Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2018:252
Datum uitspraak:
26-11-2018
Datum publicatie:
12-12-2018
Zaaknummer(s):
18-399/DH/DH
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Voorwaardelijke schorsing Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Klacht over de kwaliteit van dienstverlening in een familierechterlijke kwestie gegrond. Schorsing voor de duur van zestien weken, waarvan acht voorwaardelijk.

's-Gravenhage

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 26 november 2018

in de zaak 18-399/DH/DH

 

naar aanleiding van de klacht van:

(…)

 

klaagster

over:

(…)

 

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 25 april 2017 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 24 mei 2018 met kenmerk R 2018/34 edl/cij/dh, door de raad ontvangen op 24 mei 2018, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 24 september 2018 in aanwezigheid van klaagster en verweerder.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1     Verweerder heeft klaagster bijgestaan in diverse procedures in verband met haar echtscheiding.

2.2    Op 15 juni 2016 heeft klaagster de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoekschrift is op 5 juli 2016 mondeling behandeld. Op 19 juli 2016 heeft de rechtbank beschikking gewezen. De rechtbank heeft bepaald dat de man van klaagster (verder: de man) met ingang van de datum van de beschikking kinderalimentatie verschuldigd is voor het minderjarige kind van partijen. Verweerder heeft de beschikking op 21 juli 2016 naar klaagster gezonden.

2.3    Bij e-mail van 22 juli 2016 aan verweerder heeft klaagster haar ongenoegen jegens verweerder geuit over hoogte en de datum van ingang van de kinderalimentatie.

2.4    Op 12 augustus 2016 heeft klaagster verweerder een overzicht van baten en schulden gestuurd.

2.5    Op 12 augustus 2016 heeft verweerder namens klaagster een verzoek tot echtscheiding ingediend. Verweerder heeft hierin gesteld dat Nederlands recht van toepassing is. De man heeft op 26 september 2016 een verweerschrift met zelfstandige verzoeken ingediend. Hierin heeft de man “de toepasselijkheid van Nederlands recht op de onderscheiden verzoeken” van klaagster erkend. De over en weer ingediende verzoeken zijn mondeling behandeld op 5 december 2016. Op 9 december 2016 heeft de rechtbank beschikking gewezen. De beslissing over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is daarbij aangehouden.

2.6    Bij brief van 31 januari 2017 heeft verweerder de rechtbank aanvullende stukken gezonden en aanvullende informatie verschaft in verband met de verdeling.

2.7    Op 1 februari 2017 heeft verweerder een concept e-mail aan de man voorgelegd aan klaagster. Klaagster heeft dezelfde dag gereageerd op de ingediende stukken. Klaagster heeft verweerder er onder meer op gewezen dat hij een schuld die al verdeeld is, nog eens heeft verdeeld.

2.8    In een e-mail van 1 maart 2017, 16.51 uur, heeft klaagster verweerder verzocht om een zittingsdatum te laten inplannen.

2.9    In zijn e-mail van 1 maart 2017, 18.30 uur, aan klaagster heeft verweerder erop gewezen dat de man in zijn verweerschrift geen bezwaar heeft geuit tegen toepassing van Nederlands recht, maar dat hij blijkens het door hem ingediende formulier verdelen en verrekenen toch toepassing van Marokkaans recht wenst. Verweerder heeft toegevoegd dat het hem niet duidelijk is wat de man “beoogt met toepassing van het Marokkaans recht wat leidt tot een beperkte gemeenschap”. In haar reactie van 1 maart 2017, 18.38 uur, heeft klaagster laten weten dat zij wenst dat de zaak op zitting wordt behandeld en dat zij ervan uitgaat dat Nederlands recht zal worden toegepast.

2.10    Op 2 maart 2017 heeft verweerder klaagster een formulier ‘verdelen & verrekenen’ toegezonden met het verzoek het te controleren en aan te vullen. In haar reactie van 7 maart 2017 heeft klaagster erop gewezen dat het formulier niet volledig is; goederen die eerder in de procedure al door klaagster zijn genoemd, zijn niet in het formulier opgenomen.

2.11    In haar e-mail van 14 maart 2017 heeft klaagster te kennen gegeven dat ze niet langer wil wachten op berichten van de man in verband met een regeling. Klaagster heeft verweerder verzocht te bewerkstelligen dat de zaak op zitting wordt behandeld.

2.12    Op 17 maart 2017, 13.02 uur, heeft klaagster het hiervoor in 2.10 bedoelde formulier ingevuld aan verweerder verzonden.

2.13    In zijn e-mail van 17 maart 2017, 14.21 uur, maakt verweerder opmerkingen bij het formulier, in het bijzonder over het door klaagster laten oplopen van een bepaalde vordering. Verweerder heeft er in zijn e-mail verder op gewezen dat de man toepassing van Marokkaans recht wenst, op de grond dat klaagster en hij de Marokkaanse nationaliteit delen. Bij e-mail van dezelfde datum, 14.50 uur, heeft klaagster gereageerd. Klaagster heeft geschreven dat het haar verstandig lijkt om verweer te voeren tegen het standpunt van de man dat Marokkaans recht moet worden toegepast en dat verweerder daarmee niet moet wachten tot de zitting. Klaagster heeft vervolgens informatie verschaft over haar band met Nederland en met Marokko die verweerder in dat verband kan gebruiken.

2.14    Bij e-mail van 20 maart 2017 heeft klaagster haar ongenoegen geuit over de gang van zaken. Klaagster heeft geklaagd over, zakelijk weergegeven, de kwaliteit van dienstverlening en het gebrek aan voortvarendheid. In haar e-mail van 23 maart 2017 aan verweerder heeft klaagster haar ongenoegen over de gang van zaken herhaald.

