ECLI:NL:TGZCTG:2018:176 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.370
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:176 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-06-2018 |
| Datum publicatie: | 21-06-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.370 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. Klager verbleef ingevolge een TBS-maatregel in een kliniek. Verweerder was als psychiater bij de zorg voor klager betrokken. Klager verwijt verweerder dat hij geen eerlijke diagnoses over de psychische toestand van klager heeft gesteld, verkeerde medicatie heeft voorgeschreven, geen althans onvoldoende zorg heeft verleend bij overbelastingsklachten door sport en na een bedrijfsongeval en onvoldoende aandacht heeft gegeven aan het seksueel misbruik in klagers verleden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.370 van:
A., verblijvende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., psychiater, werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die op
19 september 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven is ingekomen en die door het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag is ontvangen op 30 november 2016 tegen C. – hierna de psychiater. Bij beslissing van 6 juni 2017, onder nummer 2016-295b, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van beide partijen nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2017.369 (A./E.) en C2017.371 (A./F.) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 juni 2018, waar is verschenen de psychiater, bijgestaan door
mr. Leemans voornoemd. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
De psychiater en zijn gemachtigde hebben hun standpunt ter terechtzitting nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager verbleef van 17 juni 2008 tot 8 december 2015 tot zijn overplaatsing
naar de G. in H. in I. te D. ingevolge een rechterlijke beslissing tot oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging.
2.2 Verweerder is betrokken geweest bij de zorg van klager als behandelend psychiater op de afdeling J. in I. van 23 maart 2009 tot 23 januari 2012.
2.3 Klager heeft in 2009 en in 2011 een bedrijfsongeval gehad. In 2009 is patiënt na consultatie van de fysiotherapeut door de huisarts de heer E. (verweerder inzake 2016-295a) doorverwezen naar de afdeling orthopedie van het K. voor een artroscopie en röntgenonderzoek van de nekwervels. Klager is na het tweede bedrijfsongeval in 2011 door verweerder gezien op 25 juli 2011. Op 26 juli en
5 augustus 2011is klager onderzocht door de fysiotherapeut.
3. De klacht
Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven:
a) Het niet stellen van eerlijke diagnoses over de psychische toestand van klager, zoals ADHD, en het hanteren van verkeerde behandelintenties om het verblijf in de kliniek te verlengen;
b) Het verkeerd voorschrijven van medicatie;
c) Geen of onvoldoende zorg na de bedrijfsongevallen in 2009 en 2011;
d) Het niet voldoende aandacht geven wat betreft het seksueel misbruik in zijn verleden;
e) Het niet verstrekken van het BIG-registratienummer van verweerder.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College heeft in de overgelegde stukken geen feiten of omstandigheden aangetroffen die de klacht onder a over het stellen van verkeerde diagnoses kunnen staven. Zo is niet gebleken van de diagnose ADHD. Voor wat betreft verkeerde behandelintenties om klagers verblijf in de TBS te verlengen, overweegt het College dat het niet aan verweerder is geweest om te bepalen hoe lang klagers verblijf in de TBS duurt. Dit klachtonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag en is daarmee kennelijk ongegrond.
5.2 Klachtonderdeel b betreft, naar het College leest, het niet voorschrijven van cannabis en het voorschrijven door verweerder van Seretide in plaats van Ventolin. Seretide is net als Ventolin een luchtwegverwijderaar. Dit beleid ontmoet door het College geen bedenkingen. Het enkele feit dat verweerder een ander medicijn dan het door klager gewenste medicijn heeft voorgeschreven, maakt niet dat verweerder tuchtrechtelijk heeft gehandeld. Voorts heeft het College in het dossier geen medische reden kunnen ontdekken die het voorschrijven van cannabis noodzakelijk maakt en die een weigering tot het voorschrijven daarvan, als het verzoek al aan verweerder gericht was, tuchtrechtelijk verwijtbaar zou maken. Dit klachtonderdeel faalt en is kennelijk ongegrond.
5.3 Klachtonderdeel c betreft de zorg na de bedrijfsongevallen in 2009 respectievelijk 2011. Klager is na het bedrijfsongeval in 2009 na consultatie van de fysiotherapeut door de huisarts, de heer E. (verweerder in 2015 295a) doorverwezen naar de afdeling orthopedie van het K. alwaar vervolgens een artroscopie en röntgenonderzoek van de nekwervels heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat verweerder hier bij betrokken is geweest, zodat dit onderdeel van de klacht zich niet tot verweerder kan richten.
