ECLI:NL:TGZCTG:2018:185 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.514
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:185 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-06-2018 |
| Datum publicatie: | 27-06-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.514 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts in opleiding tot gynaecoloog. De arts heeft klaagster één keer gezien. Klaagster verwijt de arts (1) dat zij meldde dat de opgevraagde medische gegevens nog niet aanwezig waren, terwijl die wel al ontvangen waren. Volgens klaagster heeft de arts óf niet goed gelezen, óf tegen klaagster gelogen omdat zij klaagster niet wilde helpen. Verder verwijt klaagster de arts (2) gekleurde uitlatingen in haar verslag te hebben gedaan over klaagsters houding en haar wens om snelle service te verkrijgen (3) dat klaagster na een eerder consult werd weggestuurd (4) dat haar verslaglegging incompleet was. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing in beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.514 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., Arts in opleiding tot gynaecoloog, werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. drs. M. Kremer, advocaat te Groningen.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. – hierna klaagster – heeft op 2 juni 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van
7 november 2017, onder nummer G2017/91, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.
1.2 De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2017.515 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 juni 2018, waar zijn verschenen klaagster, in persoon en bijgestaan door F., en de arts, bijgestaan door mr. drs. M. Kremer. Zowel klaagster als de arts en haar gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.
2.1
Verweerster is werkzaam als gynaecoloog in het G.. Klaagster werd door haar gezien op 31 maart 2016 in verband met lichamelijke klachten.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
Toen klaagster op 31 maart 2016 door verweerster werd gezien, luisterde verweerster maar even naar klaagster en keek vervolgens op het scherm van haar computer. Verweerster zei dat ze nog niet beschikte over de opgevraagde informatie van de ziekenhuizen waar klaagster eerder onder behandeling was geweest. Klaagster hoorde op 3 of 4 april 2016 echter van de secretaresse van de afdeling dat die informatie er wel was. Klaagster concludeert hieruit dat verweerster niet goed kan lezen, dan wel dat zij klaagster op 31 maart 2016 gewoonweg niet wilde helpen. In het verslag van dit consult staat dat klaagster boos kwam binnenlopen en vond dat ze recht had op een snelle service. Het laatste heeft verweerster vast sarcastisch bedoeld. En wat het ‘boos binnen komen lopen’ betreft, geldt dat klaagster al jaren een grote tumor heeft uitgaande van haar eierstokken. Destijds koos ze ervoor haar afweersysteem zo sterk mogelijk te houden door middel van voedingssupplementen. Dit laatste is echter bemoeilijkt de laatste jaren doordat ze zonder werk en geld is geraakt en ze de voedingssupplementen niet langer kan bekostigen. Ook kan ze geen eten meer betalen. Door al deze omstandigheden, gecombineerd met de stress die hiermee gepaard gaat, zijn de bloedingen weer teruggekomen. Hiervoor werd zij vóór 31 maart 2016 ook al door verweerster gezien. Verweerster stuurde klaagster echter gewoon weg met de mededeling dat eerst de medische gegevens moesten worden opgevraagd en dat dit wel een maand ging duren. Na enkele dagen besloot klaagster te bellen met de afdeling Gynaecologie van het G., omdat ze gezien haar medische situatie niet zo lang wilde wachten. Ze legde een en ander telefonisch uit aan de secretaresse van de afdeling. Zo kwam de afspraak op 31 maart 2016 tot stand. Klaagster kwam toen niet boos binnenlopen, maar eerder geagiteerd en gestrest. Verweerster loog volgens klaagster toen ze tijdens dit consult zei dat er nog geen medische informatie beschikbaar was. Daarnaast wilde verweerster in geen van beide verslagen melden dat klaagster had gezegd dat ze zonder geld en eten zat. Verweerster heeft door niet de oorzaak van klaagsters klachten te vermelden in het verslag het vertrouwen van klaagster in haar geschaad. Als klaagster als gevolg van haar klachten was komen te overlijden, zou de oorzaak door verweersters handelwijze niet achterhaald kunnen worden. Door zo te handelen heeft verweerster een belangrijke plicht jegens klaagster geschonden.
