ECLI:NL:TGZCTG:2018:192 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.522
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:192 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2018 |
| Datum publicatie: | 03-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2017.522 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen gz-psycholoog. Verweerster heeft bij de kinderen van klager psychodiagnostisch onderzoek verricht en tevens, ter onderbouwing van een verzoek tot uithuisplaatsing, een CARE-NL rapportage opgesteld waarbij het risico op kindermishandeling door haar is beoordeeld. Klager verwijt verweerster dat zij het CARE-NL onderzoek niet goed heeft uitgevoerd en verkeerde conclusies heeft getrokken en voorts dat zij de onderbouwing van de risicotaxatie ten onrechte niet aan de rechtbank heeft gestuurd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen; het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.522 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: C., verbonden aan de Stichting D.,
tegen
E., gz-psycholoog, werkzaam te F., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. F.M. de Jong, verbonden aan de Stichting G. te F..
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 31 maart 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen E. – hierna de gz-psycholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 24 oktober 2017, onder nummer GP2017/02, heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 mei 2018, waar zijn verschenen klager, vergezeld van zijn partner en bijgestaan door de heer C. voornoemd, en de gz-psycholoog, bijgestaan door mr. De Jong voornoemd. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.
2.1
Verweerster was werkzaam als gedragswetenschapper bij de Stichting G. (hierna: de Gecertificeerde Instelling, G.I.). In deze hoedanigheid trad zij op als adviseur van de gezinsvoogden en bood zij hun ondersteuning.
2.2
Bij beschikking d.d. 2 maart 2011 van de (toenmalige) rechtbank F. is de G.I. belast met de uitvoering van de maatregel ondertoezichtstelling over de kinderen H., I. en J. (hierna: de kinderen). Voornoemde minderjarigen zijn geboren uit de relatie van klager en zijn toenmalige partner (hierna: de moeder).
2.3
De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij arrest d.d. 20 december 2011 door het (toenmalige) gerechtshof F. bepaald bij klager.
2.4
Omdat de communicatie tussen klager en de moeder niet goed verliep, is door de G.I. in 2011 een gezinscoach aangesteld om aan de gezinscommunicatie te werken. Verweerster heeft in dit kader in 2012 psychodiagnostiek gedaan bij de kinderen. Aangezien de communicatie tussen klager en de moeder was verbeterd en de omgangsregeling goed liep, is de ondertoezichtstelling van de kinderen bij beschikking van de rechtbank F. d.d. 2 september 2013 beëindigd.
2.5
Bij beschikking van 20 augustus 2014 heeft de rechtbank de kinderen, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, wederom onder toezicht geplaatst van de G.I.
2.6
In de periode hierna zijn diverse gerechtelijke procedures gevoerd door klager en de moeder. Vanwege diverse aangiften bij de politie door klager en één keer door de G.I. vanwege het vermoeden van kindermishandeling, heeft het Openbaar Ministerie het Landelijk Expertise Bureau Bijzondere Zaken (hierna: LEBZ) opdracht gegeven een onderzoek te doen.
2.7
De G.I. heeft begin januari 2016 de beschikking gekregen over de rapportage van het LEBZ. Hieruit bleek dat niet geconstateerd kon worden dat de moeder de kinderen heeft mishandeld. Hierop heeft de G.I. besloten dat een spoedmachtiging uithuisplaatsing bij klager noodzakelijk was. Ter onderbouwing van dit verzoek is door verweerster een CARE-NL rapportage opgesteld, waarbij het risico op kindermishandeling door haar is beoordeeld.
2.8
Op 30 maart 2016 is door de G.I. het spoedverzoek uithuisplaatsing van de kinderen ingediend. Op diezelfde dag is door het Openbaar Ministerie een spoedverzoek uithuisplaatsing gedaan van de andere drie kinderen die in het gezin van klager en zijn nieuwe partner woonden. Beide verzoeken zijn bij beschikking van 1 april 2016 toegewezen.
2.9
De kinderen zijn sinds 24 december 2016 weer woonachtig bij klager en zijn huidige partner.
3. De klachten
Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven-:
1. dat verweerster het CARE-NL onderzoek niet goed heeft uitgevoerd en verkeerde conclusies heeft getrokken;
2. dat verweerster de onderbouwing van de risicotaxatie ten onrechte niet aan de rechtbank heeft gestuurd, waardoor de rechtbank gebruik heeft gemaakt van gebrekkige en incomplete informatie uit de samenvatting van de risicotaxatie.
