ECLI:NL:TGZCTG:2018:191 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.403
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:191 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2018 |
| Datum publicatie: | 03-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2017.403 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen gz-psycholoog. Klager en zijn toenmalige partner hebben in het kader van relatietherapie vier gesprekken gevoerd met de gz-psycholoog. Tussen het derde en het vierde gesprek in heeft de partner de relatie met klager beëindigd. Klager verwijt de gz‑psycholoog dat (a) hij onprofessioneel, inadequaat en in strijd met de zorgplicht heeft gehandeld door geen dan wel onvoldoende oog te hebben voor het belang van klager in de gevoerde gesprekken; (b) hij onzorgvuldig heeft gehandeld door klager te vertellen over het telefonische contact dat hij met klagers moeder heeft gehad; (c) hij na afloop van de gesprekken niet bereid was om zijn rol in de gesprekken met klager te bespreken; (d) hij geen aandacht had voor klagers zorgen dat de ex-partner zou lijden aan anorexia en de invloed die dit had op de relatie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel d en de klacht voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen. Het beroep van klager slaagt voor wat betreft het klachtonderdeel c. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing in eerste aanleg, verklaart klachtonderdeel c gegrond en legt aan de gz-psycholoog de maatregel van waarschuwing op. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.403 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., gz-psycholoog, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. – hierna klager – heeft op 31 januari 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de gz-psycholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 2 augustus 2017, onder nummer 1729, heeft dat College klager in zijn klacht deels niet‑ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
1.2 De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 mei 2018, waar zijn verschenen klager, in persoon, en de gz‑psycholoog, in persoon en bijgestaan door mr. L. Neuschäfer-Greebe.
Zowel klager als de gz-psycholoog en zijn gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Op 21 maart, 11 april, 9 mei en 9 juni 2016 hebben klager en zijn toenmalige partner (hierna: de ex-partner) gesprekken gevoerd met verweerder in het kader van relatietherapie. Tussen het derde en vierde gesprek in heeft de ex-partner de relatie beëindigd.
Op 16 juni 2016 is verweerder gebeld door de moeder van klager. Zij wilde komen praten over de gesprekken die verweerder met klager en de ex-partner heeft gehad. Verweerder heeft telefonisch uitgelegd waarom hij aan dit verzoek geen gehoor kon geven en heeft vervolgens daarover telefonisch contact met klager opgenomen.
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder het volgende:
a) verweerder heeft onprofessioneel, inadequaat en in strijd met de zorgplicht gehandeld door niet dan wel onvoldoende oog te hebben voor het belang van klager in de gevoerde gesprekken. Verweerder heeft klager en de ex-partner niet gelijkwaardig behandeld en de gesprekken op onzorgvuldige en partijdige wijze geleid. Hij had stelselmatig meer ruimte en begrip voor het verhaal van de ex-partner dan voor klagers verhaal. Ook nam verweerder klagers verhaal niet serieus en had hij onvoldoende oog voor klagers belangen. Bovendien heeft verweerder nagelaten om voorstellen te doen die van een relatietherapeut verwacht mogen worden en heeft hij klager en de ex-partner tegen elkaar uitgespeeld.
b) verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door klager te vertellen over het telefonische contact dat verweerder met klagers moeder heeft gehad.
c) verweerder was na afloop van de gesprekken niet bereid om zijn rol in de gesprekken met klager te bespreken.
d) verweerder had geen aandacht voor klagers zorgen dat de ex-partner zou lijden aan anorexia en de invloed die dit had op de relatie.
4. Het standpunt van verweerder
Ad a) Verweerder heeft klager vaak moeten onderbreken om de ex-partner ook in de gesprekken te betrekken en om te bezien of relatietherapie een optie was. Het was nog steeds een intake-, verkenningsfase: er hadden drie intakegesprekken plaatsgevonden, toen de ex-partner besloot om de relatie met klager te beëindigen. Er viel niet altijd een simpel antwoord op klagers vragen te geven. De behoefte van de ex-partner was een heel andere dan die van klager. Verweerder probeerde helder te krijgen waarom de communicatie tussen beide partners moeilijk was en ze niet met elkaar in gesprek gingen over lastige onderwerpen. Verweerder wilde de vraag bij wie de schuld lag van tafel krijgen, want daarmee kom je niet nader tot elkaar.
Ad b) Verweerder heeft de poging tot een gesprek van klagers moeder bezien in het kader van uitbreiding van het systeem en daarover heeft verweerder met klager contact opgenomen. Met klagers moeder kon verweerder niet praten vanwege zijn geheimhoudingsplicht.
