Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2018:190 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-747/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2018:190
Datum uitspraak: 17-12-2018
Datum publicatie: 19-12-2018
Zaaknummer(s): 18-747/DB/LI
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Door gehoor te geven aan de wens van verweersters cliënt om niet in te stemmen met het schikkingsvoorstel van klager en om vonnis te vragen heeft verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door viertal deskundigenrapporten in het geding te brengen. Inhoud verweerschrift niet tuchtrechtelijk verwijtbaar en stelling over vermeende mishandeling en in het geding brengen van krantenknipsel in 2008 over strafrechtelijk onderzoek evenmin. Ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch

van 17 december 2018

in de zaak 18-747/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:

verweerster

1          Verloop van de procedure

1.1      Bij e-mail d.d. 15 maart 2018 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg een klacht ingediend over verweerster.

1.2      Bij brief aan de raad van 19 september 2018 met kenmerk K18-036 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3      De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 12 november 2018 in aanwezigheid van klager en verweerster, bijgestaan door haar kantoorgenoot mr. H . Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4      De raad heeft kennis genomen van:

-       de brief van de deken van 19 september 2018, met bijlagen.

2          FEITEN

          Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1     Tussen klager en diens wederpartij zijn meerdere gerechtelijke procedures aanhangig geweest. Verweerster treedt op als advocaat van de wederpartij van klager.

2.2     In een gerechtelijke procedure heeft verweerster een viertal in opdracht van haar cliënt opgestelde deskundigen rapporten in het geding gebracht. Op 27 oktober 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Na de zitting is geprobeerd een minnelijke regeling tot stand te brengen, in welk kader klagers advocaat een concept vaststellingsovereenkomst aan verweerster heeft toegestuurd. Op 6 november 2017 heeft verweerster telefonisch aan klagers advocaat medegedeeld dat een minnelijke regeling niet tot stand kon komen en dat zij namens haar cliënt om vonnis zou vragen, hetgeen zij bij faxbericht d.d. 6 november 2017 ook heeft gedaan, met een afschrift van de fax aan klagers advocaat.

2.3     Verweerster heeft namens haar cliënte verweer gevoerd tegen een door klager ingediend verzoek tot benoeming van een deskundige. In het verweerschrift d.d. 14 maart 2018 heeft verweerster vermeld dat haar cliënte tegen klager aangiftes had gedaan van mishandeling en dat de strafzaken vervolgens waren geseponeerd. Bij het verweerschrift heeft verweerster een afschrift van een krantenartikel uit Dagblad De Limburger d.d. 25 juni 2008 in het geding gebracht, in welk artikel melding wordt gemaakt van de aanhouding van klager vanwege de aanwezigheid van een vuurwapen, een onderzoek naar witwaspraktijken door klager, het ontmantelen van hennepkwekerijen en de inbeslagname van auto’s, een motor en een boot. In het verweerschrift heeft verweerster naar dit krantenartikel verwezen. Voorts heeft verweerster in het verweerschrift gesteld dat klager zijn betalingsverplichtingen niet is nagekomen ter zake een gedwongen ontruiming, ter onderbouwing van welke ontruiming zij een proces-verbaal van een deurwaarder d.d. 7 juli 2016 aan het verweerschrift heeft gehecht, en het rooien van een boom.

2.4     Klager heeft reeds eerder tegen verweerster bij de deken klachten ingediend. Deze klachten hadden, evenals de onderhavige klacht, betrekking op verweersters optreden als advocaat van de wederpartij van klager, doch zagen op andere feiten. Bij beslissing d.d. 4 juli 2016 (15-522/DB/LI en 16-057/DB/LI) zijn de klachten deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels gegrond bevonden, waarbij voor het gegrond bevonden onderdeel een berisping aan verweerster is opgelegd. Bij beslissing van de voorzitter d.d. 10 juli 2017 (17-432/DB/LI) is een andere klacht van klager deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Bij e-mail d.d. 15 maart 2018 heeft klager opnieuw bij de deken geklaagd over verweersters optreden.

3          KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

1.         de vrijheid van haar handelen heeft overschreden;

2.         bewust feitelijke gegevens heeft verstrekt waarvan zij weet dat die onjuist zijn;

3.         zich onnodig grievend over de wederpartij heeft uitgelaten.

                          3.2     Klager heeft ter toelichting op zijn klacht het volgende naar voren gebracht:

Ad 1

Verweerster heeft namens haar cliënt vier rapporten in het geding gebracht. Deze deskundigenrapporten, die in een tijdsbestek van zes weken zijn opgesteld, zijn gebaseerd op enkel visuele waarneming en dus geen daadwerkelijk onderzoek en (dus) gekleurd. Verweerster heeft bovendien niet gereageerd op de concept vaststellingsovereenkomst die door klagers advocaat was opgesteld, maar in plaats hiervan heeft verweerster de rechtbank bij brief d.d. 6 november 2017 gevraagd uitspraak te doen.