4. Het verweer
4.1
Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag liggende stellingen uitvoerig weersproken. Ze heeft aangegeven dat het CARE-NL onderzoek is ingezet omdat met de daarvoor gebruikte methodiek een goed inzicht kon worden verkregen in de problematiek en risico’s binnen het gezin van klager. Dit onderzoek is door verweerster volgens de daaraan ten grondslag liggende richtlijnen uitgevoerd. Verweerster heeft meerdere bronnen geraadpleegd en ze heeft daar een samenvatting van gemaakt. Uit het onderzoek heeft zij de conclusie getrokken die, op basis van het onderzoek en het uitgebreide dossier, gerechtvaardigd was. De samenvatting die door verweerster is opgesteld, is een advies aan de gezinsvoogd die vervolgens verdere stappen kan ondernemen.
4.2
Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel is verweerster van mening dat het gebruikelijk is dat dossieranalyses, de onderbouwing van de samenvatting en conclusies van de kinderen, niet worden meegestuurd naar rechterlijke instanties. Alle afdelingen van de G.I. schrijven samenvattende rapportages op basis van binnengekomen dossierstukken en diverse informanten. Deze zijn opvraagbaar. Dit hebben zowel de rechterlijke instanties, als klager zelf in de procedure niet gedaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1
Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsoefening, rekening houdende met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Kernpunt van het geschil in deze zaak is de door klaagster opgestelde samenvatting van een risicotaxatie inzake kindermishandeling, ook wel CARE-NL taxatie genoemd.
Verweerster heeft in deze samenvatting de volgende conclusie getrokken:
“Op basis van deze analyse kan gesteld worden dat er risicofactoren aanwezig zijn die vanuit wetenschappelijk onderzoek, gekoppeld worden aan een risico op het gebruik van geweld. Daarnaast zijn er voor zover bekend, weinig tot geen beschermende factoren aanwezig in de situatie van het gezin Slabak. Het risico op het gebruiken van geweld door vader, na het krijgen van de forse slechtnieuwsberichten, is desondanks zeer lastig in te schatten. Of er daarnaast sprake is van zogenoemde alarmsignalen (risicofactoren die in hoge mate samenhangen met geweld), zoals suicide-ideatie, homocide-ideatie en geweld als laatste toevlucht zien, is uit het dossier op dit moment niet op te maken. Echter gezien de aanwezigheid van bovenstaande risicofactoren, is het advies om de kinderen na het geven van het advies tot uit huis plaatsing, met spoed uit huis te plaatsen.
Gezien het slechte nieuws dat vader en stiefmoeder op een dag zullen krijgen, is het advies daarnaast om vader en stiefmoeder dezelfde dag hulp aan te bieden vanuit de GGZ. Vanuit daar kan er een inschatting gemaakt worden van zijn en haar gemoedstoestand na deze berichten en welk risico’s hijzelf, zijzelf en andere betrokkenen mogelijk lopen.”
5.3
Aldus dient beoordeeld te worden of verweerster het CARE-NL onderzoek juist heeft uitgevoerd en of zij op grond hiervan de conclusie mocht trekken die zij heeft getrokken. Het college is op grond van de stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat verweerster het CARE-NL onderzoek op een gedegen wijze heeft uitgevoerd. Uit hetgeen verweerster ter zitting heeft verteld, blijkt dat zij veel ervaring heeft in het opmaken van dergelijke rapportages. Dit blijkt ook uit de gedegen manier waarop het dossieronderzoek door haar is gedaan en de beschrijving die door haar is opgemaakt. Aldus is het college van oordeel dat verweerster op een juiste en goed gedocumenteerde wijze de CARE-NL rapportage heeft opgemaakt.
5.4
Voor wat betreft de conclusie dat sprake is van risico op kindermishandeling acht het college van belang dat uit het dossier blijkt dat de mishandeling niet anders kan worden opgevat dan mishandeling door klager. Daarvan uitgaande had verweerster, zoals de richtlijnen voorschrijven, in beginsel tijdens haar onderzoek klager moeten horen. Verweerster heeft ter zitting aangegeven dat zij dit in dit geval niet heeft gedaan omdat zij veelvuldig contact had met de gezinsvoogd die goed op de hoogte was van de recente situatie binnen het gezin van klager. Daarnaast was sprake van een omvangrijk dossier en heeft verweerster voorafgaand aan de rapportage meerdere keren samen met de gezinsvoogd contact gehad met klager. Aldus had zij een goed beeld van de recente situatie. Het college acht deze zienswijze in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd. Het college is eveneens van oordeel dat het beter was geweest als verweerster het ontbreken van direct contact met klager in de rapportage had vermeld. Deze nalatigheid acht het college echter van onvoldoende gewicht om te oordelen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het eerste klachtonderdeel is aldus ongegrond.