Ad c) Het was verweerder niet duidelijk dat klager de gesprekken wilde evalueren. Verweerder heeft zijn verzoek tot een gesprek opgevat als een hulpvraag. Verweerder maakte zich ernstig zorgen om klager en vond hulpverlening noodzakelijk. Verweerder heeft klager het advies gegeven om naar de huisarts te gaan en elders begeleiding te zoeken. Als klagers intentie destijds duidelijk was geweest, dan had verweerder zeker willen praten.
Ad d) Verweerder meent dat klager ter zake van dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu klager te dien aanzien niet als rechtstreeks belanghebbende is aan te merken. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van het RTG Zwolle van 13 februari 2017.
5. De overwegingen van het college
Ad a) Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van mondelinge communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het college, dat van die communicatie immers geen getuige is geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed) over te brengen. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen enerzijds leken en anderzijds professionals het misverstaan van elkaar een voortdurend actueel gevaar is, dat nog toeneemt naarmate deelnemers aan die communicatie bij het onderwerp ervan emotioneel betrokken zijn. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van verwijten als bedoeld, voor derden tot een moeilijke opgaaf.
Klager heeft kunnen lezen dat verweerder ofwel ontkent dat hij het (zo) heeft gezegd zoals klager stelt, ofwel een andere kleur of interpretatie geeft aan hetgeen hij aan klager heeft gezegd dan klager daaruit heeft opgemaakt. Nu alleen klager, verweerder en de ex-partner aan die gesprekken hebben deelgenomen, en de ex-partner en haar dossier niet bij onderhavige tuchtzaak worden betrokken, is niet vast te stellen hoe die gesprekken precies zijn verlopen.
Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.
Ad b) Dat verweerder vanwege zijn geheimhoudingsplicht ervoor gekozen heeft om niet met klagers moeder te spreken over de gesprekken, is naar het oordeel van het college een volstrekt juiste keuze geweest. Deze keuze diende het belang van klager en de ex-partner.
Ad c) Hoewel het mogelijk ongelukkig is dat verweerder het verzoek van klager om de gesprekken te evalueren niet als zodanig heeft opgevat kan hieraan geen tuchtrechtelijke consequentie verbonden worden. Immers verweerder heeft het verzoek van klager als een hulpvraag opgevat en heeft dienovereenkomstig gehandeld.
Ad d) Om aangemerkt te worden als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) dient er aan de zijde van klager sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken. Naar het oordeel van het college voldoet het belang dat klager bij het indienen van de klacht stelt te hebben niet aan deze eis, nu het de individuele gezondheidszorg van klagers ex-partner betreft. Het college is van oordeel dat klager ter zake van dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
Op grond van het voorgaande wordt de klacht afgewezen als deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
4.2 De gz-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Klachtonderdeel a
4.3 Klager en de gz-psycholoog zijn ook in beroep verdeeld over de wijze waarop de gesprekken zijn verlopen en over hetgeen daar is voorgevallen en gezegd. Klager stelt onder meer dat de gz-psycholoog hem en zijn ex-partner niet gelijkwaardig heeft behandeld en onvoldoende oog heeft gehad voor zijn belangen. Klager heeft in dit verband een groot aantal zaken naar voren gebracht. Voor de gz-psycholoog geldt dat hij ofwel ontkent dat hij de uitlatingen heeft gedaan die hem worden verweten, ofwel dat daaraan een andere interpretatie moet worden gegeven dan klager doet.
4.4 Nu alleen klager, de gz-psycholoog en de ex-partner van klager aan de gesprekken hebben deelgenomen, kan niet goed worden vastgesteld welk van beide lezingen het meest aannemelijk is. In een geval als dit kan de context waarin uitlatingen zijn gedaan bepalend zijn voor de betekenis van die uitlatingen, maar die context is – zo blijkt – niet goed te reconstrueren. Het Centraal Tuchtcollege merkt daarbij nog op dat het dossier dat de gz-psycholoog heeft gemaakt van de contacten met klager en zijn ex-partner - dat misschien meer inzicht zouden kunnen geven in het verloop van de gesprekken - geen deel uitmaakt van de stukken in deze procedure, omdat hiervoor de vereiste toestemming van de ex-partner ontbreekt.
