ECLI:NL:TGZCTG:2018:133 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.367

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2018:133
Datum uitspraak: 15-05-2018
Datum publicatie: 16-05-2018
Zaaknummer(s): c2017.367
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klaagster is langdurig arbeidsongeschikt geraakt en heeft in dat kader bedrijfsarts A op het arbeidsomstandighedenspreekuur bezocht, waarna verschillende spreekuren in het kader van verzuimbegeleiding hebben plaatsgevonden met bedrijfsarts A, verweerster, tevens bedrijfsarts, en bedrijfsarts C. Na een mislukte re-integratiepoging is klaagster volledig ziek gemeld en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Verweerster heeft op enig moment een mail ontvangen van degene die klaagster bij haar herstel begeleidde, waarna verweerster de begeleiding van klaagster aan een college heeft overgedragen. Klaagster verwijt verweerster dat zij 1) klaagster valselijk heeft beschuldigd van het niet hebben in vertrouwen van haar, en 2) de behandelingsovereenkomst ten onrechte heeft opgezegd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Klaagster heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2017.367 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. J. Jaab, advocaat te Amsterdam,

tegen

C., arts arbeid en gezondheid - bedrijfsgeneeskunde,

werkzaam te D.,

verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. K. Baetsen, advocaat te Rotterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 27 mei 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van 27 juni 2017, onder nummer 2016-151b, heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Namens de arts is een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaken C2017.366 en C2017.368 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 maart 2018, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. J. Jaab, en de arts, bijgestaan door mr. K. Baetsen. Ter zitting is gehoord de door klaagster meegebrachte getuige, de heer E. De zaak is over en weer bepleit. Mr. Baetsen heeft dat gedaan aan de hand van schriftelijke aantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1       In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld:

2.      De feiten

2.1       Klaagster is per 26 maart 2013 ziekgemeld voor haar werk als applicatiebeheerder bij de gemeente F.. Ze heeft zich ziekgemeld vanwege psychische klachten die zij relateert aan overbelasting op het werk en pesterijen en is langdurig arbeidsongeschikt geraakt. Op 28 maart 2013 bezocht klaagster verweerder A op het arbeidsomstandighedenspreekuur. In de periode daarna hebben verschillende spreekuren plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster, verweerder A en verweerder C in het kader van verzuimbegeleiding.

2.2       Verweerder A heeft op enig moment interventie door de HSK-groep geadviseerd, te vergoeden door de werkgever. Klaagster is hier niet mee akkoord gegaan en heeft een ander bureau voorgesteld. Uiteindelijk is in overleg met haar werkgever gekozen voor Stichting G. De re-integratie is niet succesvol geweest. Na een aanvankelijke gedeeltelijke werkhervatting is klaagster volledig ziekgemeld en achtte de betrokken bedrijfsarts haar volledig arbeidsongeschikt. De arbeidsdeskundige van het UWV heeft op 9 september 2014 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever tot dan toe niet onvoldoende zijn.

De verzekeringsarts van het UWV heeft op diezelfde dag geoordeeld dat de belastbaarheid zoals de bedrijfsarts die aangeeft plausibel is.

2.3       Op 22 september 2014 was er een spreekuurcontact tussen klaagster en verweerster. Daarvan heeft verweerster een conceptverslag toegestuurd, waarop klaagster heeft gereageerd.

2.4       Kort daarna heeft verweerster een e-mail ontvangen van de begeleider van klaagster bij de Stichting G.. Hij e-mailt onder andere:

‘U volgt, heb ik begrepen, diezelfde lijn. (Volgens mij (en denk ik ook volgens de medische richtlijnen, en dus ook volgens de tuchtraad) kan er bij dergelijke begeleiding geen sprake zijn van dwang. In haar deplorabele toestand waarin zij zich bevindt, kan dit haar net over het randje duwen. (…) Ik spreek u dus aan als arts. (…) Maar ik kan moeilijk langs de zijlijn blijven staat als je ziet dat je klant voor je ogen kopje onder wordt geduwd.’

2.5       Ook ontving verweerster een e-mail van de voorzitter van Stichting G., waarin hij onder andere schrijft:

‘Bij deze laat ik weten dat heel Stichting G. achter de mail staat van begeleider (…). De fouten van de gemeente zijn goed gedocumenteerd, en Stichting G. zal bij een ‘verkeerd gevolg’ (ziek uit dienst, of zelfmoord e.d.) met zuiver geweten graag getuigen wat voor onrecht [klaagster] aangedaan, en hoe zowel Arbo Unie als gemeente (…) totaal hebben gefaald in de reintegratie. Het begrip van reintegratie door H. (bedrijfsartsen tot nu toe) is zeer simplistisch: 'Weer uren opbouwen’. Elk begrip van de ziekte G., de ziekmakende werkomstandigheden, het pesten door de gemeente, ontbreekt tot nu toe bij H. [Klaagster] wordt veel pijn, en bewust pijn, aangericht door de gemeente (…)in combinatie met bedrijfsartsen van de H. Dit zouden wij ook volmonds als getuige in de rechtszaal zeggen:

gemeente en Arbo Unie zijn gelijkelijk aansprakelijk.