5.5
In het tweede klachtonderdeel verwijt klager dat verweerster ten onrechte alleen de samenvatting naar de rechtbank heeft gestuurd, waardoor de rechtbank op basis van een incompleet dossier haar oordeel heeft gevormd.
Het college stelt vast dat het toesturen van stukken naar de rechtbank niet onder de verantwoordelijkheid van verweerster valt. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de G.I. instelling en hiervan kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt in de zin van artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Nu er ook voor het overige niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is het college van oordeel dat ook dit klachtonderdeel als ongegrond moet worden afgewezen.
6. Slotsom
De conclusie is, dat verweerder met betrekking tot de klachten geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De onderdelen van de klacht zullen dan ook als ongegrond worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder 2.1 tot en met 2.3, 2.5 en 2.9 in de beslissing in eerste aanleg. Naar aanleiding van – onder meer – hetgeen klager in beroep heeft aangevoerd zal het Centraal Tuchtcollege de feiten zoals door het Regionaal Tuchtcollege onder 2.4 en 2.6 tot en met 2.8 zijn vastgesteld als volgt aanpassen.
Onder 2.4 leest het Centraal Tuchtcollege in plaats van “Verweerster heeft in dit kader in 2012 psychodiagnostiek gedaan bij de kinderen.” “Verweerster heeft in dit kader in 2012 psychodiagnostiek gedaan bij één van de kinderen van klager.”
Onder 2.6 leest het Centraal Tuchtcollege in plaats van “Landelijk Expertise Bureau Bijzondere Zaken” “Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken”.
Overweging 2.7 leest het Centraal Tuchtcollege aldus:
“De G.I. heeft begin januari 2016 de beschikking gekregen over de rapportage van het LEBZ. Hieruit bleek dat niet geconstateerd kon worden dat de moeder de kinderen heeft mishandeld. Door verweerster is een CARE-NL rapportage opgesteld, waarbij het risico op kindermishandeling door haar is beoordeeld. Vervolgens heeft de G.I. besloten dat een spoedmachtiging uithuisplaatsing bij klager noodzakelijk was.”
De laatste zin onder 2.8 leest het Centraal Tuchtcollege aldus: “Beide verzoeken zijn bij beschikking van 30 maart 2016 toegewezen.”
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager is onder aanvoering van negen gronden in beroep gekomen van de
beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klager verzoekt het Centraal Tuchtcollege de klacht opnieuw te beoordelen.
4.2 De gz-psycholoog heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van de beslissing in eerste aanleg.
4.3 Met de eerste drie gronden richt klager zich tegen de vaststelling door het Regionaal Tuchtcollege van de feiten en omstandigheden. Het Centraal Tuchtcollege heeft hiervoor onder 3. de feiten met inachtneming van het door klager gestelde en waar relevant aangepast.
4.4 De gronden 4 tot en met 7 hebben kort gezegd betrekking op de weergave in de beslissing in eerste aanleg van de klacht en het verweer, alsmede op de expertise van het college in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft hetgeen klager in deze grieven naar voren brengt niet. De door het Regionaal Tuchtcollege geformuleerde klacht is een volledige en kernachtige samenvatting van de klachtonderdelen zoals die tijdens het mondeling vooronderzoek van 8 juni 2017 met partijen zijn besproken en voorts is hetgeen onder 4.1 en 4.2 in de beslissing in eerste aanleg is opgenomen een correcte weergave van de standpunten van de gz-psycholoog in eerste aanleg. Dit laatste is overigens in beroep ook door de gz-psycholoog bevestigd.
De zevende grond duidt het Centraal Tuchtcollege als een impliciet verzoek van klager om een deskundige te benoemen. Aan dit verzoek geeft het Centraal Tuchtcollege geen gehoor. Klager heeft onvoldoende onderbouwd waarom het inschakelen van een deskundige, naast de reeds in het College aanwezige expertise, noodzakelijk is en het Centraal Tuchtcollege ziet ook ambtshalve geen aanleiding een deskundige te benoemen.
