ECLI:NL:TGZCTG:2018:199 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.424

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:199
Datum uitspraak: 03-07-2018
Datum publicatie: 03-07-2018
Zaaknummer(s): C2017.424
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen oogarts. Bij klaagster is een staaroperatie uitgevoerd. Klaagster verwijt verweerder dat zij onvoldoende is ingelicht, en bovendien niet door de oogarts zelf maar door de optometrist, dat er geen sprake was van informed consent en dat de oogarts de verkeerde lens heeft geplaatst terwijl hij dit laatste blijft ontkennen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.424 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., oogarts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. drs. S. Slabbers, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 17 februari 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de oogarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van

21 augustus 2017, onder nummer 1752, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De oogarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 24 mei 2018, waar zijn verschenen klaagster, vergezeld van haar oudste dochter, en de oogarts, bijgestaan door mr. Slabbers voornoemd.

Zowel klaagster als de oogarts en zijn gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster werd in februari 2014 door haar huisarts verwezen naar de polikliniek oogheelkunde van het ziekenhuis waar verweerder als oogarts werkzaam is. Verweerder zag klaagster voor het eerst op 3 april 2014. Omdat er sprake was van een verhoogde oogdruk aan het rechter oog werd met oogdruppels gestart en werd een gezichtsveldonderzoek (hierna GVO) gepland. In het dossier staat hierover, voor zover relevant, vermeld:

“              (…)

Oogdruk OD (mmHG)      27

                               Oogdruk OS (mmHG)        14

                                (…)        

Oogdruppels                                       ja

Welke druppels                   Tropicamide

(…)

Werking druppels uitgelegd              ja

Welk oog                                             ODS

(…)

Conclusie                                                                           Unilateraal Glaucoom en cataract met pseudoexfoliatie OD IOP matig

Beleid                                                                                                  Copsopt 2dd , GVO nadien bepalen hoe verder cataract”

Op 6 mei 2014 vond het GVO plaats. Op 15 mei 2014 besprak verweerder de uitslag van dit onderzoek met klaagster. Besloten werd dat er een nieuwe lens rechts zou worden geplaatst. In het medisch dossier staat hierover, voor zover relevant, vermeld:

“              Algemeen                                             Uitslag GVO en verder beleid. (…)

Conclusie                                                                           GVO goed, CE OD mede omdat er bij glaucoom narrow angele component is (…)

Planning operatie oog OD                Eerste

Type lens OD                                      Standaard”

Diezelfde dag werd klaagster ook gezien door de optometrist die in het dossier noteerde:

“             Memo                                                   Bij biometrie nog even toric besproken,

mevrouw kiest standaard, weet dat er dus nog een cilinder zal overblijven post-op”

Verweerder voerde op 16 juni 2014 de staaroperatie uit, die zonder problemen verliep. De volgende dag vond de eerste controleafspraak plaats. Er waren geen bijzonderheden. Op 17 juli 2014 vond een vervolgconsult bij de optometrist plaats, en daarna bij verweerder. In het dossier, voor zover relevant, vermeldt verweerder:

“              (…)

Anamnese                                                                          gaat niet goed, stekend gevoel. Ziet niet goed. Plakkerig in de ochtend.

(…)

Conclusie                                                                           Mevr onvriendelijk geweest tegen [voornaam optometrist]. Mevr vind dat ze niet is ingelicht terwijl het tot 2x besproken is. Wilde absoluut geen geld uitgeven aan premium IOL. (…)”

In oktober 2014 heeft klaagster bij het ziekenhuis een klacht tegen verweerder en de optometrist ingediend. Bij beslissing van de klachtencommissie van het ziekenhuis van

9 maart 2015 is die klacht gedeeltelijk gegrond verklaard.

3.         Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder dat:

1)      zij minimaal is ingelicht door een optometrist over de lenskeuze voor een staaroperatie aan haar rechteroog en niet door verweerder zelf;

2)      er geen sprake was van informed consent;

3)      verweerder de verkeerde lens heeft geplaatst;

4)      verweerder dit blijft ontkennen.

