ECLI:NL:TGZCTG:2018:146 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.172

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:146
Datum uitspraak: 24-05-2018
Datum publicatie: 25-05-2018
Zaaknummer(s): c2017.172
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen kaakchirurg. Klaagster heeft een vaste brug linksonder. Zij kreeg ontstekingsklachten en is door haar tandarts verschillende keren verwezen naar de aangeklaagde kaakchirurg. De kaakchirurg heeft onder meer implantaten in de onderkaak van klaagster rechts onder geïmplanteerd. Klaagster verwijt de kaakchirurg dat hij: 1. klaagster onjuist heeft geïnformeerd; 2.geen behandelplan heeft opgesteld; 3. de behandeling op een bepaalde datum niet op de juiste wijze heeft uitgevoerd met blijvend letsel tot gevolg; 4.onvoldoende nazorg heeft verricht; 5. klaagster niet heeft verwezen naar een meer deskundig persoon; 6. het medisch dossier niet heeft verstrekt; 7. privé informatie heeft verstrekt aan het incassobureau. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart gegrond de klachten t.a.v. het schenden van de bewaarplicht (6), het ontbreken van een deugdelijk behandelplan (2) en het niet voeren van de regie rondom de plaatsing van de implantaten (deels 3), legt de kaakchirurg de maatregel van waarschuwing op en wijst de klacht voor het overige af. Zowel de klaagster als de kaakchirurg komen in beroep. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het principaal beroep van klaagster en verklaart het incidenteel beroep van de kaakchirurg gegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard en de aan de kaakchirurg opgelegde waarschuwing komt te vervallen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.172 van:

A., wonende te B., appellante in het principaal beroep, verweerster in het incidenteel beroep, klaagster in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. P.J. Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar,

tegen

C., kaakchirurg, destijds werkzaam te B., verweerder in het principaal beroep, appellant in het incidenteel beroep,

gemachtigde: mr. J.P. van Vulpen, advocaat te Rijs.

1.               Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 30 augustus 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen kaakchirurg C. – hierna de kaakchirurg – een klacht ingediend. Bij beslissing van 17 januari 2017, onder nummer 16/320T heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, ter zake daarvan de kaakchirurg de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De kaakchirurg heeft een verweerschrift in beroep ingediend en is van de gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht in incidenteel beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend. De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 maart 2018, waar zijn verschenen klaagster bijgestaan door  mr. P.J.Ph. Dietz de Loos alsmede de kaakchirurg bijgestaan door mr. J.P. van Vulpen.

 Beide partijen hebben hun standpunten ter terechtzitting nader toegelicht.

Mr. J.P. van Vulpen heeft dat namens de kaakchirurg gedaan aan de hand van pleitaantekeningen die hij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1.      In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld.

“2.       De feiten

2.1       Klaagster, geboren op 18 april 1963, heeft sinds 2001 in haar gebit een vaste brug, linksonder. In 2007 kreeg klaagster ontstekingsklachten aan de tandwortelpunt linksonder, element 35, en is zij door haar tandarts (D.) verwezen naar een kaakchirurg. Blijkens zijn verwijsbrief van 1 februari 2007 achtte de tandarts een apicale curettage geïndiceerd. Op 1 december 2007 werd klaagster opnieuw verwezen in verband met een ontsteking ter plaatse van een linker oorspeekselklier.

2.2       Klaagster werd op 3 december 2007 gezien door verweerder. Verweerder werkte op dat moment op basis van een toelatingsovereenkomst bij de E.-ziekenhuizen, locatie B.. Verweerder heeft klaagster onderzocht en heeft een OPG vervaardigd. Verweerder constateerde een radiculaire cyste bij het element 35. Hij heeft klaagster medicatie voorgeschreven en haar geadviseerd te zijner tijd een apexresectie te ondergaan. Een en ander heeft hij schriftelijk bevestigd aan de tandarts van klaagster.

2.3       De apexresectie met retrograde afsluiting is vervolgens op 21 januari 2008 uitgevoerd.  

2.4       Klaagster heeft na de operatie niet bemerkt dat haar ontstekingsklachten verminderden. Bovendien trad bij klaagster in april van dat jaar een verlamming van een aangezichtszenuw op (Bell’s parese), waarvoor ze een neuroloog heeft bezocht.

