ECLI:NL:TGZCTG:2018:175 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.369

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:175
Datum uitspraak: 21-06-2018
Datum publicatie: 21-06-2018
Zaaknummer(s): c2017.369
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts. Klager verbleef ingevolge een TBS-maatregel in een kliniek. Verweerder was als huisarts bij de zorg voor klager betrokken. De oorspronkelijke klacht bestond uit zes onderdelen en is door het Regionaal Tuchtcollege als kennelijk ongegrond afgewezen. In beroep verwijt klager verweerder dat hij verkeerde diagnoses wat betreft schimmels en allergieën heeft gesteld, geen althans verkeerde medicatie heeft voorgeschreven en geen althans onvoldoende zorg heeft verleend bij overbelastingsklachten door sport en na een bedrijfsongeval. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.369 van:

A., verblijvende te B.,

appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die op 19 september 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven is ingekomen en die  door het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag is ontvangen op 30 november 2016 tegen C. – hierna de huisarts. Bij beslissing van 6 juni 2017, onder nummer 2016-295a, heeft dat College klager deels niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van beide partijen nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2017.370

(A./E.) en C2017.371 (A./F.) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 juni 2018, waar is verschenen de huisarts, bijgestaan door mr. Leemans voornoemd. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

De huisarts en zijn gemachtigde hebben hun standpunt ter terechtzitting nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

            “2.       De feiten

2.1  Klager verbleef van 17 juni 2008 tot 8 december 2015 tot zijn overplaatsing

naar de G. in H. in I. te D. ingevolge een rechterlijke beslissing tot oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging.

            2.2       Verweerder was betrokken bij de zorg van klager als huisarts van I. van 1 mei 2008 tot 1 januari 2014.

            2.3       Klager heeft op 14 september 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag een klacht tegen verweerder met betrekking tot de behandeling van schimmelinfectie en allergie ingediend. Dit College heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen (RTG Den Haag 21 september 2010, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1999). Tegen die beslissing heeft klager beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege. Het beroep is verworpen (CTG 8 mei 2012, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1999).

            2.4       Klager heeft zich ook na 14 september 2009 verscheidene keren bij verweerder gemeld met klachten allergie en huiduitslag.

            2.5       Klager heeft in 2009 en in 2011 een bedrijfsongeval gehad. Na het ongeval in 2009 is patiënt na consultatie van de fysiotherapeut door verweerder doorverwezen naar de afdeling orthopedie van het J. voor een artroscopie en röntgenonderzoek van de nekwervels. Na het ongeval in 2011 is klager gezien door psychiater E. (verweerder inzake 2016-295b) en de fysiotherapeut.  

3.     De klacht

Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven:

a)     Het stellen van verkeerde diagnoses wat schimmels en allergieën (huiduitslag) betreft en het slecht advies geven over hoe te handelen met verschillende wasmiddelen of andere allergieën;

b)     Het verkeerd of niet voorschrijven van medicatie;

c)     Geen of onvoldoende zorg na de bedrijfsongevallen in 2009 en 2011;

d)     Het niet voldoende aandacht geven wat betreft het seksueel misbruik in zijn verleden;

e)     Het hanteren van verkeerde behandelintenties en stellen van verkeerde diagnoses om het verblijf in de kliniek te verlengen;

f)      Het niet verstrekken van het BIG-registratienummer.

            4.       Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klager voor wat betreft klachtonderdeel a en heeft subsidiair deze  klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Ook de overige klachtonderdelen zijn door hem bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

            5.       De beoordeling

            5.1       In artikel 51 van de Wet BIG is – kort gezegd – bepaald dat niemand andermaal tuchtrechtelijk kan worden berecht terzake van enig handelen of nalaten waarover te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden eindbeslissing is genomen, het zogenaamde ne bis in idem beginsel. Het College heeft bij uitspraak van 21 september 2010 de klacht met betrekking tot het genoemde onder onderdeel a afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft bij beslissing van 8 mei 2012 een onherroepelijk geworden eindbeslissing gegeven betreffende het handelen of nalaten van verweerder. Klager kan dan ook niet worden ontvangen voor zover onderdeel a van de klacht zich richt op de behandeling en diagnose van schimmels en allergieën door verweerder tot 2010, gezien de eerdere uitspraken van het College en het Centraal Tuchtcollege en het voornoemde ne bis in idem-beginsel (CTG 8 mei 2012, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1999). Voor zover het onderdeel van de klacht zich richt op de behandeling en de diagnose van schimmels en allergieën na september 2010, is klager wel ontvankelijk.

            5.2       Met betrekking tot de klacht overweegt het College als volgt.

            5.3       Het door verweerder gevoerde beleid ten aanzien van de klachten van verweerder omtrent schimmels en allergieën ontmoet bij het College ook nu geen bedenkingen. Van deze handelingen heeft verweerder uitgebreid verslag gedaan; uit deze verslaglegging blijkt dat verweerder keer op keer aandacht heeft besteed aan de door klager geuite klachten over huidirritaties.  In zowel het handelen van verweerder als de verslaglegging ervan ziet het College geen tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Klachtonderdeel a dient als kennelijk ongegrond te worden afgedaan.