4. Het verweer
Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
4.1 Algemeen
Voordat klaagster bij het G. onder behandeling kwam, was zij – voor zover hier relevant – als eerste in 1998 onder behandeling bij het H.. Uit de medische informatie vanuit dit ziekenhuis blijkt dat destijds onderzoek bij klaagster is verricht, dat klaagster over de resultaten is ingelicht en dat zij niet bereid was verdere behandeling te ondergaan. Klaagster heeft een geplande CT-scan afgezegd en heeft, na een consult op 17 augustus 1998 ter bespreking van de behandelmogelijkheden, niets meer van zich laten horen.
Voorts blijkt uit de brieven van 19 november 2012 en 30 januari 2015 van het I.- Ziekenhuis gericht aan klaagsters huisarts dat bij klaagster in 1998 de diagnose ‘waarschijnlijk ovarium carcinoom’ is gesteld. Ook blijkt hieruit dat zij toen reguliere behandeling heeft geweigerd en voor spirituele maatregelen heeft gekozen. Op basis van deze informatie heeft verweerster niet kunnen vaststellen dat er bij klaagster daadwerkelijk een vorm van een ovarium carcinoom is gediagnosticeerd. Uit de brief van 19 november 2012 blijkt ook dat klaagster zich op 5 november 2012 zonder verwijsbrief op de polikliniek Interne geneeskunde heeft gemeld in het I.-Ziekenhuis met het verzoek een scan van haar buik te laten maken. Uit de echo bleek dat er een ‘forse tumor’ in de onderbuik zat. De behandelend internist twijfelde echter aan de juistheid van de in 1998 gestelde diagnose, gezien het lange tijdsverloop sindsdien. Klaagster was echter niet bereid verdere onderzoek of behandeling te ondergaan. De brief sluit af met de mededeling dat de internist bij deze stand van zaken niet veel meer voor klaagster kan betekenen.
Op 22 januari 2015 werd klaagster wederom gezien op de polikliniek. Haar werd geadviseerd klinisch het bloedverlies te observeren en het ijzergehalte (Hb) te vervolgen. Klaagster weigerde echter opname en verscheen ook niet op de controleafspraak die met haar was gemaakt.
Op 18 maart 2016 heeft klaagster zich voor het eerst bij het G. gemeld, nadat zij met spoed verwezen was wegens bloedverlies. Zij werd toen gezien door een aios gynaecologie. Klaagster gaf tijdens het consult aan dat het bloedverlies in relatie zou staan met haar verminderde voedingstoestand of stress en dat zij afzag van de meeste conventionele diagnostiek en therapie. Ook zou zij zich hebben afgevraagd wat de behandelingsmogelijkheden zouden kunnen zijn indien cyklokapron en primolut niet meer afdoende zouden zijn. Zij verzocht om een behandelplan, op te stellen in samenspraak met een diëtiste en een gynaecoloog. Zij wilde tijdens dit consult echter niet algemeen en/of gynaecologisch worden onderzocht. Tijdens dit consult is besproken dat het staken van de bloedingen met behulp van cyklokapron geen kwaad kan en dat ze in geval van hevig bloedverlies te allen tijde contact kon opnemen met de dienstdoende gynaecoloog. Voorts zouden de medische gegevens bij de voorgaande ziekenhuizen worden opgevraagd. Voorts werd afgesproken dat klaagster op
20 april 2016 zou terugkomen voor een vervolgafspraak om dan de medische gegevens met de hoofdbehandelaar te bespreken, alsmede eventuele vervolgdiagnostiek en daaruit voortvloeiende therapie. Blijkens het klaagschrift vond klaagster dit te lang duren en heeft zij vervolgens op 30 maart 2016 een spoedafspraak laten maken voor de volgende dag. Klaagster werd op 31 maart 2016 eenmalig door verweerster gezien. Verweerster moest vaststellen dat de opgevraagde medische gegevens zich nog niet in het dossier bevonden en deelde dit zo ook aan klaagster mede. Achteraf is gebleken dat de betreffende gegevens toen wel al per fax waren binnengekomen, maar nog ter beoordeling in het postvak lagen. De gegevens waren dus nog niet doorgenomen, zoals in de planning stond in verband met de gemaakte afspraak op 20 april 2016. Verweerster heeft van een en ander verslag uitgebracht aan klaagsters huisarts, waarbij zij ook meldde dat klaagster tijdens de consulten in het G. niet meer vloeide en daarna niet meer teruggezien is op de poli. De afspraak op 20 april 2016 zegde klaagster af, omdat zij eerst een en ander met haar huisarts wilde bespreken. Daarna heeft klaagster aanvankelijk niets meer van zich laten horen.