2.5       In mei 2008 heeft verweerder klaagster opnieuw gezien en haar verwezen naar een andere tandarts dan haar toenmalige. Deze tandarts (F.) heeft de wortel linksonder (element 35) verwijderd op 02 juni 2008.

2.6       Verweerder heeft klaagster vervolgens geadviseerd om implantaten rechtsonder te laten plaatsen teneinde het verlies linksonder te compenseren. Klaagster heeft hiermee ingestemd en op 14 juli 2008 heeft verweerder de implantaten geplaatst op de positie 44 en 45.

2.7       Voor het plaatsen van de opbouw heeft verweerder klaagster opnieuw verwezen naar de tandarts (F.), die in december 2008 kronen op de implantaten heeft geplaatst. Klaagster was echter niet tevreden met het eindresultaat en ervoer veel problemen met eten. Ook vond zij de kronen niet mooi in haar mond staan. Bovendien kreeg klaagster pijn in haar kaakgewrichten en ontstonden er opnieuw ontstekingen. Klaagster heeft zich in verband hiermee tot verschillende tandartsen, een gnatholoog en een implantoloog gewend.

2.8       Verweerder is op 1 januari 2010 met pensioen gegaan. Zijn praktijk is overgedragen aan twee andere kaakchirurgen.

2.9       Klaagster heeft vanaf 2009 een aantal keren haar medisch dossier bij verweerder opgevraagd, doch heeft dit tot op heden niet van verweerder of de E.- ziekenhuizen ontvangen.

2.10     Klaagster heeft onenigheid gehad over de betaling van de rekeningen van verweerder. Verweerder heeft op enig moment een incassobureau ingeschakeld.”

2.2.      De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in.

“3.       De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt - zakelijk weergegeven - in dat verweerder:

Klaagster verwijt verweerder, zakelijk weergegeven, dat hij:

1.               klaagster onjuist heeft geïnformeerd;

2.               geen behandelplan heeft opgesteld;

3.               de behandeling op 14 juli 2008 niet op juiste wijze heeft uitgevoerd met

                        blijvend letsel tot gevolg;

4.               onvoldoende nazorg heeft verricht;

5.               klaagster niet heeft verwezen naar een meer deskundig persoon;

6.               het medisch dossier niet heeft verstrekt;

7.               privé-informatie heeft verstrekt aan een incassobureau.

4.               Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.”

2.3.      Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5.       De beoordeling

Op voorhand

5.1       Ter beoordeling staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Deze norm wordt onder meer ingevuld door richtlijnen van de eigen beroepsgroep, maar ook door wettelijke bepalingen zoals Boek 7, titel 7, afdeling 5, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In het kader van de beoordeling zij vooropgesteld dat het aan klaagster is om de door haar aan verweerder gemaakte verwijten aannemelijk te maken. Het is vervolgens aan verweerder om zich toetsbaar op te stellen en zijn verweer te onderbouwen. Het college moet in deze zaak evenwel constateren dat zowel de onderbouwing van de verwijten als de onderbouwing van het verweer (in enige mate) ontbreekt; het medisch dossier betreffende de chirurgische ingrepen is niet overgelegd en datzelfde geldt (op een aantal stukken na) voor tandheelkundige informatie over klaagster van voor en na de chirurgische ingrepen. Het ontbreken van die onderbouwing heeft invloed op de mate waarin het college de feiten heeft kunnen vaststellen en het handelen van verweerder heeft kunnen beoordelen, een en ander op de wijze zoals hierna wordt overwogen.

T.a.v. schending bewaarplicht medisch dossier

5.2       Zoals op voorhand is overwogen, is het medisch dossier betreffende de chirurgische behandelingen niet overgelegd; vast staat dat het medisch dossier zoek is geraakt, althans niet in het bezit is van verweerder. Klaagster heeft nimmer een afschrift verkregen en ook zij is dus niet in het bezit van het dossier. Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder op dit punt is tekortgeschoten, hetgeen het college met haar eens is. Op verweerder rustte als zelfstandig handelend arts en contractspartij van klaagster op grond van artikel 7:454 BW een dossierplicht en de plicht om dat dossier gedurende vijftien jaar te bewaren, ook als die termijn doorliep na zijn pensioen (verweerder heeft recht op een kopie van zijn dossiers bij vertrek). Dat het dossier bewaard is in de (archieven van de) E.-ziekenhuizen en daar zoek is geraakt moge zo zijn – en is vervelend –, maar betekent niet dat verweerder geen verwijt kan worden gemaakt. Daar komt bij dat het college bij het ontbreken van gegevens daarover niet heeft kunnen vaststellen in welke mate verweerder zich heeft ingespannen om het dossier boven water te krijgen.

