ECLI:NL:TGZCTG:2018:140 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.475
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:140 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2018 |
| Datum publicatie: | 16-05-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.475 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.475 van:
A. namens wijlen B., wonende te C.,
appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
D., arts ouderengeneeskunde, werkzaam te C.,
verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. P.A. de Zeeuw te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft namens B. op 22 maart 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen D. - hierna de arts ouderengeneeskunde - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van
5 september 2017, onder nummer 17/113 heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts ouderengeneeskunde heeft een verweerschrift in beroep ingediend. B. is op 14 januari 2018 overleden.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 april 2018, waar is verschenen de arts ouderengeneeskunde, bijgestaan door haar gemachtigde.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Klaagster is op 1 februari 2016 opgenomen op de somatische verblijfsafdeling van verpleeghuis E. te C.. Er was sprake van een toename in de zorgbehoefte bij een patiënte bekend met onder andere astrocytoom. De diagnose astrocytoom werd in 2008 gesteld.
2.2. Verweerster was in de periode vanaf de opname tot eind augustus 2016 als AIOS-ouderengeneeskunde de behandelend arts van klaagster. Zij werkte onder supervisie van een specialist ouderengeneeskunde.
2.3 Op 25 juni 2016 was er sprake van een incident op de verblijfsafdeling waarbij klaagster betrokken was.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster (op 25 juni 2016) gepoogd heeft klaagster te doden.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden: zij was ten tijde van het incident vrij. 25 juni 2016 valt in het weekeind en zij had geen dienst, aldus verweerster.
5. De beoordeling
De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47, eerste lid, onder a en b Wet BIG betreffen niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm), maar ook ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm).
De klacht ziet op het incident op 25 juni 2016. Verweerster was niet aanwezig ten tijde van het incident. Zij verleende zelf geen zorg aan klaagster en had geen enkele betrokkenheid.
Verweerster heeft derhalve niet gehandeld in strijd met de eerste en tweede tuchtnorm.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.
Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 In beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De arts ouderengeneeskunde heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 Voor zover klager in hoger beroep nieuwe klachtonderdelen heeft geformuleerd, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat, nu in beroep alleen klacht(onderdelen) kunnen worden voorgelegd die ook in eerste aanleg aan de orde zijn geweest, klager niet kan worden ontvangen in die nieuwe klachtonderdelen.
4.4 In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen van de arts ouderengeneeskunde nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. De behandeling in beroep van 5 april 2018 heeft niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep zoals hiervoor in overweging 4.3 weergegeven;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter;
mr. dr. B. Frederiks en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en drs. C. de Graaf en
drs. P.J. Schimmel, leden-beroepsgenoten en mr. M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.