ECLI:NL:TGZCTG:2018:141 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.350
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:141 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-05-2018 |
| Datum publicatie: | 25-05-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.350 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Het Centraal Tuchtcollege overweegt in dit kader dat er in gevallen als de onderhavige aan de orde vanuit mag worden gegaan dat de mentor de veronderstelde wil van de patiënt tot uiting brengt, tenzij sprake is van feiten of omstandigheden die in een andere richting wijzen. In onderhavige geval is niet gebleken van dergelijke omstandigheden en heeft de mentor bij brief bericht geen toestemming te verlenen voor het indienen van klachten over de verzorging van hun beider moeder. Verwerpt beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.350 van:
A.,wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., specialist ouderengeneeskunde, werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. M.R. Gans
te Groningen.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 22 november 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen C. - hierna de specialist ouderengeneeskunde - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van 13 juni 2017, onder nummer G2016/155, heeft dat College klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in het klachtonderdeel ten aanzien van de behandeling van de moeder van klager en de klacht ten aanzien van de bejegening van klager kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De specialist ouderengeneeskunde heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 april 2018, waar zijn verschenen klager en de specialist ouderengeneeskunde, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Klager heeft zijn standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.
2.1. Klager en zijn broers en zussen verschilden eind 2013 van mening over de wijze waarop hun moeder verzorgd en verpleegd moest worden. De zus van klager is bij beschikking van de kantonrechter van 2 januari 2014 benoemd tot tijdelijk mentor over de moeder van klager om haar niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Bij beschikking van 28 januari 2014 van de kantonrechter is deze benoeming een benoeming voor onbepaalde tijd geworden.
2.2. De moeder van klager is vanaf 3 januari 2014 opgenomen geweest bij zorginstelling D., locatie E. te B. Verweerder is sinds medio 2014 als specialist ouderengeneeskunde werkzaam bij D. en was een van de behandelend artsen van de moeder van klager. De mentor was de contactpersoon voor de behandelaars. Daarnaast is door de mentor bepaald dat over de medische behandeling geen overleg zou plaatsvinden met klager. Op 27 februari 2016 is de moeder van klager overleden.
2.3. Klager heeft geen machtiging overgelegd waaruit blijkt dat zijn zus, als mentor van de moeder van klager gedurende de laatste jaren van haar leven, toestemming geeft voor het indienen van een klacht met betrekking tot de behandeling van de moeder.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
3.1. Klager is het niet eens met de medische behandeling van zijn moeder gedurende de weken voor zij gestorven is. Hij stelt dat er door verweerder een verstervingsbesluit is genomen en vindt dat dit niet had gemoeten. Ook werd haar vaste middagrust afgeschaft.
3.2. Voorts stelt klager dat hij onheus is bejegend. De mogelijkheid om zijn moeder te bezoeken werd beperkt en hem werd verboden bij zijn moeder op bed te gaan liggen.
4. Het verweer
Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
4.1. Klager moet niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover de klacht betrekking heeft op de behandeling en verzorging van zijn moeder. Klager was niet bij beslissingen hieromtrent betrokken. De zus van klager was haar mentor en er vond ten aanzien van de behandeling en verzorging van de moeder van klager alleen overleg met haar plaats. Klager heeft geen machtiging van de mentor overgelegd waaruit blijkt dat zij toestemming geeft een klacht in te dienen.
4.2. De beslissingen met betrekking tot de bezoeken van klager aan zijn moeder en de omgang met zijn moeder zijn niet door verweerder genomen.
5. Beoordeling van de klacht
5.1. Uitgangspunt is dat het niet de taak van het college is om in een zaak waarin een naaste betrekking van een overleden patiënt een klacht indient, ambtshalve te onderzoeken of deze de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt. Het college gaat daar in beginsel vanuit, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te twijfelen. In het voorliggende geval is naar het oordeel van het college sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. Het college heeft vastgesteld dat bij beschikking van de kantonrechter te Groningen van 2 januari 2014 een zus van klager tot mentor over de moeder is benoemd teneinde haar niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Die benoeming is in stand gebleven tot aan het overlijden van de moeder op 27 februari 2016. Het college heeft klager gevraagd een verklaring van zijn zus over te leggen waaruit blijkt dat zij instemt met de klacht die klager aan het college heeft voorgelegd. Klager heeft hier niet aan willen voldoen. Om die reden moet klager kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klacht voor zover deze betrekking heeft op de behandeling van zijn moeder.
5.2. Bij gelegenheid van het mondeling vooronderzoek heeft klager erkend dat de beslissingen met betrekking tot de mogelijkheid zijn moeder te bezoeken en de wijze van omgang met zijn moeder niet door verweerder zijn genomen. Dit onderdeel van de klacht zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat het beroep van klager zich uitsluitend richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van klager ten aanzien van zijn eerste klachtonderdeel, het klachtonderdeel dat ziet op de medische behandeling van de moeder van klager gedurende de weken vóór haar overlijden op 27 februari 2016.
4.2 Het Centraal Tuchtcollege dient te beoordelen of het Regionaal Tuchtcollege klager terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in dit klachtonderdeel.
4.3 In voornoemd kader is het volgende van belang.
Bij beschikking van 2 januari 2014 is de zus van klager benoemd tot tijdelijk mentor over de moeder (van onder anderen klager) om haar niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Deze benoeming is bij beschikking van 28 januari 2014 omgezet in een benoeming voor onbepaalde tijd.
Het – thans aan de orde zijnde – eerste klachtonderdeel betreft de behandeling van de moeder in de periode dat voor de moeder een mentorschap was ingesteld.
Dit is van belang omdat ervan wordt uitgegaan dat de mentor de veronderstelde wil van de patiënt tot uitdrukking brengt.
Daarom wordt getoetst of de klager toestemming heeft gekregen van de mentor, om de klacht in te dienen. Alleen dan kan de klager worden ontvangen in zijn klacht.
Dit is alleen anders indien er feiten of omstandigheden zijn die in een andere richting wijzen. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.
4.4 Bij brief van 1 juni 2017 heeft de mentor aan klager bericht hem geen toestemming te geven tot het indienen van klachten met betrekking tot de zorg van de moeder.
4.5 Uit het onder 4.3 en 4.4 overwogene volgt dat het Regionaal Tuchtcollege terecht klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in het eerste klachtonderdeel.
Dit leidt tot het oordeel dat het beroep tegen die beslissing moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter;
mr. dr. B. Frederiks en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en drs. C. de Graaf en
drs. P.J. Schimmel, leden-beroepsgenoten en mr. M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.