T.a.v. ontbreken (volledig) behandelplan

5.3       Als gevolg van het ontbreken van het dossier heeft het college geen inzage kunnen verkrijgen in het behandelplan ten aanzien van klaagster. Toch heeft het college op basis van de uiteenzetting van verweerder omtrent het plan van behandeling kunnen vaststellen dat verweerder ook op dit punt is tekortgeschoten. Zo is gebleken dat verweerder zich heeft geconcentreerd op de problematiek rechtsonder, maar dat de problematiek rond de verzwakte brugconstructie linksonder niet is meegenomen in het behandelplan. Het betrekken van de gehele onderkaak was echter noodzakelijk voor het bereiken van de vereiste occlusie en articulatie. Daarnaast is niet gebleken van enig overleg met tandarts D..           

T.a.v. schending informatieplicht

5.4       Wat betreft de gestelde schending van de informatieplicht zij vooropgesteld dat het ingevolge artikel 7:448 BW aan verweerder was om klaagster op duidelijke wijze in te lichten over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van klaagster, over aan de behandeling verbonden normale, voorzienbare risico’s en over mogelijke alternatieve behandelingen. Anders dan klaagster heeft aangevoerd, is het college niet gebleken van enige tekortkoming zijdens verweerder op dit punt. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij klaagster heeft geïnformeerd over mogelijke ontstekingen en over anatomische problemen. Voorts is onvoldoende weersproken aangevoerd dat klaagster is geïnformeerd over de reden van het plaatsen van de implantaten en over de daaraan verbonden kosten. Wel staat vast dat klaagster niet is geïnformeerd over botopbouw voorafgaand aan de plaatsing van de implantaten. Dit is echter niet verwijtbaar, omdat het college niet is gebleken dat botopbouw nodig was. Over een ingreep die niet nodig is, hoeft een patiënt niet te worden geïnformeerd.

T.a.v. uitvoering behandeling 14 juli 2008

5.5       De kern van het verwijt ziet op de uitvoering van de behandeling op

14 juli 2008, het plaatsen van de implantaten. Volgens klaagster was er te weinig bot aanwezig om daar zonder enige opbouw van bot implantaten te plaatsen. Dit laatste nu kan het college evenwel bij gebrek aan bewijs daaromtrent niet vaststellen. Het college heeft weliswaar van klaagster begrepen dat verschillende behandelaren dit aan haar hebben bevestigd, maar bij een betwisting op dit vlak en bij het zien van foto’s die tot een andere conclusie nopen, mocht van klaagster een nadere onderbouwing van haar andersluidende standpunt worden verlangd. Daar komt bij dat verweerder desgevraagd heeft uitgelegd op welke wijze hij implantaten plaatst en welke marges hij daarbij aanhoudt en dat die werkwijze het college juist voorkomt. Dat klaagster sindsdien (en nog steeds) klachten heeft en pijn ervaart is, hoe vervelend ook, op zichzelf geen reden om tot een ander oordeel te komen. Het college kan niet vaststellen of er sprake is van een verband tussen klaagsters klachten en de uitvoering van de behandeling op 14 juli 2008.

Desalniettemin heeft het college uit de uiteenzetting ter zitting ook kunnen opmaken dat verweerder de initiator van de indicatiestelling en plaatsing van de implantaten was en mitsdien gehouden was op dat punt de regie te voeren. Dat hij dat heeft gedaan, is echter niet gebleken. Integendeel, verweerder heeft met tandarts D., noch met tandarts F. zijn behandelvoorstel besproken. Verweerder kan op dit onderdeel daarom een verwijt worden gemaakt.