Pas op 21 november 2016 meldde klaagster zich met soortgelijke klachten opnieuw bij het G.. Hier was verweerster echter niet meer bij betrokken.
4.2 Verweer ten aanzien van het verwijt omtrent de beschikbaarheid van de medische gegevens op 31 maart 2016.Klaagster verwijt verweerster dat tijdens het consult op 31 maart 2016 óf niet goed kon lezen, óf niet bereid was klaagster te helpen. Dit leidt klaagster af uit het feit dat achteraf bleek dat de opgevraagde medische gegevens tijdens dat consult al aanwezig waren op het secretariaat van de afdeling. Verweerster bestrijdt de verwijten. Tijdens het consult nam zij het dossier van klaagster door en constateerde terecht dat de betreffende stukken zich op dat moment nog niet daarin bevonden. Zij las niets verkeerd en was evenmin onwillig om klaagster te helpen.
4.3 Verweer ten aanzien van het verwijt dat verweerster een ‘sarcastisch’ verslag zou hebben opgesteld, waarin voorts ten onrechte staat dat klaagster boos kwam binnenlopen. De opmerkingen in het verslag zijn niet sarcastisch bedoeld, maar zijn enkel een weergave van hoe klaagster binnenkwam in de beleving van verweerster (boos) en wat zij tegen verweerster zei (dat ze recht had op een snelle service).
4.4 Verweer ten aanzien van het verwijt dat klaagster zou zijn weggestuurd na haar eerste bezoek. De medische gegevens van klaagster waren ten tijde van het consult nog niet beschikbaar, verwerkt en intern besproken. Hiervoor was de afspraak op
20 april 2016 gemaakt. Deze afspraak heeft klaagster echter zelf afgezegd.
4.5 Verweer ten aanzien van het verwijt dat het verslag niet compleet zou zijn
Klaagster gaat er aan voorbij dat een arts een verslag opstelt naar eigen inzichten en daarin opneemt wat hij of zij zelf relevant vindt. Een arts is niet gehouden om alles in een verslag op te nemen wat een patiënt naar voren brengt en zelf relevant acht. Van een ‘schending van een belangrijke plicht’ jegens klaagster is geen sprake.
5. Beoordeling van de klacht
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet omgaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2 Eerste klachtonderdeel: beschikbaarheid medische gegevens op 31 maart 2016
De partijen zijn het er over eens dat verweerster op 31 maart 2016 tegen klaagster zei dat de opgevraagde medische gegevens nog niet aanwezig waren, terwijl die wel al ontvangen waren. Het college heeft geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Klaagster stelt dat verweerster óf de aanwezigheid van de stukken over het hoofd heeft gezien door een en ander niet goed te lezen, óf dat zij loog tegen klaagster omdat zij klaagster niet wilde helpen. Verweerster heeft beide stellingen gemotiveerd betwist door toe te lichten dat de stukken achteraf gezien weliswaar als in het postvakje aanwezig bleken te zijn, maar zich ten tijde van het consult nog niet in het dossier van klaagster bevonden. Het college acht geen aanknopingspunt aanwezig om aan de juistheid van deze uitleg te twijfelen. Deze uitleg is onverenigbaar met de verwijten die klaagster verweerster maakt in dit verband, wat daar verder ook van zij. Nu het college hier ook niet in enig ander opzicht – binnen de reikwijdte van dit klachtonderdeel – een tuchtrechtelijk verwijt aan verbindt, zal het eerste klachtonderdeel kennelijk ongegrond worden verklaard.