4.5 Met de twee laatste gronden zijn door klager in beroep de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de gz-psycholoog nog een keer ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.
4.6 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 29 mei 2018 is dat debat voortgezet.
4.7 Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel, dat de gz-psycholoog de onderbouwing van de risicotaxatie ten onrechte niet aan de rechtbank heeft gestuurd, heeft het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege neemt hier over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder 5.5 heeft overwogen. Op dit punt faalt het beroep.
4.8 Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel, dat de gz-psycholoog het CARE-NL onderzoek niet goed heeft uitgevoerd en verkeerde conclusies heeft getrokken stelt het Centraal Tuchtcollege het volgende voorop.
Bij de beoordeling van de vraag of rapportages voldoen aan de daaraan te stellen eisen dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen (zie CTG 30 januari 2014, ECLI:NL:TGZCTG:2014:17):
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het Centraal Tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de gz-psycholoog uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de gz-psycholoog in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen.
4.9 De vraag of het onderzoek door de gz-psycholoog voldoende vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd beantwoordt het Centraal Tuchtcollege bevestigend. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft hetgeen hierover door het college in eerste aanleg onder 5.3 is overwogen.
Vervolgens resteert de vraag of de gz-psycholoog in het onderhavige geval in redelijkheid tot het advies tot spoeduithuisplaatsing heeft kunnen komen. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt daarover als volgt.
4.10 Gelet op het frequente contact van de gezinsvoogd met enerzijds het gezin van klager en anderzijds met de gz-psycholoog, op hetgeen uit de stukken is gebleken en op wat ter terechtzitting naar voren is gekomen, ontmoet de conclusie van de gz-psycholoog om een uithuisplaatsing te adviseren bij het Centraal Tuchtcollege geen bedenkingen. De door de gz-psycholoog geduide risicofactoren rechtvaardigen een dergelijk advies.
4.11 Voor de beoordeling van het advies de uithuisplaatsing per direct te laten plaatsvinden, is de context van de desbetreffende situatie van belang. Ter terechtzitting in beroep heeft de gz-psycholoog aangegeven dat zij de belangrijkste kritieke en onveranderbare risicofactoren zoals die uit de test naar voren kwamen met collega’s heeft besproken. Zij heeft een inschatting gemaakt van de invloed van meerdere te verwachten negatieve berichten op de gemoedsrust van klager en van het effect dat een en ander zou kunnen hebben op het gezin. De gz-psycholoog heeft voorts ter terechtzitting gesteld dat in situaties waarbij geweld is gebruikt veelal sprake is van de risicofactoren die ook bij klager aanwezig waren. De vervolgens door haar opgestelde conclusie van het rapport met daarin het advies tot spoeduithuisplaatsing heeft zij met haar collega’s besproken en de uitkomst van deze gesprekken heeft zij verwerkt in het rapport en daarbij is de conclusie verder aangescherpt.
4.12 Op basis van het hiervoor onder 4.11 gestelde oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de gz-psycholoog in redelijkheid tot het advies tot spoeduithuisplaatsing heeft kunnen komen en dat dit advies op basis van een zorgvuldige afweging tot stand is gekomen. In zijn algemeenheid overweegt het Centraal Tuchtcollege evenwel dat het de voorkeur verdient wanneer een hulpverlener, die niet alleen een advies tot uithuisplaatsing geeft maar tevens adviseert om die uithuisplaatsing met spoed te doen plaatsvinden, bij de conclusie met betrekking tot het element van spoed de specifieke vrees voor het uit de hand lopen van de situatie (meer) adstrueert aan de hand van de gesignaleerde risicofactoren in relatie tot de persoon van de betrokken ouder. Gelet op de context van het onderhavige geval en gelet op het feit dat het advies tot spoeduithuisplaatsing tot stand is gekomen na en in overleg met zowel de gezinsvoogd als met andere hulpverlenende instanties, kan de gz-psycholoog er echter geen tuchtrechtelijk verwijt van worden gemaakt dat zij de vrees voor escalatie in het rapport slechts summier heeft gespecificeerd. Ook op dit punt faalt het beroep.
4.13 Al het voorgaande tezamen leidt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht heeft afgewezen. Het beroep van klager moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en
mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en drs. M.A.J. Hagenaars en drs. R.M.H. Schmitz, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.