T.a.v. nazorg en ontbreken van verwijzing

5.6       Een verwijt treft hem evenwel niet op het punt van de geboden nazorg en het uitblijven van een verwijzing. Het college acht het juist dat de nazorg is handen is gesteld van de tandarts; daar hoort zij te liggen. Voorts was verweerder zelf deskundig genoeg en voldoende bekwaam om de implantaten te plaatsen.

T.a.v. verstrekken informatie aan incassobureau

5.7       Het laatste verwijt ziet op de verstrekking van medische informatie aan derden, in dit geval het incassobureau. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij alleen financiële informatie heeft verstrekt. Dat dit anders zou zijn, heeft het college bij gebrek aan een nadere onderbouwing niet kunnen vaststellen. Van een schending van het beroepsgeheim is dan ook niet gebleken.

Conclusie

5.8        De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Gegrond zijn de klachten ten aanzien van de schending van de bewaarplicht van het dossier (overweging 5.2), ten aanzien van het ontbreken van een deugdelijk behandelplan (overweging 5.3) en ten aanzien van het niet voeren van de regie rondom de plaatsing van de implantaten op 14 juli 2008 (overweging 5.5). Verweerder heeft mitsdien gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten. De overige klachten zijn ongegrond.

Maatregel

5.9       Wat de maatregel betreft, zij opnieuw gewezen op het feit dat het ontbreken van het medisch dossier het college parten heeft gespeeld bij de beoordeling van de onderhavige klachten. Dat geldt ook voor de op te leggen maatregel. Niettemin heeft het college wel kunnen vaststellen dat verweerder een aantal verwijten kan worden gemaakt en dat een maatregel dus op zijn plaats is.  De aard en omvang van die verwijten, het feit dat verweerder niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is geweest en thans met pensioen is, rechtvaardigen naar het oordeel van het college een waarschuwing. “

3.               Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor zijn weergegeven onder “2. De feiten.”

4.               Beoordeling van het beroep

Procedure.

4.1 In het principaal beroep heeft klaagster zich met name gericht op de ongegrond verklaarde klachtonderdelen. Zij concludeert - zakelijk weergegeven - tot gegrondverklaring van alle klachtonderdelen en de oplegging van een daarbij passende (zwaardere) maatregel.

4.2 De  kaakchirurg heeft gemotiveerd verweer gevoerd in het principaal beroep en tevens bij verweerschrift incidenteel beroep ingesteld. Hij heeft zich met name gericht tegen de gegrond bevonden klachtonderdelen.  Hij concludeert – zakelijk weergegeven – tot verwerping van  het principaal beroep van klaagster, tot gegrondverklaring van zijn incidenteel beroep en tot vernietiging van de bestreden beslissing in zoverre dat de kaakchirurg geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

4.3 Klaagster heeft ten slotte gemotiveerd verweer gevoerd in het incidenteel beroep en - zakelijk weergegeven - verzocht om het incidenteel beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van de kaakchirurg in de kosten welke klaagster in eerste en tweede aanleg heeft moeten maken, en om indien nodig een getuigenverhoor onder ede te houden alsmede een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.

4.4 Nu de kaakchirurg tegen het gegrond verklaarde onderdelen van de klacht en klaagster tegen de ongegrond verklaarde onderdelen van de klacht beroep heeft ingesteld, ligt de gehele klacht thans ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor.

Beoordeling

4.5 Klaagster verwijt de kaakchirurg ook in beroep - zakelijk weergegeven - dat hij:

1. klaagster onjuist heeft geïnformeerd; 2. geen behandelplan heeft opgesteld; 3. de behandeling op 14 juli 2008 niet op juiste wijze heeft uitgevoerd met blijvend letsel tot gevolg; 4. onvoldoende nazorg heeft verricht; 5. klaagster niet heeft verwezen naar een meer deskundig persoon; 6. het medisch dossier niet heeft verstrekt; en 7. privé-informatie heeft verstrekt aan een incassobureau.

4.6 Incidenteel appel

Het incidenteel beroep van de kaakchirurg richt zich met name op de door het Regionaal Tuchtcollege gegrond bevonden  klachtonderdelen 2, 3 en 6. 

Het medisch dossier niet heeft verstrekt (ad 6).