Dit gezegd hebbende, gaat er bij u, als u een goed manager bent, wellicht een ‘licht’ bij u branden: als u nu vanuit H., een BURNOUT BEGRIJPENDE bedrijfsarts op [klaagster] zet, die de gemeente om genoemde welzijnsredenen schriftelijk aandringt op een reintegratie tweede spoor, dan verbetert u uw kansen bij een rechtszaak tegen u (die wellicht door de Inspectie voor de Volksgezondheid dan wel de nabestaande van [klaagster] zal worden aangespannen, naar wij vermoeden).’. 

2.6       Hierna heeft verweerster de begeleiding van klaagster aan een collega overgedragen.”

2.2       De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in:

 “3.     De klacht

            Klaagster verwijt verweerster dat zij:

a.         klaagster valselijk beschuldigt van het niet hebben van vertrouwen in haar;

b.         de behandelingsovereenkomst ten onrechte heeft opgezegd.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.”

2.3       Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

5.      De beoordeling

5.1       Verweerster heeft het aan haar gerichte verwijt gemotiveerd bestreden Gelet op de inhoud van de e-mails die verweerster ontving van de Stichting G., waarbij klaagster in behandeling was, heeft verweerster op goede gronden de conclusie kunnen trekken dat klaagster het vertrouwen in verweerster heeft opgezegd. Van een valse beschuldiging is dan ook geen sprake. Verweerster heeft in deze omstandigheden de verdere begeleiding kunnen overdragen aan een andere bedrijfsarts, zonder in strijd te handelen met enige beroepsnorm.  Het College heeft in de stukken geen aanwijzingen gevonden voor enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door verweerster.

            5.2       De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven, echter met dien verstande dat:

-          het Centraal Tuchtcollege de tweede volzin van alinea 2.1 als volgt herformuleert: Ze heeft zich ziekgemeld daarbij wijzend op overbelasting op het werk en pesterijen, en is langdurig arbeidsongeschikt geraakt;

-          waar onder 2.2 in de derde regel van onder vermeld staat “niet onvoldoende” door het Centraal Tuchtcollege wordt gelezen: “niet voldoende”. Het Centraal Tuchtcollege beschouwt dit als een kennelijke verschrijving en herstelt deze.

Voor zover klaagster nog meer correcties heeft voorgesteld op de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat deze

voor de beoordeling niet relevant zijn en daarom niet worden overgenomen.

4.         Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1       In beroep is de klacht over het beroepsmatig handelen van de arts opnieuw aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 maart 2018 is dat debat voortgezet.

4.2       Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Het beroep strekt ertoe dat de beslissing in eerste aanleg wordt vernietigd, dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en dat aan de arts een maatregel wordt opgelegd. Hetgeen daartoe door en namens klaagster is aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die reeds in eerste aanleg zijn geuit.

Klaagster heeft in beroep verzocht om een gegevensdrager (CD-rom) - met daarop geluidsopnamen van gesprekken tussen haar en de arts - aan het Centraal Tuchtcollege over te leggen, ter voeging in het dossier. Daarnaast heeft zij verzocht om een aantal medische stukken aan het Centraal Tuchtcollege over te leggen, doch zonder dat de wederpartij van de inhoud daarvan kennis kan nemen. Subsidiair heeft zij in dit verband verzocht om een deskundige te laten benoemen voor het uitbrengen van een schriftelijk deskundigenbericht.

4.3       Door en namens de arts is gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot

verwerping van het beroep.

Beoordeling

4.4       Het Centraal Tuchtcollege wijst af de onder 4.2 genoemde verzoeken van klaagster. Op basis van hetgeen ter zitting is besproken, acht het Centraal Tuchtcollege zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. De noodzaak van het overleggen van nadere stukken dan wel het benoemen van een deskundige is in het licht van de aan die verzoeken verbonden toelichting niet gebleken.

4.5       Klaagster kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal

Tuchtcollege voorleggen die in de oorspronkelijke klacht aan het Regionaal Tuchtcollege zijn voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klaagster daarin dus niet worden ontvangen.

4.6       Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg, met dien verstande dat het Centraal Tuchtcollege het van belang acht dat aan het door het Regionaal Tuchtcollege onder 5.1 overwogene, tussen de één na laatste volzin en de laatste volzin het volgende wordt toegevoegd: Ter zitting in beroep is gebleken dat de arts klaagster via de inhoud van de consultrapportage heeft laten weten dat zij de begeleiding had overgedragen. De arts heeft ter zitting in beroep erkend dat op dit punt de communicatie zorgvuldiger had kunnen verlopen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft dit standpunt, maar is – gelet op de gang van zaken, in het bijzonder gelet op de zeer scherpe toonzetting en de inhoud van de e-mailberichten die de arts van de stichting G. heeft ontvangen – van oordeel dat de wijze van handelen van de arts op dit punt niet geheel onbegrijpelijk is. In dit licht bezien is de wijze waarop de bedrijfsarts de relatie heeft beëindigd weliswaar niet zonder meer zorgvuldig geweest (zoals zij ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege ook zelf heeft ingezien), maar onbegrijpelijk is een en ander niet. Wat daarvan overigens zij, van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is  het Centraal Tuchtcollege niet gebleken.

Het vorenstaande betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter,

mr. drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. R. Veldhuisen, leden-juristen en drs. H.S. Boersma en drs. J.A.F. Leunisse-Walboomers, leden-beroepsgenoten en mr. N. van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2018.

Voorzitter   w.g.         Secretaris  w.g.