ECLI:NL:TGZCTG:2018:180 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.500
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:180 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-06-2018 |
| Datum publicatie: | 21-06-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.500 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.500 van:
A., wonende te B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., tandarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. L. Neuschäfer-Greebe te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 15 juni 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. - hierna de tandarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 3 november 2017, onder nummer 147/2017, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De tandarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 31 mei 2018, waar zijn verschenen de tandarts bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Sinds medio 2016 is klaagster, geboren in 1972, patiënt bij D., tandarts te B.. Op zaterdag 19 november 2016 omstreeks 19:30 uur is bij klaagster een kroon (element 23) uitgevallen. Nadat klaagster telefonisch had overlegd met verweerder als dienstdoende tandarts is zij vervolgens naar diens praktijk gekomen.
Verweerder noteerde:
“Pat meldde zich met gefractureerde 23. Door telefoon enigszins paniekerig wat te doen. Caries profunda onder kroon, zat volgens pat al los. Was al bij tandarts geweest ivm klachten, maar er zou niets aan de hand zijn geweest.
Is echt afgebroken, geen stomp meer. Caries zichtbaar. Bij terugpassen ruimte tussen stomp en kroon. Uitleg dat endo nodig is, terugplaatsen zonder oinnetjes niet mogelijk. Eerst excaveren, indien mogelijk parpulpaire pin + opbouw.
Excavatie, pulpa open. Pat wilde kroon graag teruggeplaatst hebben ivm familiebijeenkomst op zondag. Uitleg dat je dan eerst endo moet doen om retentie te krijgen. Mevrouw wilde dat graag.
Endo, glasvezelstift, plastische opbouw, terugplaatsing.”
De kosten van de (wortelkanaal)behandeling met terugplaatsing van de kroon bedroegen € 340,58.
Ongeveer een week later ontving klaagster een kaartje van verweerder met de handgeschreven tekst: “Belt u nog even hoe het gaat?” Daarop heeft klaagster contact opgenomen met verweerder en – in verband met aanhoudende pijnklachten – een afspraak gemaakt. Verweerder heeft vervolgens met een stripje gecontroleerd op eventueel haakjes die zijn ontstaan door het niet juist passen van de kroon, waarna klaagster weer naar huis is gegaan.
Nadat klaagster eerder op 2 december 2016 contact heeft gehad met haar eigen tandarts, is zij op 6 december 2016 bij hem langs geweest. D. noteerde:
“Probleemgericht consult
Kleine röntgenfoto
Röntgen opname (solo/bw/opt) beoordeeld door tandarts, diagnose:
endo uitgevoerd met stift bij 23. distaal aan 23 kroon sluit er niet goed aan.
bij tds C. geweest in wk dienst, endo uitgevoerd en kroon terug geplaatst.
uitgelegd dat deze kroon niet meer goed aansluit maar dat we eerst moeten aankijken hoe het gaat met de endo voor dat we een nieuwe kroon maken. nog napijn AB kuur gegeven omdat zij op vakantie gaat. ik heb geen verslag van C. ontvangen. (Element: 23)”.
Op 20 december 2016 noteerde D. het volgende:
“Voicemail bij patient ingesproken om ons terug te bellen. Wanneer patient belt, dan vragen of zij bij de weekenddienst (C.) kwam met pijn of klacht dat kroon eruit was. Wanneer het ging om de kroon die eruit was had er geen endo gedaan hoeven te worden en had de kroon tijdelijk terug geplaatst kunnen worden of als dit niet meer kon dan met een noodvulling moeten afdekken en terug moeten sturen naar eigen tandarts”.
Verweerder heeft gemeld bedrag van € 340,58 aan klaagster teruggestort.
Uit de op 21 september 2016 afgedrukte patiëntenkaart van de eigen tandarts van klaagster blijkt niet dat zij zich heeft laten behandelen wegens pijn- of andere klachten met betrekking tot element 23 en evenmin dat de kroon op dit element is vervangen door een nieuwe kroon.
Klaagster heeft een melding bij Meldpunt Zorg gedaan.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij:
a. een wortelkanaalbehandeling heeft uitgevoerd die waarschijnlijk niet nodig was;
b. een behandeling heeft gedaan die niet goed is uitgevoerd;
c. door zijn functioneren pijn en letsel heeft veroorzaakt die moeten worden hersteld.
Klaagster eist zowel materiële schadevergoeding ad € 871,28 (herstelkosten) als immateriële schadevergoeding.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij bij klaagster secundaire cariës/cariës profunda onder kroon 23 heeft gediagnosticeerd, welke de breuk van de kroon heeft veroorzaakt met daarbij verlies van de stomp en coronaal weefsel. Verweerder stelt dat hij de kroon heeft gepast om te bezien of deze was terug te plaatsen, hetgeen niet mogelijk bleek in verband met ruimte tussen de kroon en de stomp. Volgens verweerder heeft hij de diagnose met klaagster besproken. Omdat klaagster wilde dat de kroon werd teruggeplaatst (in verband met een familiebijeenkomst op zondag 20 november 2016), heeft verweerder naar eigen zeggen uitgelegd dat dit slechts mogelijk was indien er een wortelkanaalbehandeling zou worden uitgevoerd en een glasvezelstift zou worden geplaatst waarop dan tijdelijk de bestaande kroon zou kunnen worden teruggeplaatst. Verweerder betoogt dat de wortelkanaalbehandeling in overleg met klaagster lege artis is uitgevoerd – waarbij de mogelijkheid van een persisterende ontsteking en/of pijnklachten aanwezig blijft – en dat hem ter zake geen (tuchtrechtelijk) verwijt kan worden gemaakt.
Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat hij altijd als een patiënt klachten heeft over een behandeling aanbiedt om de klachten te verhelpen of de kosten terug te betalen. Hier heeft hij, omdat hij niet de eigen tandarts is, de kosten terugbetaald maar dat betekent niet dat hij zoals klaagster veronderstelt erkent dat hij een fout heeft begaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college kan klaagster niet volgen in haar stelling in klachtonderdeel 3.a dat de wortelkanaalbehandeling niet nodig was geweest. Uit de patiëntenkaart van de eigen tandarts blijkt dat deze, anders dan door klaagster gesteld, op basis van een röntgenopname al een probleem had gezien bij de 23 in de vorm van cariës onder de kroon en dit met klaagster had besproken voordat zij bij verweerder kwam. Verweerder heeft een oplossing voorgesteld, het terugplaatsen van de oude kroon, die klaagster in elk geval het weekend met de familiebijeenkomst door zou helpen en daarna minder druk zou zetten op het realiseren van een definitieve oplossing. Daarmee bood hij een oplossing voor een werkelijk spoedeisend geval, zoals genoemd in de Praktijkrichtlijn spoedeisende gevallen van de NMT. Het college kan billijken dat verweerder niet koos voor terugplaatsing van de bestaande kroon met slechts cement vanwege de kans dat de kroon dan op zeer korte termijn weer zou losraken. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat er geen andere opties waren dan de kroon, ook al was dat tijdelijk, stevigheid te geven door het plaatsen van een glasvezelstift. Dan is een voorafgaande wortelkanaalbehandeling aangewezen. Hij heeft de stift geplaatst en het element opgebouwd met Core materiaal, waarmee hij tevens de kroon heeft teruggeplaatst. Hij heeft de kroon dus niet echt gecementeerd, maar dat was als tijdelijke oplossing acceptabel en de bevestiging houdt, zoals blijkt uit de patiëntenkaart van de eigen tandarts, waarschijnlijk nog steeds. Het ware beter geweest als verweerder een beginfoto had gemaakt, maar hij heeft uitgelegd dat hij zo kon zien dat er sprake was van een open kanaal dat hij met de endosonde heeft afgetast. Vervolgens heeft hij een foto gemaakt van de wortel met de vijl erin. Daarmee heeft verweerder zich gaandeweg wel een voldoende beeld gevormd van de situatie. Dat de kroon niet goed past moge duidelijk zijn, maar het betrof dan ook een tijdelijke oplossing. Het college heeft verweerder nog bevraagd over het informed consent. Er is geen aanknopingspunt, gelet op verweerders uiteenzetting ter zitting dat hij klaagster en haar partner uitleg heeft gegeven over de (on)mogelijkheden en dat zij beiden akkoord zijn gegaan gevoegd bij zijn aantekening hiervan, om dit als onaannemelijk terzijde te schuiven. Terug naar het klachtonderdeel is de conclusie dat al met al de klacht dat er geen wortelkanaalbehandeling nodig was geweest ongegrond.
5.3
In klachtonderdeel 3.b gaat klaagster er blijkens haar toelichting van uit dat de wortelkanaalbehandeling niet ver genoeg tot in de wortelpunt is uitgevoerd. Op de foto is te zien dat de stift aan de korte kant is, maar niet zo kort dat verweerder het verwijt kan worden gemaakt dat de behandeling ondeskundig is uitgevoerd. Dit klachtonderdeel slaagt dus evenmin.
5.4
Wat het in klachtonderdeel 3.c gestelde met betrekking tot ondervonden pijn en letsel betreft, dat zoals gezegd niet geheel herkend wordt in het dossier van de eigen tandarts, kan het college slechts opmerken dat zich helaas na een wortelkanaalbehandeling allerlei (pijn)klachten kunnen voordoen maar dat dit zo zonder meer nog niet de conclusie rechtvaardigt dat deze behandeling ondeskundig is uitgevoerd. Dat klaagster letsel zou hebben ten gevolge van de behandeling is niet geconcretiseerd en blijkt ook niet uit de stukken. Ook dit klachtonderdeel is dus ongegrond.
5.5
De slotconclusie is dat verweerder is gebleven binnen de grenzen van het in 5.1 gegeven toetsingscriterium en dat de klacht dus moet worden afgewezen. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 In beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De tandarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 Voor zover klaagster in beroep nieuwe klachtonderdelen formuleert, zoals door de tandarts wordt betoogd, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat nieuwe stellingen, althans stellingen die niet in het klaagschrift zijn aangevoerd, buiten het bestek van dit beroep vallen, zodat klaagster in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4.4 D e schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de tandarts en het door de tandarts gevoerde verweer zijn in beroep opnieuw aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van deze in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen.
Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Het een dag voor de behandeling door klaagster gedane verzoek om aanhouding is niet ingewilligd omdat het Centraal Tuchtcollege zich voldoende voorgelicht acht om het beroep te beoordelen. Het voorgaande betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep zoals hiervoor in overweging 4.3 weergegeven;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter; mr. W.P.C.M. Bruinsma
en mr. Y.A.J.M. van Kuijck, leden-juristen en drs. H.J. Iterson en mr. drs. R. van der Velden, leden-beroepsgenoten en mr. M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 21 juni 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.