4.7 Inmiddels is het aanvankelijk zoekgeraakte poliklinisch dossier van klaagster in het archief van het ziekenhuis gevonden en door de kaakchirurg (in kopie) aan klaagster en het Centraal Tuchtcollege verstrekt. Hiermee komt dit klachtonderdeel te vervallen.

Het Centraal Tuchtcollege hecht er echter aan in dit verband nog het navolgende op te

merken. Op de kaakchirurg rust als zelfstandig handelend hulpverlener op grond van artikel 7:454 BW een dossierplicht en de plicht om dat dossier gedurende vijftien jaren te bewaren. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege blijft deze bewaarplicht voor het dossier – anders dan de kaakchirurg stelt - formeel bij de kaakchirurg berusten (zie 7:454 lid 3 BW). Dat de kaakchirurg (via een toelatingsovereenkomst) met het ziekenhuis heeft afgesproken dat zijn patiëntendossiers aldaar worden opgeborgen en beheerd alsmede het gegeven dat de kaakchirurg al sinds 1 januari 2010 is gepensioneerd en de dossiers een enorm bestand omvatten, doen daaraan niet af.

Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door de kaakchirurg overgelegde dossier van klaagster. Dit dossier is door het ontbreken van bepaalde documenten  naar de huidige maatstaven niet geheel compleet maar gelet op het tijdsgewricht (2007/2008) waarbij nog niet alles in het ziekenhuis even uitgebreid werd gedocumenteerd en het gegeven dat met name de patiëntenkaart wel is overgelegd, waarop wordt verwezen naar diverse brieven aan de eigen tandarts welke brieven door klaagster zijn overgelegd, acht het Centraal Tuchtcollege het in deze zaak overgelegde poliklinische dossier van klaagster toereikend. Hoewel de verslaglegging van de kaakchirurg summier kan worden genoemd, biedt de verslaglegging van de kaakchirurg, tezamen met de overgelegde röntgenfoto’s, wel voldoende aanknopingspunten om de kwaliteit en continuïteit van de tandheelkundige zorg van patiënte te waarborgen, alsmede om het handelen van de kaakchirurg te verantwoorden en te toetsen. Het Centraal Tuchtcollege is derhalve van oordeel dat de dossiervoering van de kaakchirurg naar de destijds geldende maatstaven de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan.

Ontbreken behandelplan (ad 2).

4.8 Het Centraal Tuchtcollege is, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het opstellen van een behandelplan in beginsel hoort te liggen bij de verwijzende eigen tandarts (al dan niet in samenwerking met een tandtechnisch laboratorium).

De kaakchirurg mocht er -  na verwijzing door de eigen tandarts van klaagster -  dan ook vanuit gaan dat de tandarts een behandelplan had opgesteld. In dit verband heeft de kaakchirurg ter terechtzitting in beroep verklaard dat hij over de tandheelkundige aanpak (telefonisch) overleg met de eigen tandarts van klaagster heeft gevoerd. De kaakchirurg kan in het licht van deze omstandigheden dan ook niet worden verweten dat hij na het plaatsen van de implantaten rechtsonder in de kaak van klaagster op 14 juli 2008 de situatie in de onderkaak links niet in zijn behandelplan heeft betrokken. Dat de kaakchirurg geheel eigenstandig, zonder overleg met de betrokken tandartsen en zonder de totale situatie in de boven- en onderkaak van klaagster in ogenschouw te nemen, aan de rechterzijde van de onderkaak implantaten heeft geplaatst, zoals impliciet wordt suggereert, acht het Centraal Tuchtcollege dan ook niet aannemelijk. In dit verband is van belang dat klaagster   in het verweerschrift in incidenteel beroep heeft opgemerkt  dat de kaakchirurg wel opmerkingen heeft gemaakt in de zin dat nadat de opbouw op de implantaten rechtsonder zou zijn afgerond ook linksonder implantaten moeten worden geplaatst. Het incidenteel beroep tegen dit klachtonderdeel slaagt.

Uitvoering van de behandeling van 14 juli 2008 (ad 3).

4.9 Wat betreft de uitvoering van het plaatsen van de implantaten door de kaakchirurg op 14 juli 2008 acht het Centraal Tuchtcollege, mede gelet op de overgelegde röntgenfoto’s, aannemelijk geworden dat deze behandeling lege artis is gedaan. Het Centraal Tuchtcollege komt wat dit betreft tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege hieromtrent onder 5.5 heeft overwogen hier over en maakt dit tot de zijne. Dat klaagster nog steeds (pijn) klachten heeft, hoe betreurenswaardig ook, doet dit niet anders zijn.