4.5 Het vorenstaande brengt mee dat, zoals het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft overwogen, klachtonderdeel a niet gegrond kan worden verklaard. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van de gz-psycholoog, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat bepaalde verweten gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, eerst moet worden vastgesteld dat de feitelijke grondslag voor dat oordeel aanwezig is, dat wil zeggen dat aannemelijk is geworden dat feitelijk sprake is van zodanige gedragingen. Dat is hier niet het geval. Anders dan klager in beroep betoogt, betekent dit niet dat dit klachtonderdeel niet inhoudelijk is beoordeeld. Van een inperking van het klachtrecht, zoals klager stelt, is dan ook geen sprake.
De klachtonderdelen b en c
4.6 Klager betoogt ook in beroep dat de gz-psycholoog onzorgvuldig heeft gehandeld door klager te vertellen over het telefonische contact dat de gz-psycholoog met klagers moeder heeft gehad en voorts dat de gz-psycholoog na afloop van de gesprekken niet bereid was om zijn rol in de gesprekken met klager te bespreken.
Deze klachtonderdelen zien beide op de periode na de vier gesprekken met klager en zijn ex-partner en lenen zich naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voor gezamenlijke bespreking.
4.7 De gz-psycholoog heeft in zijn verweer hierover naar voren gebracht dat tijdens het vierde gesprek met klager en zijn ex-partner is afgesproken dat – teneinde tot een zorgvuldige afwikkeling van de therapie te komen – beiden na een paar dagen contact met de gz-psycholoog zouden opnemen. Dit is vervolgens ook gebeurd. Tijdens het telefoongesprek met klager heeft de gz-psycholoog hem geadviseerd contact op te nemen met zijn huisarts, om daar het effect van het beëindigen van de relatie op klager te bespreken, en gezegd dat een consult bij een psychiater passend kon zijn. Gelet op een mogelijk suïciderisico, vond de gz‑psycholoog een verwijzing naar de specialistische GGZ aangewezen. Klager heeft de gz-psycholoog toen toegezegd contact op te nemen met zijn huisarts.
4.8 Later werd de gz-psycholoog gebeld door een vrouw die een afspraak met hem wilde maken, maar de reden hiervoor niet wilde geven. Het gesprek werd beëindigd zonder dat de gz-psycholoog wist dat de vrouw de moeder van klager was. Pas na het gesprek rees bij de gz‑psycholoog het vermoeden dat het de moeder van klager betrof. Daarop heeft de gz-psycholoog met klager telefonisch contact opgenomen, om te vragen of dit inderdaad het geval was. Klager zei dat zijn moeder op zijn uitdrukkelijk verzoek met de gz‑psycholoog contact had opgenomen. Klager uitte in dit tweede telefoongesprek ook zijn ontevredenheid over de door de gz-psycholoog verleende zorg en stelde dat deze zijn verantwoordelijkheid als therapeut zou ontlopen. De gz-psycholoog heeft er toen bij klager opnieuw op aangedrongen dat hij contact met zijn huisarts zou opnemen, teneinde een verwijzing naar de specialistische GGZ te verkrijgen. Hierna heeft de gz-psycholoog weer contact opgenomen met de moeder van klager en haar laten weten dat hij met het oog op de in acht te nemen geheimhouding niet met haar over de inhoud van de gesprekken met haar zoon en zijn ex-partner mocht spreken.
Gelet op stukken en het verhandelde ter terechtzitting, acht het Centraal Tuchtcollege deze gang van zaken aannemelijk.
4.9 Het Centraal Tuchtcollege vermag niet in te zien dat de keuze van de gz‑psycholoog om vanwege de geheimhoudingsplicht niet met de moeder van klager te spreken over de gevoerde gesprekken, onzorgvuldig was. In de hiervoor geschetste omstandigheden kan evenmin worden staande gehouden dat de gz-psycholoog de privacy van de moeder van klager heeft geschonden door klager te vertellen over het telefonische contact dat hij met – zo bleek tijdens het tweede telefoongesprek met klager – diens moeder heeft gehad . Het Centraal Tuchtcollege volgt derhalve het Regionaal Tuchtcollege in zijn oordeel dat klachtonderdeel b ongegrond is.