5.3 Tweede klachtonderdeel: gekleurde uitlatingen in verslag over klaagsters houding en haar wens om snelle service te verkrijgen. Het college volgt klaagster niet in haar stelling dat het verslag van 31 maart 2016 blijk geeft van sarcasme. Daarnaast geldt dat niet valt in te zien in welke zin het tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat verweerster klaagster houding bij binnenkomst, die klaagster zelf als ‘geagiteerd en stresserig’ omschrijft, heeft ervaren en in het verslag heeft omschreven als ‘boos’. Het gaat om een subjectieve beleving van verweerster, die zij in haar eigen woorden mag omschrijven. En als klaagster iets heeft gezegd tijdens het consult dat verweerster van belang acht om om haar moverende redenen vast te leggen, zoals dat klaagster vond dat ze recht heeft op een snelle service, heeft verweerster het recht dat te doen. Een en ander neemt niet weg dat de inhoud van een verslag van een zorgverlener wel degelijk aan objectieve normen en maatstaven onderworpen is en daardoor tuchtrechtelijk toetsbaar is. Een van die normen of maatstaven is echter niet dat de patiënt zich in elke formulering moet kunnen vinden. De verslaglegging waar het hier om gaat, ook al is deze niet naar de zin van klaagster, geeft het college geen aanleiding om verweerster enig verwijt te maken. Het tweede klachtonderdeel is derhalve ook kennelijk ongegrond.
5.4 Derde klachtonderdeel: klaagster werd weggestuurd na eerste consult
Klaagster refereert hier blijkens het klaagschrift aan haar éérste consult in het G., dat plaatsvond op 18 maart 2016. Hier was verweerster blijken de stukken niet bij betrokken, wat ook niet wordt betwist door klaagster. Reeds hierdoor is dit derde klachtonderdeel kennelijk eveneens ongegrond.
5.5 Vierde klachtonderdeel: incompleet verslag
Klaagster is van mening dat verweersters verslaglegging incompleet is nu daarin niet de oorzaak van klaagsters bloedingen is opgenomen, te weten dat klaagster zonder inkomen zat en geen eten tot zich nam. Het college deelt klaagsters standpunt niet. Het is aan verweerster om te bepalen wat zij in haar verslaglegging opneemt en niet aan klaagster. Bovendien betreft het hier zelfdiagnostiek van klaagster, althans klaagster droeg de betreffende omstandigheden tijdens het consult zelf als oorzaak van de bloedingen aan, en gaat het hier niet om een door verweerster geconstateerde oorzaak van eventuele bloedingen. Overigens was er blijkens het verslag op
31 maart 2016 geen sprake van bloedingen. Klaagster heeft dit niet weersproken.
Een en ander maakt dat ook het vierde en laatste klachtonderdeel als kennelijk ongegrond zal worden afgewezen.”
3. Beoordeling van het beroep
3.1 Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
3.2 De arts heeft verweer gevoerd en concludeert tot verwerping van het beroep.
3.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg door klaagster geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
3.4 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juni 2018 is dat debat voortgezet. Daarbij is van de zijde van verweerster nogmaals bevestigd dat zij ten tijde van het consult van 31 maart 2016 in het G. werkzaam was als arts in opleiding tot gynaecoloog.
3.5 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
4. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. A.R.O. Mooy en
mr. drs. R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en drs. F.M.M. van Exter en dr. J.C.M. van Huisseling, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.