Ter toelichting stelt klaagster dat verweerder uitsluitend heeft gesproken over de ingreep en niet over de lenskeuze, dat ze geen folder heeft ontvangen doch slechts een afsprakenkaartje.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft als verweer het volgende opgeworpen. Klaagster is tweemaal voorgelicht.

Tijdens het consult van 15 mei 2014 heeft verweerder klaagster voorgelicht. Hij heeft met haar gesproken over de keuze tussen een monofocale, standaard kunstlens of een speciale implant-lens. Daarbij is gezegd dat klaagster voor laatstgenoemde lens zou moeten bijbetalen omdat deze niet onder de verzekerde zorg valt. Tevens is gezegd dat met een monofocale intraoculaire lens (IOL)  een cylindrische afwijking en leesbrilsterkte niet wordt opgelost.

Voor de mulitfocale intraoculaire lens (multifocale IOL) bestond een contra-indicatie omdat klaagster glaucoom heeft. Klaagster koos niet voor de speciale implant-lens, de torische intraoculaire lens (torische IOL), omdat zij dan moest bijbetalen. Verweerder heeft na het consult ‘standaard’ in het elektronisch patiëntendossier (hierna: het epd) ingevuld. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat in het epd moet worden aangevinkt voor welke lens wordt gekozen. De keuze wordt gemaakt nadat de informatie met de patiënt besproken is. In de onderhavige casus heeft verweerder de optie ‘standaard’ aangevinkt.

In het ziekenhuis van verweerder wordt de oogmeting altijd (ook) door ondersteunend personeel gedaan. De optometrist licht de patiënt na de meting nogmaals in over de mogelijkheden. Indien een patiënt twijfelt over de lenskeuze of kiest voor bijbetaling, gaat de patiënt van de optometrist terug naar de oogarts voor verder onderzoek. Na het consult bij verweerder is klaagster bij de optometrist geweest. Klaagster had geen twijfel en wilde niet bijbetalen. Verweerder verwijst naar hetgeen door de optometrist in het dossier is aangetekend: ”bij biometrie nog even toric besproken, mevrouw kiest standaard, weet dat er dus nog een cilinder zal overblijven post-op.” Na het bezoek aan de optometrist worden de patiënten doorgestuurd naar de secretaresse die de patiënt een folder meegeeft waarop de volgende afspraken staan vermeld.

Verweerder heeft geen verkeerde lens geplaatst. Hij heeft de standaardlens geplaatst waarvoor klaagster had gekozen. Verweerder heeft voldaan aan de Richtlijn Cataract.

Tot slot heeft verweerder aangegeven dat er maatregelen in het ziekenhuis zijn doorgevoerd waaronder de aanpassing van het epd, in die zin dat er meer ruimte wordt geboden voor de bewijsvoering dat de informatie aan de patiënt is verstrekt.

5.         De overwegingen van het college

Ten aanzien van de klachtonderdelen 1) en 2).

Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Vooropgesteld wordt dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen  niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. 

Hoewel het college niet kan vaststellen wat er tijdens het consult van 15 mei 2014 precies is besproken omdat de lezingen van partijen daarover verschillen, is voor het college voldoende aannemelijk geworden dat klaagster over de lenskeuze voldoende is voorgelicht.

Zoals door verweerder ter zitting onweersproken is gesteld, dient in het epd te worden aangevinkt voor welke lens er wordt gekozen en dat de keuze wordt ingevoerd na het consult met de patiënt. Verweerder heeft de optie ‘standaard’ aangevinkt nadat hij met klaagster had gesproken.

Het college is van oordeel dat (het volstaan met) deze wijze van noteren in het epd weliswaar minimaal is te achten, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Overigens heeft verweerder ter zitting nog aangevoerd dat het beleid daarin inmiddels is aangepast waardoor in het huidige epd thans meer mogelijkheden zijn om gegevens over -onder meer- het informed consent te noteren.