4.10 Het Centraal Tuchtcollege overweegt ten aanzien van klachtonderdeel c dat de gz‑psycholoog in eerste aanleg en in zijn verweerschrift in beroep heeft benadrukt dat hij de uiting van klager, gedaan tijdens het tweede telefoongesprek, dat hij ontevreden was over de verleende zorg, heeft opgevat als een herhaalde hulpvraag en niet als een verzoek van klager om de gesprekken te evalueren. Omdat de gz‑psycholoog zich zorgen maakte over klager en meende dat hij meer gebaat zou zijn bij behandeling door de specialistische GGZ, heeft hij klager toen opnieuw naar zijn huisarts verwezen. Ter terechtzitting heeft de gz-psycholoog hierover verder verklaard dat het hem toen niet verstandig leek om in te gaan op het verzoek van klager de gesprekken te evalueren. De gz-psycholoog was naar eigen zeggen bang dat klager – wanneer de gz‑psycholoog wel zou ingaan op zijn verzoek – geen specialistische hulp meer zou zoeken en dat hij de gesprekken met hem zou willen voortzetten. Klager ontkent ten stelligste dat de gz-psycholoog zijn uiting van onvrede met de verleende zorg als een herhaalde hulpvraag kon opvatten.
4.11 Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de gz-psycholoog klager al had geadviseerd om contact op te nemen met zijn huisarts, ten einde specialistische GGZ-zorg te verkrijgen, toen klager in het tweede telefoongesprek alsnog zijn onvrede uitte over de door de gz‑psycholoog verleende zorg en hem verzocht de gesprekken met hem te evalueren. De gz-psycholoog heeft ter terechtzitting niet duidelijk gemaakt waarom hij van een evaluatiegesprek met klager meende te moeten afzien. In het bijzonder acht het Centraal Tuchtcollege niet duidelijk gemaakt waarom een evaluatiegesprek met klager ertoe zou leiden dat deze geen specialistische hulp meer zou zoeken. Daarbij wijst het Centraal Tuchtcollege erop dat een evaluatiegesprek een belangrijke rol kan spelen in het afronden van een gevolgde therapie en het mogelijk zoeken van een passend vervolg daarop door een betrokkene. Het Centraal Tuchtcollege is dan ook, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat de gz-psycholoog in zijn zorgplicht naar klager is tekortgeschoten door af te zien van een evaluatiegesprek met klager. Klachtonderdeel c is dus gegrond. Het beroep van klager slaagt op dit punt.
Klachtonderdeel d
4.12 Klager stelt ook in beroep dat de gz-psycholoog geen aandacht had voor zijn zorgen dat zijn ex-partner zou lijden aan anorexia en de invloed die dit had op de relatie. Hij betoogt dat het Regionaal Tuchtcollege hem in dit onderdeel van zijn klacht (klachtonderdeel d) ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.13 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat binnen klachtonderdeel d twee aspecten kunnen worden onderscheiden. Enerzijds betreft dit klachtonderdeel de zorgen van klager over de gezondheidstoestand van zijn ex-partner. Het Centraal Tuchtcollege verwijst hierbij onder meer naar de stelling van klager in zijn klaagschrift dat de gz‑psycholoog de ex-partner van klager zo nodig had kunnen aansporen om de juiste hulp te gaan zoeken. Anderzijds betreft dit klachtonderdeel de zorgen van klager over wat de gezondheidstoestand van zijn ex-partner betekende voor klager zelf en voor de relatie.
4.14 Waar het gaat om het eerste aspect van klachtonderdeel d volgt het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat dit betrekking heeft op de individuele gezondheidszorg van de ex-partner van klager en dat klager ter zake niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet BIG. De door klager overgelegde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel. Deze laten immers onverlet dat in dit geval voor de indiening van dit klachtonderdeel de toestemming van de ex‑partner van klager is vereist.
4.15 Voor het tweede aspect van klachtonderdeel d – het gestelde gebrek aan aandacht van de gz-psycholoog voor de zorgen van klager over wat de gezondheidstoestand van zijn ex-partner betekende voor klager zelf en voor de relatie – geldt dat dit al bij klachtonderdeel a is besproken. Dit aspect behoeft daarom geen zelfstandige bespreking meer.
4.16 Voor wat betreft de op te leggen maatregel in verband met klachtonderdeel c acht het Centraal Tuchtcollege de oplegging van een waarschuwing passend en toereikend.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover klagers klacht geheel is afgewezen;
en, opnieuw rechtdoende:
verklaart het klachtonderdeel dat de gz-psycholoog na afloop van de gesprekken niet bereid was om zijn rol in de gesprekken met klager te bespreken alsnog gegrond;
legt dienaangaande aan de gz-psycholoog de maatregel van waarschuwing op;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en
mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en drs. M.A.J. Hagenaars en drs. R.M.H. Schmitz, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.