ECLI:NL:TGZCTG:2018:150 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.422

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:150
Datum uitspraak: 24-05-2018
Datum publicatie: 25-05-2018
Zaaknummer(s): c2017.422
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klagers hebben bij de gemeente een aantal WMO-voorzieningen aangevraagd. Een collega van de arts heeft gerapporteerd en geen medische noodzaak vastgesteld voor de gevraagde voorzieningen. De verzoeken van klagers zijn door de gemeente afgewezen. Na het grotendeels afgewezen bezwaar van klagers zijn klagers bij de rechtbank in beroep gegaan. Bij afwezigheid van zijn collega, is de arts ter terechtzitting verschenen, om als deskundige vragen over de door zijn collega opgemaakte rapportages te beantwoorden. Naar aanleiding van een tussenuitspraak van de rechtbank heeft de arts aanvullend gerapporteerd. Klagers verwijten de arts dat hij: 1) een medische rapportage heeft opgesteld die een verkeerd beeld gaf met de realiteit, 2) willens en wetens een verkeerde conclusie heeft getrokken uit de in het medisch dossier aanwezige stukken, 3) hierdoor onzorgvuldig en vooringenomen heeft gehandeld, 4) met name zijn eigen onjuiste medische mening heeft laten horen en het beschikbare medisch dossier erg selectief heeft gebruikt, en 5) een onzorgvuldig, onprofessioneel ongenuanceerd en onwetenschappelijk dossier heeft opgesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klagers hebben tegen deze uitspraak beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.422 van:

A. en B., beiden wonende te C., appellanten, klagers in eerste aanleg,

tegen

D., arts, werkzaam te E., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. R.W. Janssen, werkzaam te Heerlen.

1.               Verloop van de procedure

A. en B. - hierna klagers - hebben op 14 februari 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen D. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van 16 augustus 2017, onder nummer 1742, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klagers zijn van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Namens de arts is een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 24 april 2018, waar zijn verschenen klager A., en de arts, bijgestaan door

mr. C. Riemens, kantoorgenoot van mr. R.W. Janssen. Klaagster B. is – hoewel behoorlijk uitgenodigd – niet verschenen. De zaak is over en weer bepleit.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1       In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld:

“2. De feiten

Klagers hebben in februari 2015 bij de gemeente een aantal WMO-voorzieningen aangevraagd. In het kader van deze aanvragen heeft de gemeente bij de GGD een adviesaanvraag gedaan. Een collega van verweerder heeft geadviseerd. Op 21 mei 2015 heeft zij gerapporteerd over klaagster en op 9 juni 2015 over klager. Zij heeft daarvoor informatie over klagers ingewonnen bij de behandelende sector, te weten de huisartsen van klagers, de neuroloog, de cardioloog, de psychiater, de radioloog, de orthopeed en de kinderneurochirurg.

De conclusie luidde dat geen medische noodzaak werd vastgesteld voor de gevraagde voorzieningen. Op basis van deze rapportages heeft de gemeente bij besluiten de verzoeken van klagers afgewezen. Na het (grotendeels afgewezen) bezwaar van klagers zijn klagers in beroep gegaan onder overlegging van nieuwe medische stukken. Ter zitting van de rechtbank is verweerder, bij ontstentenis van zijn collega, op verzoek van de rechtbank verschenen om de rapportages toe te lichten. Ter zitting heeft verweerder vragen van de rechtbank beantwoord. Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 15 augustus 2016 beslist dat een deugdelijke motivering van de bestreden besluiten ontbrak. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op

14 oktober 2016 aanvullende adviezen (zowel over klager als over klaagster) gegeven. Bij (eind)uitspraak van 23 januari 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat de geconstateerde (motiverings)gebreken in beroep zijn hersteld. De rechtbank vernietigde weliswaar de bestreden besluiten, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen in stand blijven.

De GGD heeft, desgevraagd, aan klager inzage gegeven in en een kopie verstrekt van zijn dossier. De GGD heeft, gemotiveerd, geweigerd om daarnaast een digitale kopie van het dossier aan klager te verstrekken.”

