ECLI:NL:TGZCTG:2018:172 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.489
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:172 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-06-2018 |
| Datum publicatie: | 14-06-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.489 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arts. Klaagster heeft de arts, destijds vierdejaars AIOS orthopedie, tweemaal gezien. Tijdens het eerste consult klaagde klaagster over pijn aan haar linkerknie. De arts heeft tijdens dit consult lichamelijk onderzoek verricht naar beide knieën van klaagster. Klaagster stelt dat zij sinds dit onderzoek pijnklachten heeft aan haar rechterknie. Klaagster verwijt de arts dat hij bij aanvang van het tweede consult de situatie voor haar heeft geëvalueerd en daarbij klaagster heeft tegengesproken in haar weergave van de situatie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.489 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C. te B.,
tegen
D., arts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. A.M. den Hertog-de Visser te Rotterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 17 mei 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen D. - hierna de arts - een klacht ingediend. De klacht is vervolgens doorgeleid naar het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven, waar deze op 23 juni 2017 is ontvangen. Bij beslissing van 9 oktober 2017, onder nummer 17124 heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 april 2018, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door de heer C., en de arts, bijgestaan door mr. Den Hertog-de Visser. De zaak is over en weer bepleit. Mr. Den Hertog-de Visser heeft dat gedaan aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“(…) 2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Verweerder heeft klaagster op 26 januari 2016 gezien op de polikliniek orthopedie. Verweerder was daar op dat moment werkzaam als vierdejaars AIOS orthopedie. Bij het consult was een coassistente aanwezig. Klaagster was bij de afdeling orthopedie bekend wegens een totale knieprothese rechts en gonartrose links. Klaagster klaagde tijdens het consult over pijn aan de linkerknie. Verweerder heeft lichamelijk onderzoek verricht aan beide knieën. Onderzoek van de rechterknie liet geen bijzonderheden zien. Er werd tevens röntgenologisch onderzoek aan beide knieën verricht. Met betrekking tot de rechterknie was sprake van een goede stand van de prothese zonder aanwijzingen voor osteolyse of loslating van de prothese. Met instemming van verweerster werd besloten tot plaatsing van een prothese in de linkerknie.
Op 2 februari 2016 werd klaagster gezien door de haar behandelende reumatoloog. Ze vertelde dat ze sinds het consult van verweerder van 26 januari 2016 pijnklachten had van haar rechterknie met als mogelijke oorzaak het lichamelijk onderzoek door verweerder. Op verzoek van de reumatoloog heeft verweerder klaagster op diezelfde dag gezien. Verweerder vermeldt onder de anamnese dat klaagster een dikke (rechter)knie zou hebben na het onderzoek van de week daarvoor en dat het verwijt werd gemaakt dat dit met zijn onderzoek te maken zou hebben. Verder staat in het dossier onder de anamnese vermeld dat de zwelling de afgelopen dagen zou zijn opgekomen zonder evident letsel. Verweerder stelde een hydrops van de rechterknie vast. Hij gaf een Tubigrip voor vermindering van de zwelling en een controleafspraak voor 10 februari 2016. Nog veel later bleek uiteindelijk dat er sprake was van een geïnfecteerde knieprothese rechts.
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerder dat hij bij aanvang van het consult (op 2 februari 2016) de situatie voor klaagster heeft geëvalueerd en daarbij tevens klaagster heeft tegengesproken in haar weergave van de situatie.
Letterlijk is het volgende gezegd:
““Zo [klaagster], u heeft uw knie gestoten.”
Patiënt: “Nee dokter, dat is hier gebeurd.”
“Nee, mevrouw, u hebt uw knie gestoten.”
Patiënt: “Nee dokter, dat is hier gebeurd.””
Daarnaast heeft klaagster een aantal verwijten geuit die niet aan verweerder zijn gericht.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder betwist de klacht gemotiveerd, onder verwijzing naar zijn aantekeningen in het medisch dossier.
5. De overwegingen van het college
Naar het college begrijpt gaat het klaagster vooral om de hierboven letterlijk weergegeven bewoordingen die verweerder bij de aanvang van het consult volgens klaagster heeft gebezigd. Daargelaten de vraag of deze bewoordingen, indien bewezen, een tuchtrechtelijk relevant verwijt zouden opleveren, moet het college vaststellen dat, gelet op de betwisting door verweerder, niet is komen vast te staan dat verweerder deze bewoordingen heeft gebruikt. Van belang is ook dat in het medisch dossier geen aanwijzing is te vinden voor de juistheid van de klacht.
De overige, niet aan verweerder gerichte verwijten behoeven hier geen behandeling.
Op grond van het voorgaande wordt de klacht afgewezen als kennelijk ongegrond. (…)”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg onder het kopje “De feiten”, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 In beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en -zakelijk weergegeven- geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 Het debat over de klacht heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Aanvullend overweegt het Centraal Tuchtcollege dat niet is komen vast te staan dat de arts bij het door hem op 26 januari 2016 uitgevoerde onderzoek van de rechterknie van klaagster is tekortgeschoten en tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Met de arts is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het onderzoeken van de rechterknie van klaagster noodzakelijk was om het functioneren van de al aanwezige knieprothese rechts te beoordelen, aangezien het functioneren van deze knieprothese relevant is voor de mogelijkheden tot revalidatie na plaatsing van een eventuele knieprothese links. Verder is van belang dat ook in beroep is vastgesteld dat het door de arts uitgevoerde onderzoek niet ruw of hardhandig is geweest en dat klaagster het ziekenhuis na het onderzoek normaal heeft verlaten. Desgevraagd heeft klaagster ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij het onderzoek niet als pijnlijk heeft ervaren. Op grond van het voorgaande is het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het beroep wordt verworpen.
4.4 Voor zover klaagster in haar beroepschrift heeft beoogd nieuwe klachtonderdelen tegen de arts te formuleren, die niet in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege zijn voorgelegd, moet geconcludeerd worden dat klaagster in zoverre niet-ontvankelijk is. In beroep kunnen geen nieuwe klachtonderdelen ingediend worden.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen
en mr. Y. Buruma, leden-juristen en dr. R.M. Bloem en dr. W.J. Rijnberg, leden-beroepsgenoten
en mr. J.S. Heidstra, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 juni 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.