Ad 2

Verweerster heeft voor de vierde keer melding gemaakt van de vermeende mishandeling die geseponeerd is. Ook heeft verweerster voor de twee maal een krantenknipsel uit Dagblad de Limburger van 25 juni 2008 bijgevoegd waarin melding wordt gemaakt van een onderzoek naar witwassen en de inbeslagname van auto’s. Tot slot heeft verweerster vermeld dat klager de kosten van de gedwongen ontruiming van het perceel niet heeft voldaan.

Ad 3

Verweerster heeft zich onnodig grievend over klager uitgelaten en heeft hem gedemoniseerd.

4          VERWEER

4.1      De rapportages zijn niet door verweerster opgesteld, maar in opdracht van haar cliënte en dienen ter onderbouwing van de standpunten van haar cliënte. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat de rapportages (waarin geconcludeerd werd dat de boom dood was en het vellen van de boom noodzakelijk was) onjuist waren.

4.2       Verweerster heeft telefonisch overleg gevoerd met klagers advocaat, waarin zij heeft aangegeven dat haar cliënte behoefte had aan een uitspraak van de rechtbank, omdat partijen geen overeenstemming konden bereiken. Dit blijkt ook uit de confraternele correspondentie.

4.3       Verweerster heeft alleen feitelijkheden aangevoerd. Er zijn aangiftes zijdens haar cliënte gedaan en verweerster heeft ook gemeld dat de aangiftes wegens mishandeling zijn geseponeerd. Dat de auto’s na inbeslagname weer zijn teruggegeven was verweerster niet bekend. De slechte betalingsmoraliteit van klager is voorts een feit. Dat er wel degelijk sprake is geweest van een gedwongen ontruiming blijkt uit het proces-verbaal d.d. 7 juli 2016.

4.4       De klacht over de grievende uitlatingen is niet geconcretiseerd. Verweerster heeft zich namens haar cliënte beperkt tot een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen in de afgelopen jaren, welke zij heeft onderbouwd met bewijsstukken en waarbij zij zich niet – schriftelijk noch mondeling - onnodig grievend heeft uitgelaten.

5          BEOORDELING

5.1     De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. De raad overweegt dat de advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. De raad oordeelt dat klager met inachtneming van het bovenstaande kan worden ontvangen in zijn klacht en zal de klacht met inachtneming van bovenstaand uitgangspunt beoordelen. 

5.2     Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat verweerster, nadat zij met klagers advocaat heeft getracht om een minnelijke regeling tot stand te brengen, klagers advocaat op de hoogte heeft gesteld van het standpunt van haar cliënt, dat geen minnelijke regeling tot stand kon worden gebracht en dat vonnis moest worden gewezen. Vervolgens heeft verweerster de rechter verzocht om vonnis te wijzen. Naar het oordeel van de raad stond dit haar vrij, immers, verweersters cliënt vond het door klagers advocaat geformuleerde schikkingsvoorstel kennelijk onaanvaardbaar en wenste vonnis. Kennelijk zag verweerster geen basis meer voor verdere onderhandeling. Door gehoor te geven aan de wens van haar cliënt om vonnis te vragen heeft verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.3     De raad is van oordeel dat verweerster evenmin een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij namens haar cliënt een viertal in opdracht van haar cliënt opgemaakte deskundigenrapporten in het geding heeft gebracht. Indien klager zich niet in de conclusies van de door zijn wederpartij ingeschakelde deskundigen kon vinden, was het aan hem of zijn advocaat om dat onder de aandacht van de rechter te brengen. Niet is gebleken dat klagers belangen door toedoen van verweerster op ontoelaatbare wijze zijn geschaad.

5.4     Ook van de in het verweerschrift opgenomen stellingen kan verweerster naar het oordeel van de raad geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De door verweerster verwoorde standpunten, wat daar ook van zij, betreffen de inhoud van het geschil dat klager en de cliënt van verweerster verdeeld houdt en waarover is en wordt geprocedeerd. Het is niet aan de raad om daarover te oordelen, tenzij verweerster een evident onpleitbaar standpunt zou innemen en zij klager’s belangen daarmee nodeloos en op ontoelaatbare wijze zou schaden. Daarvan is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Verweerster heeft toegelicht waarom zij in het belang van haar cliënt achtte om de vermeende mishandeling en het krantenknipsel in het verweerschrift aan de orde te stellen. Het is voorstelbaar dat dit klager onwelgevallig was, maar dat betekent nog niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënt stond het verweerster vrij om dit naar voren te brengen.

5.5     Dat verweerster bewust feiten heeft geponeerd waarvan zij de onjuistheid kende is naar het oordeel van de raad niet gebleken en dat verweerster zich jegens klager onnodig grievend heeft uitgelaten evenmin. Klager heeft ook niet concreet gemaakt waaruit de onnodig grievende uitlatingen zijdens verweerster bestonden. De raad is van oordeel dat verweersters optreden heeft plaatsgevonden binnen de marges van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid. De klacht is ongegrond.

5.5     De raad komt tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De raad van discipline:

                          verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.G.M. Zander, voorzitter, mrs. S.A.R. Lely en A.J.F. van Dok, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2018.

Griffier                                                            Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie: