ECLI:NL:TGZCTG:2018:183 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.232

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:183
Datum uitspraak: 26-06-2018
Datum publicatie: 27-06-2018
Zaaknummer(s): c2017.232
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen gz-psycholoog. Klaagster verwijt verweerder dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden doordat hij vertrouwelijke informatie over klaagster met derden heeft gedeeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen en het beroep van klaagster wordt door het Centraal Tuchtcollege verworpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.232 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., gz-psycholoog, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. L. Neuschäfer-Greebe, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 15 juli 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de gz-psycholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 april 2017, onder nummer 16/246, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 mei 2018, waar zijn verschenen klaagster, en de gz-psycholoog, bijgestaan door mr. Neuschäfer-Greebe voornoemd.

Zowel klaagster als de gz-psycholoog en zijn gemachtigde hebben hun standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klaagster heeft een afspraak gemaakt met verweerder, GZ-psycholoog, voor een intakegesprek op 17 februari 2014. Klaagster is toen zonder bericht niet verschenen. Verweerder heeft voor dit consult een zogenaamd “no-show-tarief” in rekening gebracht.

2.2.      Op 24 februari 2014 heeft het intakegesprek alsnog plaatsgevonden. In dat gesprek heeft klaagster toegelicht dat haar klachten met name werden veroorzaakt door problemen met haar buren.

2.3.      Op 10 maart 2014 heeft een tweede consult plaatsgevonden. Tijdens dit consult heeft klaagster het vermoeden geuit dat verweerder vertrouwelijke informatie over klaagster, zonder haar toestemming, heeft gedeeld met derden. Verweerder heeft dit ontkend.

2.4.      Na dit consult heeft klaagster bij haar huisarts een verwijzing naar een andere psycholoog gevraagd.

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden doordat hij vertrouwelijke informatie over klaagster met derden heeft gedeeld.

Klaagster heeft aan haar klacht ten grondslag gelegd dat verweerder informatie over haar heeft verstrekt aan de GGD of aan de huisarts van haar buurvrouw. Zij denkt zelf dat het aan de huisarts van haar buurvrouw is geweest. Enkele dagen na haar eerste gesprek met verweerder waren haar andere buren namelijk opeens boos op haar. Ook is er direct na het eerste gesprek hulpverlening op gang gekomen en wordt er bij haar buurvrouw dagelijks medicatie aan huis bezorgd. De huisarts van haar buurvrouw is tevens de buurman van verweerder.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder betwist dat hij vertrouwelijke informatie over klaagster met derden heeft gedeeld.

5.         De beoordeling

5.1.      Klaagster verwijt verweerder dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden doordat hij vertrouwelijke informatie over haar met derden – de GGZ of de huisarts van haar buurvrouw – heeft gedeeld. Klaagster heeft dit echter in het geheel niet feitelijk onderbouwd. Dat haar buren enkele dagen na het eerste gesprek met verweerder boos op haar zouden zijn geweest en er direct na het eerste gesprek hulpverlening voor haar buurvrouw op gang zou zijn gekomen, zijn geen omstandigheden die tot de conclusie leiden dat verweerder dus over klaagster moet hebben gesproken. Ook het klachtdossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van klaagster dat verweerder vertrouwelijke informatie over haar met derden heeft gedeeld.

5.2.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1  In beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.

4.2       De gz-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in het beroep, subsidiair tot verwerping van het beroep.

4.3       Met betrekking tot het standpunt van de gz-psycholoog dat klaagster in haar beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat uit het beroepschrift niet blijkt wat de gronden van het beroep zijn oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

Het Centraal Tuchtcollege acht de gronden van het beroep in het beroepschrift van klaagster voldoende duidelijk omdat daaruit kan worden afgeleid dat klaagster het geschil in volle omvang wenst voor te leggen. Klaagster is derhalve ontvankelijk in haar beroep.

4.4       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen van de gz-psycholoog nog een keer ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

4.5       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling  op 29 mei 2018 is dat debat voortgezet.

4.6       Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en

mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en drs.  M.A.J. Hagenaars en drs. R.M.H. Schmitz, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2018.

            Voorzitter   w.g.                                            Secretaris  w.g.