ECLI:NL:TGZCTG:2018:109 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.323
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:109 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-04-2018 |
| Datum publicatie: | 25-04-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.323 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de huisarts dat hij niet de zorg heeft verleend die verwacht mag worden van een zorgvuldig handelend arts, maar heeft gehandeld als een verlengstuk van justitie. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.323 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. H.O. den Otter, advocaat te Arnhem,
tegen
C., huisarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. S. Dik verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. - hierna klager - heeft op 14 december 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van
4 juli 2017, onder nummer 16/475, heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
1.2 De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 maart 2018, waar zijn verschenen de huisarts, bijgestaan door
mr. Dik voornoemd. Klager en mr. Den Otter zijn, met schriftelijke kennisgeving vooraf, niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“(…) 2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Verweerder heeft klager op 13 mei 2016 bezocht. Klager bevond zich op dat moment als arrestant in een politiebureau te B.. Klager had zelf om artsvisite gevraagd omdat hij last had van onthoudingsverschijnselen.
2.2. Klager heeft een cauda laesie en gebruikte methadon en medicinale cannabis. Tegen verweerder heeft hij verklaard last te hebben van onthoudingsverschijnselen en verzocht hij om toediening van methadon. Ook heeft hij gevraagd om een deken en een matras. Verweerder heeft deze verzoeken niet gehonoreerd.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder, door de verzoeken van klager te weigeren, niet die zorg heeft verleend die verwacht mag worden van een zorgvuldig handelend arts, maar heeft gehandeld als verlengstuk van Justitie.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Verweerder heeft verklaard dat hij klager lichamelijk heeft onderzocht en dat hij daarbij geen onthoudingsverschijnselen heeft waargenomen. Daarna heeft hij klager het veiligheidsprotocol methadonverstrekking uitgelegd en meegedeeld dat hij niet zou overgaan tot het verstrekken van methadon. Een en ander is ook in het medisch dossier opgenomen.
5.2. Het college oordeelt op basis van het haar ter beschikking gestelde dossier dat niet kan worden vastgesteld dat verweerder in strijd met de geldende normen heeft gehandeld. De Richtlijn Forensische Geneeskunde Behandeling opiaatverslaafden in politiecellen geeft als regel dat zolang er geen objectiveerbare onthoudings-verschijnselen zijn, de eerste 24 uur geen methadon wordt voorgeschreven. Niet gebleken is dat verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld.
5.3. Dat het verzoek van klager om een deken en een matras niet door verweerder is ingewilligd is eveneens begrijpelijk nu niet aannemelijk is geworden dat hiervoor een medische noodzaak bestond. Dat klager dit om andere redenen wenselijk vond moge zo zijn, maar het valt niet binnen de medische verantwoordelijkheid van verweerder om hiervoor zorg te dragen.
5.4. Uit het voorgaande volgt dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. Dit leidt ertoe dat de klacht ongegrond wordt verklaard.
(…)
”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “ 2. De feiten ” in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen/nalaten van de arts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is het Centraal Tuchtcollege toegestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 maart 2018 is dat debat eenzijdig voortgezet.
4.2 De behandeling in beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en drs. M. van Bergeijk en drs. F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten en mr. A. Mul, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 24 april 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.