Klager is na het tweede bedrijfsongeval in 2011 door verweerder gezien op 25 juli 2011 en verwezen naar de fysiotherapeut. Op 26 juli 2011 en 5 augustus 2011 is klager onderzocht door de fysiotherapeut. Klager heeft tijdens het tweede consult bij de fysiotherapeut kenbaar gemaakt geen vrije dagen van zijn werk te zullen opnemen voor bezoek aan de fysiotherapeut. Klager heeft gesteld dat hij hierbij heeft meegewogen dat hij oefeningen had gekregen om zelfstandig uit te voeren. Nu klager uit eigen beweging de zorg heeft afgehouden, nadat verweerder hem had doorverwezen naar de fysiotherapeut voor behandeling, valt verweerder hierin geen verwijt te maken. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel e oordeelt het College als volgt. Aanvankelijk heeft er geen gerichte behandeling van de negatieve ervaringen inzake het seksueel misbruik plaatsgevonden; dit vanwege de dominantie van de verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek. Dit heeft echter op een later moment wel de aandacht gekregen: in februari 2016 is klager voor intake bij de polikliniek L. (zorgprogramma zeden) geweest met onder andere de vraag om EMDR. Dit klachtonderdeel treft dan ook geen doel. Klager stelt voorts dat ook niet is voldaan aan zijn verzoek om hem niet op een afdeling bij pedoseksuelen en zedendelinquenten te plaatsen. Dit verzoek is niet beoordeeld door verweerder, zodat van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid aan het adres van verweerder is geen sprake kan zijn. Dit klachtonderdeel faalt.
5.5 Het verzoek om het BIG-registratienummer is niet bij verweerder neergelegd. Dat verweerder het nummer niet heeft verstrekt, kan hem daarom niet verweten worden. Klachtonderdeel e faalt eveneens.
5.6 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg met dien verstande dat de fysieke klachten van klager in 2009 niet, zoals onder 2.3 vermeld, het gevolg waren van een bedrijfsongeval maar waren ontstaan door overbelasting bij het sporten.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep de klachtonderdelen a tot en met d zoals die in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn gesteld, aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. In zijn beroepschrift stelt klager met betrekking tot klachtonderdeel e dat het niet verstrekken van het BIG-registratienummer te wijten is aan de werkwijze van de instelling, derhalve niet aan de psychiater. Klager concludeert voor het overige tot gegrondverklaring van het beroep.
4.2 De psychiater voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het
beroep.
4.3 Met klachtonderdeel a verwijt klager de psychiater ook in beroep het niet stellen van eerlijke diagnoses over de psychische toestand van klager, zoals ADHD, en het hanteren van verkeerde behandelintenties om het verblijf in de kliniek te verlengen. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat uit de overgelegde stukken en uit hetgeen door de psychiater ter terechtzitting is gesteld het beeld naar voren komt dat de psychiater op basis van deugdelijk onderzoek tot de door hem gestelde diagnose is gekomen. Een en ander roept bij het Centraal Tuchtcollege althans geen vragen op. Het feit dat bij klager nadien een andere diagnose is gesteld doet hier niet aan af. Voorts is ook het Centraal Tuchtcollege niet gebleken van verkeerde behandelintenties met als doel het verblijf van klager in de kliniek te verlengen. Voor zover het beroep zich richt tegen de ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel slaagt het niet.
4.4 Klachtonderdeel d ziet op het, naar de mening van klager, door de psychiater niet voldoende aandacht geven aan het seksueel misbruik in klagers verleden. Ter terechtzitting in beroep is door de psychiater uiteen gezet dat aanvankelijk de verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek bij de behandeling van klager op de voorgrond stond. Er was in die fase van de behandeling ook geen sprake van een duidelijke wens bij klager tot behandeling van de negatieve ervaringen inzake het seksueel misbruik, noch van een consistent klachtenpatroon in die richting. Bovendien bestond er geen relatie met het delict. Een en ander heeft ertoe geleid dat gewacht is met het inzetten van deze behandeling tot het begin van het resocialisatietraject en de intake bij L.. Deze gang van zaken ontmoet bij het Centraal Tuchtcollege geen bedenkingen zodat het beroep ook op dit punt faalt.
4.5 Ook voor het overige heeft de behandeling van de zaak in beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter;
mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud en prof. mr. J. Legemaate, leden-juristen en dr. M.K. Dees en dr. M.C. ten Doesschate, leden beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.