            5.4       Klachtonderdeel b betreft, naar het College leest, het niet voorschrijven van cannabis en het voorschrijven van Seretide in plaats van Ventolin.  Het College heeft in het dossier geen medische reden kunnen ontdekken, die het voorschrijven van Cannabis noodzakelijk maakt en die een weigering tot het voorschrijven ervan, als verweerder dat al zou hebben gedaan, tuchtrechtelijk verwijtbaar zou kunnen maken.  Dit onderdeel van de klacht moet dan ook als kennelijk ongegrond worden beschouwd. De Seretide in plaats van de Ventolin is niet door verweerder voorgeschreven, zodat dit onderdeel van de klacht zich niet tot hem kan richten. Het College is niet gebleken dat ten aanzien van klager de diagnose ADHD is gesteld, zodat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist.

            5.5       Voor wat betreft klachtonderdeel c, de zorg na de bedrijfsongevallen in 2009 respectievelijk 2011, is het College gebleken dat klager na het bedrijfsongeval in 2009 na consultatie van de fysiotherapeut door verweerder is doorverwezen naar de afdeling orthopedie van het J.. Verweerder heeft gesteld dat vervolgens een artroscopie en röntgenonderzoek van de nekwervels heeft plaatsgevonden. Dat er door verweerder onvoldoende zorg heeft plaatsgevonden na dit bedrijfsongeval kan het College, gelet op het bovenstaande, niet plaatsen.  Ook dit onderdeel van de klacht is kennelijk ongegrond.

Klager is na het tweede bedrijfsongeval in 2011 gezien door psychiater E. (verweerder in 2016-295b) en de fysiotherapeut. Niet is gebleken dat verweerder hierbij betrokken is geweest, zodat dit onderdeel van de klacht zich niet tot verweerder kan richten.  Wel merkt het College op dat uit de stukken is gebleken dat klager tijdens het tweede consult bij de fysiotherapeut kenbaar heeft gemaakt geen vrije dagen van zijn werk te zullen opnemen voor bezoek aan de fysiotherapeut. Klager heeft gesteld dat hij hierbij heeft meegewogen dat hij oefeningen had gekregen om zelfstandig uit te voeren; hieruit leidt het College af dat klager uit eigen beweging de zorg heeft afgehouden.

            5.6       Ten aanzien van klachtonderdeel d oordeelt het College als volgt. Aanvankelijk heeft er geen gerichte behandeling van de negatieve ervaringen inzake het seksueel misbruik plaatsgevonden; dit vanwege de dominantie van de verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek.  Dit heeft echter op een later moment wel de aandacht gekregen: in februari 2016 is klager voor intake bij de polikliniek K. (zorgprogramma zeden) geweest met onder andere de vraag om EMDR. Dit klachtonderdeel treft dan ook geen doel. Klager stelt voorts dat niet is voldaan aan zijn verzoek om hem niet op een afdeling  bij pedoseksuelen en zedendelinquenten te plaatsen. Dit verzoek is niet beoordeeld door verweerder, zodat van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid aan het adres van verweerder  geen sprake kan zijn.

            5.7       Voor wat betreft verkeerde behandelintenties, waardoor klagers verblijf in de kliniek zou zijn verlengd, overweegt het College dat het niet aan verweerder is om te bepalen hoe lang klagers verblijf in de TBS duurt, zodat dit klachtonderdeel geen doel kan treffen. Klager stelt voorts dat ten onrechte de diagnose ADHD zou zijn gesteld; het College is niet gebleken dat deze diagnose ook daadwerkelijk is gesteld, zodat ook dit onderdeel van de klacht faalt. 

            5.8       Het verzoek om het BIG-registratienummer (klachtonderdeel f) is niet bij verweerder neergelegd. Dat verweerder dit nummer niet heeft verstrekt, kan hem daarom niet verweten worden. Dit klachtonderdeel faalt.

            5.9       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige als kennelijk ongegrond worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg met dien verstande dat de fysieke klachten van klager in 2009 niet, zoals onder 2.5 vermeld, het gevolg waren van een bedrijfsongeval maar waren ontstaan door overbelasting bij het sporten.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Van de klacht zoals die door klager in eerste aanleg aan de orde is gesteld zijn in beroep de volgende verwijten nog aan de orde:

1.     Het (na september 2010) stellen van verkeerde diagnoses wat schimmels en allergieën betreft (klachtonderdeel a);

2.     Het verkeerd of niet voorschrijven van medicatie (klachtonderdeel b); en

3.     Geen of onvoldoende zorg bieden na klachten vanwege overbelasting bij sport in 2009 en vanwege een bedrijfsongeval in 2011 (klachtonderdeel c).

De klachtonderdelen d tot en met f houden geen verband met het handelen van de huisarts.

Klager beoogt met zijn beroep de drie voornoemde klachtonderdelen ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2  De huisarts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3       De behandeling in beroep van de klachtonderdelen a tot en met c heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Met inachtneming van het hiervoor gestelde omtrent het ontstaan van de fysieke klachten in 2009 kan het Centraal Tuchtcollege zich verenigen met hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder 5.3 en 5.5 heeft overwogen. Met betrekking tot de overweging van het college in eerste aanleg onder 5.4 dat niet is gebleken dat ten aanzien van klager de diagnose ADHD is gesteld, is in beroep gebleken dat deze diagnose in oktober 2012 is gesteld. Voor het overige onderschrijft het Centraal Tuchtcollege hetgeen het Regionaal Tuchtcollege hier met betrekking tot klachtonderdeel b heeft overwogen. 

4.4       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht heeft afgewezen en dat het beroep van klager moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter;

mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud en prof. mr. J. Legemaate, leden-juristen en dr. M.K. Dees en dr. M.C. ten Doesschate, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2018.

Voorzitter  w.g.                      Secretaris  w.g.