Wat betreft de in dit kader aangehaalde regievoering bij de behandeling is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de algemene regievoering van de tandheelkundige behandeling, evenals het opstellen van een behandelplan, in beginsel berust bij de verwijzende tandarts. Na verwijzing van de eigen tandarts werden bij klaagster een tweetal implantaten in de onderkaak rechts (44 en 46) geplaatst. Voor de dentale reconstructie werd in overleg met de eigen tandarts verwezen naar een andere tandarts die zich met name heeft bekwaamd in het vervaardigen van suprastructuren (opbouw) op door de kaakschirurg gebruikte implantaten. De normale tandheelkundige controles vonden zoals gebruikelijk weer bij de eigen tandarts plaats. Dit is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege geen uitzonderlijke gang van zaken. Dat de kaakchirurg in de regievoering is tekortgeschoten, als initiator van de indicatiestelling en de plaatsing van de implantaten, is - wat hier verder ook van zij - in beroep bestreden en blijkt niet uit het inmiddels beschikbare poliklinisch dossier. In dit verband is wederom van belang dat de kaakchirurg uitdrukkelijk stelt dat hij (telefonisch) overleg heeft gevoerd met beide betrokken tandartsen en daarbij zijn te voeren beleid heeft afgestemd. Gelet op de complexe  tandheelkundige behandeling van klaagster acht het Centraal Tuchtcollege deze stelling van de kaakchirurg niet onaannemelijk. Het incidenteel beroep tegen dit klachtonderdeel slaagt eveneens.

4.10 Principaal appel

Het principaal appel van klaagster richt zich met name op de door het Regionaal Tuchtcollege ongegrond bevonden klachtonderdelen 1, 4, 5 en 7.

4.11 Wat betreft deze klachtonderdelen over de schending van de informatieplicht (1), onvoldoende nazorg (4), ontbreken verwijzing (5) en verstrekken van privé informatie aan een incassobureau (7) komt het Centraal Tuchtcollege tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege hieromtrent onder  5.4, 5.6 en 5.7  heeft overwogen hier over en maakt dit tot de zijne.

Het principaal appel van klaagster faalt.

4.12 Ten slotte heeft klaagster nog verzocht om de kaakchirurg bij gegrondverklaring van de klacht in de kosten voor juridisch bijstand, met name de kosten van een eigen bijdrage ter zake van verleende toevoeging, te veroordelen. Nog daargelaten dat daarvoor geen ruimte bestaat, omdat de klacht in beroep in alle onderdelen ongegrond is bevonden, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)  geen regeling met betrekking tot een kostenveroordeling is opgenomen. Dit brengt mee dat dit verzoek moet worden afgewezen als niet op de wet gegrond.

4.13 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat  het principaal beroep van klaagster wordt verworpen en het incidenteel beroep van de kaakchirurg slaagt. De beslissing waarvan beroep moet worden vernietigd voor zover de klachtonderdelen door het Regionaal Tuchtcollege gegrond zijn bevonden, deze klachtonderdelen worden alsnog ongegrond verklaard en voor het overige moet de  beslissing worden bekrachtigd. De aan de kaakchirurg opgelegde maatregel van waarschuwing komt te vervallen.

5.               Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                               verwerpt het principaal beroep;

verklaart het incidenteel beroep gegrond;

vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover de klachten, betreffende het  schenden van de bewaarplicht, het ontbreken van een deugdelijk behandelplan en het niet voeren van de regie rondom de plaatsing van de implantaten, gegrond zijn bevonden;

en opnieuw rechtdoende;

verklaart deze drie klachtonderdelen alsnog ongegrond;

verstaat dat de opgelegde  maatregel van waarschuwing komt te vervallen.

bekrachtigt de beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. T.W.H.E Schmitz en

mr. drs. R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en prof. dr. A. Vissink en mr. drs. R. van der Velden, leden-beroepsgenoten en mr. H.J. Lutgert, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2018.

            Voorzitter   w.g.                                            Secretaris  w.g.