2.2       De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in:

3. Het standpunt van klagers en de klacht

Het college zal uitgaan van de klacht zoals door klagers geformuleerd in het aanvullende processtuk (1C), ontvangen op 14 maart 2017, luidende als volgt:

Als de medische gegevens van klagers, de adviezen van verweerder en de uitspraak van de rechter worden vergeleken, moet de conclusie zijn dat verweerder:

a.                   een medische rapportage heeft opgesteld die een verkeerd beeld gaf met de realiteit;

b.                   willens en wetens een verkeerde conclusie heeft getrokken uit de in het medisch dossier aanwezige stukken;

c.                   hierdoor onzorgvuldig en vooringenomen heeft gehandeld;

d.                   met name zijn eigen onjuiste medische mening heeft laten horen en het beschikbare medisch dossier erg selectief heeft gebruikt;

e.                   een onzorgvuldig, onprofessioneel ongenuanceerd en onwetenschappelijk dossier heeft opgesteld.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft zich zeer gemotiveerd verweerd. Het college zal daar, voor zoveel nodig, hierna op ingaan.”

2.3       Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

5. De overwegingen van het college

De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij komen hierop neer dat de door verweerder uitgebrachte rapportage tuchtrechtelijk verwijtbaar beneden de maat is.

Een rapportage zoals door verweerder is uitgebracht, wordt volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege aan de hierna volgende criteria getoetst:

1.                   het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2.                   het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3.                   in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4.                   het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5.                   de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het Centraal Tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

Bij de toetsing aan deze criteria stelt het college voorop dat klagers hun op zich duidelijke en uitgesproken stellingen nauwelijks met concrete feiten hebben onderbouwd. Desalniettemin zal het college nagaan of verweerder in zijn aanvullende rapportage in strijd met de voor hem geldende hierboven weergegeven criteria heeft gehandeld.

De rechtbank had in haar tussenbeslissing vier vragen gesteld, waarop verweerder in zijn rapport heeft gereageerd.

Verweerder, die voortbouwde en ook moest voortbouwen op de rapportage van zijn collega, heeft in zijn aanvullende rapportage een beschrijving gegeven van het verloop van de advisering, hij heeft de vragen van de rechtbank en de gebruikte werkwijze van de advisering omschreven. Vervolgens heeft hij een uitputtende omschrijving van alle gebruikte, zeer uitvoerige, informatie van de behandelende sector gegeven, heeft hij gemotiveerd punt voor punt de vier door de rechtbank gestelde vragen beantwoord en heeft dan tot slot de conclusie weergegeven.

Uit de overgelegde eindbeslissing van de rechtbank kan worden afgeleid dat verweerder de gestelde vragen in ieder geval naar genoegen van de rechtbank heeft beantwoord. Dit mag al een indicatie zijn voor de deugdelijkheid van de rapportage, die immers heeft beantwoord aan het door de rechtbank gestelde doel. Het college heeft in de rapportage van verweerder niets kunnen vinden dat in strijd zou kunnen worden geacht met de hierboven weergegeven criteria. De conclusie van de rapportage kon in alle redelijkheid uit de voorhanden zijnde gegevens en beschouwingen worden getrokken.

Voor zover de klachten zo moeten worden opgevat dat klagers ook willen klagen over het weigeren van inzage in het digitale dossier overweegt het college dat, gelet op de betwisting door verweerder, niet is komen vast te staan dat verweerder deze inzage heeft geweigerd, nog daargelaten dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom een dergelijke inzage bij de GGD niet mogelijk was en daargelaten het belang van klagers, die reeds over het dossier beschikten, bij een dergelijke inzage.

Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat de klacht als kennelijk ongegrond zal worden afgewezen.”

3.               Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.               Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen van de arts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling  op 24 april 2018 is dat debat voortgezet.

4.2            Met hun beroep beogen klagers de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die zij reeds in eerste aanleg hebben geuit. Het beroep strekt ertoe dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.

4.3  Door en namens de arts is gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot

verwerping van het beroep.

Beoordeling

4.4       Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en

mr. Th.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en mr. drs. W.A. Faas en drs. M.L. van den Kieboom, leden-beroepsgenoten en mr. N. van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2018.

            Voorzitter   w.g.                                                        Secretaris  w.g.