Het college stelt vast dat klaagster na het consult bij verweerder door de optometrist is gezien en over de lenskeuze is voorgelicht. De werkwijze in het ziekenhuis van verweerder, waarbij een patiënt na het consult bij de oogarts nog door de optometrist wordt gezien voor een oogmeting en herhaling van voorlichting, is naar het oordeel van het college een gebruikelijke en aanvaardbare werkwijze en evenmin strijdig met de Richtlijn Cataract.

Voor de stelling van klaagster dat de optometrist haar minimaal heeft voorgelicht, heeft het college geen aanwijzingen in het dossier gevonden.

Op grond van het voorgaande is het college van oordeel dat het standpunt van verweerder, ondanks de summiere verslaglegging, door het dossier wordt ondersteund.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 3) en 4).

Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Nu het college onder de klachtonderdelen 1) en 2) heeft geoordeeld dat klaagster voldoende is voorgelicht, dienen deze klachtonderdelen bij gebrek aan feitelijke grondslag te worden afgewezen.

De klacht zal in al haar onderdelen worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert – impliciet – tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2  De oogarts voert hiertegen verweer en concludeert primair tot niet-

ontvankelijkverklaring van klaagster, subsidiair tot verwerping van het beroep.

4.3  Het Centraal Tuchtcollege oordeelt als volgt.

4.4  In beroep heeft de oogarts primair betoogd dat klaagster niet in haar beroep dient

te worden ontvangen omdat klaagster met haar beroepschrift alleen bezwaar lijkt te maken tegen het proces-verbaal zoals dat naar aanleiding van de terechtzitting in eerste aanleg is opgesteld. Ter terechtzitting in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geverifieerd dat klaagster met haar beroep beoogt de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de oogarts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voor te leggen. Klaagster wordt daarom in haar beroep ontvangen.

4.5       Met het eerste klachtonderdeel verwijt klaagster de oogarts dat zij minimaal over de lenskeuze is ingelicht en dat dit bovendien door een optometrist is gebeurd en niet door de oogarts zelf. Met betrekking tot dit klachtonderdeel stelt het Centraal Tuchtcollege het volgende voorop.

In het dossier van klaagster is door de optometrist naar aanleiding van het consult op

15 mei 2014 genoteerd:

“Bij biometrie nog even toric besproken, mevrouw kiest standaard, weet dat er dus nog een cilinder zal overblijven post-op”

4.6       Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat

– gelet op de hiervoor onder 4.5 aangehaalde notitie in het dossier – klaagster over de keuze van de lens voldoende is voorgelicht. Het feit dat klaagster hierover is voorgelicht door de optometrist en niet door de oogarts zelf kan geen tuchtrechtelijk verwijt opleveren. Ter terechtzitting in beroep heeft de oogarts toegelicht hoe het traject in de aanloop naar een staaroperatie is ingericht en hoe de rolverdeling en de samenwerking tussen de oogarts en de optometrist is geregeld. Deze gang van zaken ontmoet bij het Centraal Tuchtcollege geen bedenkingen. Het beroep van klaagster faalt op dit punt.

4.7       Met het tweede klachtonderdeel stelt klaagster dat er geen sprake was van informed consent. Ook op dit punt kan het beroep van klaagster niet slagen. Uit het dossier blijkt voldoende dat met klaagster over de voorgenomen ingreep is gesproken, dat zij daarover is voorgelicht en dat er sprake was van informed consent.

4.8       Het derde klachtonderdeel luidt dat de oogarts de verkeerde lens heeft geplaatst. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het eerste klachtonderdeel is overwogen moet dit klachtonderdeel als ongegrond worden afgewezen, aangezien niet is komen vast te staan dat klaagster een andere lens wilde dan de lens die zij heeft gekregen.

4.9       Het vierde klachtonderdeel ten slotte, dat de oogarts blijft ontkennen dat hij de verkeerde lens heeft geplaatst, heeft het Regionaal Tuchtcollege terecht bij gebrek aan feitelijke grondslag afgewezen.

4.10     De conclusie van het voorgaande is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht heeft afgewezen en dat het beroep van klaagster moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. H. de Hek,

en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen, en drs. M. Wefers Bettink-Remeijer en

prof. dr. P.J. Ringens, leden beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.

Voorzitter  w.g.  Secretaris  w.g.