reactie daarop meegedeeld dat patiënte indien nodig wel gereanimeerd diende te worden. Het patiëntdossier vermeldt daarover, voor zover hier van belang, het volgende:

“Iom dochter (1e contactpersoon); insturen neurologie AMC; wens; reanimatie (besproken dat dit medisch gezien niet zinvol lijkt gezien pre existente conditie van pte en slechte uitkomst na reanimatie).”

2.4.      Op het formulier “Overdracht Acute Zorg” dat verweerster op 19 februari 2017 ten behoeve van de verwijzing van patiënte naar de afdeling neurologie van het AC heeft ingevuld, heeft verweerster bij het onderdeel “Reanimatiebeleid” het vakje “wel “ reanimeren omcirkeld. Daarnaast heeft verweerster op dat formulier het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:

“Val onduidelijk waarom lag naast het bed. Bedlegerige patient. Altijd moeilijk wekbaar. Nu nog lastiger wekbaar (…).

Besproken met dochter gezien preexistent functioneren reanimeren medisch gezien gezien slechte uitkomst, niet zinvol acht. Gaat toch voor reanimatie.”

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door per se op het formulier “Overdracht Acute Zorg” te willen vermelden dat patiënte niet gereanimeerd hoefde te worden en dat verweerster met opzet op dat formulier en in strijd met de waarheid heeft vermeld dat patiënte bedlegerig was, wetende dat een slechte uitgangspositie voor patiënte de desbetreffende verantwoordelijke zou doen besluiten om patiënte niet te reanimeren. Hetgeen tot gevolg heeft gehad dat klaagster met de behandelend artsen een pittige discussie heeft moeten voeren over het wel moeten reanimeren van patiënte.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Bij de beoordeling stelt het college voorop dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het beroepsmatig handelen van de arts niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig gestelde handelen en met  hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard. Tevens geldt dat het bij het tuchtrecht in beginsel gaat om de persoonlijke verwijtbaarheid van de arts.

5.2.      De klacht richt zich tegen de discussie die verweerster met klaagster heeft gevoerd over het wel of niet reanimeren van patiënte en hetgeen verweerster in verband daarmee op het overdrachtsformulier heeft gezet. Gelet op de medische conditie van betrokkene en haar voorgeschiedenis is het voor het college niet onbegrijpelijk dat verweerster op voorhand een terughoudend beleid inzake reanimatie voorstond. Daarmee taxeerde zij de situatie in overeenstemming met de professionele richtlijnen. Het getuigt naar het oordeel van het college van zorgvuldigheid dat zij klaagster hierbij vervolgens heeft betrokken. Van een verkeerde timing is daarbij geen sprake geweest, er moest op dat moment immers een besluit worden genomen. Het gesprek heeft er uiteindelijk toe geleid dat verweerster op het overdrachtsformulier de optie "wel reanimeren" heeft omcirkeld. Nu dit ook in overeenstemming is met de keuze van klaagster, valt verweerster daarvoor geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Dat verweerster op dit formulier ook haar professionele bedenkingen omtrent dit beleid heeft aangegeven doet daar niet aan af. Evenmin acht het college tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster op basis van informatie van het personeel van het verzorgingstehuis patiënte als een bedlegerige patiënte heeft aangeduid. De omstandigheid dat klaagster ook met de behandelaars in het ziekenhuis voor haar gevoel bij herhaling haar "wel-reanimeer" standpunt heeft moeten verdedigen, maakt het voorgaande niet anders. De discussie die de behandelaars in het ziekenhuis op basis van hun eigen professionele inzichten met verweerster over het wel of niet reanimeren van patiënte hebben gevoerd, valt buiten de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van verweerster.

5.3.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Daarnaast stelt klaagster dat zij door een misverstand niet aanwezig heeft kunnen zijn bij het mondeling vooronderzoek zoals dat bij het Regionaal Tuchtcollege op 11 oktober 2017 is gehouden en dat het Regionaal Tuchtcollege op de brief van diezelfde datum die zij vervolgens aan het college heeft gestuurd geen acht heeft geslagen en deze brief niet bij de beslissing heeft betrokken. Klaagster concludeert – impliciet – tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2  De huisarts voert hiertegen verweer en concludeert primair tot niet-

ontvankelijk verklaring van klaagster, subsidiair tot verwerping van het beroep.

4.3       Voor wat betreft de stelling van klaagster dat het Regionaal Tuchtcollege haar brief van 11 oktober 2017 niet bij de beslissing heeft betrokken oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat, voor zover er in eerste aanleg sprake zou zijn geweest van een verzuim op dit punt, dit is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep. De brief van 11 oktober 2017 maakt deel uit van het procesdossier in beroep en klaagster heeft de brief bovendien ter terechtzitting voorgelezen.

4.4       Met betrekking tot het standpunt van de huisarts dat klaagster in haar beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat uit het beroepschrift niet duidelijk wordt wat de gronden van het beroep zijn oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

Het Centraal Tuchtcollege acht de gronden van het beroep in het beroepschrift van klaagster voldoende duidelijk omdat daaruit kan worden afgeleid dat klaagster het geschil in volle omvang wenst voor te leggen. Klaagster is derhalve ontvankelijk in haar beroep.

4.5       De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en voegt daaraan nog het volgende toe.

4.6       Ter terechtzitting in beroep is gebleken dat een deel van de door de huisarts op het formulier “Overdracht Acute zorg” genoteerde beschrijving van de conditie van de moeder van klaagster – hierna patiënte – kennelijk niet juist is, althans door klaagster wordt betwist. De huisarts stelt deze informatie via de triagist dan wel rechtstreeks van het verplegend personeel te hebben verkregen. Wat hier ook van zij, het door klaagster betwiste deel van de beschrijving van de conditie van patiënte heeft geen rol gespeeld bij het door de huisarts bepalen van een standpunt rondom al dan niet reanimeren. De huisarts heeft ter zitting bovendien aangegeven klaagster te hebben uitgenodigd voor een gesprek om een en ander te bespreken en uit te leggen maar klaagster stond hier niet voor open.

4.7       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht heeft afgewezen. Het beroep van klaagster wordt verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter;  Y. Buruma en

E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en F.M.M. van Exter en W. de Ruijter,

leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.