2.15    In haar e-mail van 28 maart 2017 heeft klaagster verweerder verzocht te reageren op haar e-mails van 17, 20 en 23 maart 2017.

2.16    Op 31 maart 2017, 13.56 heeft verweerder aan klaagster geschreven dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven. Hij heeft verder geschreven dat hij op 17 maart 2017 stukken heeft ingediend bij de rechtbank, dat de rechtbank zich daarover beraadt en naar verwachting op 5 april 2017 een beslissing zal geven.

2.17    Bij eindbeslissing van 6 april 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat Marokkaans recht van toepassing is. Omdat het Marokkaanse recht geen gemeenschap van goederen kent, is het verzoek van klaagster tot verdeling afgewezen.

2.18    Op 24 april 2017 heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld voor schade als het gevolg van fouten bij de behandeling van haar zaak. Bij ongedateerde brief heeft mr. A de aansprakelijkstelling nog eens onder de aandacht van verweerder gebracht met het verzoek om uiterlijk 2 juni 2017 te reageren.

2.19    Bij e-mail van 2 juni 2017 aan verweerder heeft mr. A opnieuw verzocht om een reactie op de aansprakelijkstelling. Verder heeft zij erop gewezen dat verweerder niet adequaat reageert op verzoeken van andere advocaten om het verstrekken van dossiers.

2.20    Op 17 mei 2017 heeft verweerder een e-mail ontvangen van een medewerker van het omgangshuis met mededeling dat, zakelijk weergegeven, de man omgang wil met zijn kind. Verweerder heeft de e-mail beantwoord en hij heeft het antwoord ‘cc’ gezonden naar klaagster en naar de advocaat van de man. Het antwoord van verweerder luidt als volgt:

“(…) Naar ik mij meen te herinneren heeft de rechter bepaald dat de begeleide omgang onder leiding van (…) plaats vindt na overleg met de ouders, en dienaangaande is beschikking zoals gewoonlijk bij voorraad uitvoerbaar verklaard. Kennelijk heeft het overleg met u niet tot nadere afspraken geleid. Met cfr. [advocaat van de man] heb ik hierover (nog) geen overleg gehad, voor alle zekerheid stuur ik hem dit bericht in cc. (…)”

2.21    Op 22 mei 2017 heeft klaagster verweerder verzocht om een kopie van het dossier te verstrekken in verband met hoger beroep in de boedelscheidingszaak.

2.22    Op 3 juni 2017 heeft verweerder laten weten dat hij dossiers heeft verstrekt aan mr. O in verband met het appel van de boedelscheidingszaak en aan mr. S die het hoger beroep in verband met de omgangsregeling behandelt. Verweerder heeft geschreven dat mr. A, die de aansprakelijkheidskwestie behandelt, moet wachten op het verweer in de klachtzaak, omdat dat verweer gelijk is aan dat in de aansprakelijkheidskwestie.

2.23    Op 8 juni 2017 heeft mr. A verweerder opnieuw verzocht om toezending van het dossier.

2.24    Op 15 november 2017 heeft onder leiding van de deken een gesprek plaatsgevonden tussen partijen.

2.25    Op 15 november 2017 heeft verweerder bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar melding gemaakt van de aansprakelijkstelling door klaagster.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft op 17 mei 2017 een brief van het omgangshuis doorgestuurd naar (onder meer) de advocaat van de man, terwijl verweerder op dat moment al niet meer de advocaat van klaagster was. Klaagster had haar vertrouwen in verweerder op 6 april 2017 al opgezegd.

b)    Verweerder heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd over de mogelijkheid dat Marokkaans huwelijksvermogensrecht van toepassing zou kunnen zijn. Verweerder heeft klaagster ook niet laten weten dat hij onvoldoende kennis had van het toepasselijke recht.

c)    Verweerder heeft een door klaagster, op zijn verzoek, opgesteld formulier “verrekenen en verdelen” met bijlagen niet bij de rechtbank ingediend. Verweerder heeft het voor klaagster aangedragen verweer over draagplicht van schulden onder het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht en de verweren op basis van het eveneens toepasselijke Belgische recht niet gevoerd. Verweerder heeft bovendien niet verzocht om een zitting over de afwikkeling van de boedel.

d)    Verweerder heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure het verzoek om kinderalimentatie niet aangepast, terwijl daarvoor ruimte ontstond door het intrekken van het verzoek om partneralimentatie.

e)    Verweerder heeft tijdens de bodemprocedure ingestemd met het ingaan van hogere kinderalimentatie per datum inschrijving van de echtscheiding, in plaats van per datum beschikking. Hierdoor is klaagster een periode een hogere kinderalimentatie misgelopen.

f)    Verweerder heeft gedurende de behandeling van de zaak niet, althans niet adequaat gereageerd op correspondentie van klaagster.

3.2    De stellingen die klaagster aan haar klacht ten grondslag heeft gelegd zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

 

4    VERWEER

4.1    Hetgeen verweerder in verband met de klacht heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

 

5    BEOORDELING

5.1    De klachtonderdelen zien in de kern op de kwaliteit van dienstverlening door verweerder. Voorop staat dat de tuchtrechter de kwaliteit van de dienstverlening in volle omvang toetst. De tuchtrechter houdt daarbij rekening met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor hij bij de behandeling van een zaak kan komen te staan. Die vrijheid en die keuzes zijn niet onbegrensd, maar worden beperkt door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld, Die eisen brengen met zich dat het werk van de advocaat dient te voldoen aan hetgeen binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt dat de advocaat handelt met de zorgvuldigheid die in de gegeven omstandigheden van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Deze maatstaf brengt mee dat de tuchtrechter bij een klacht over de door de advocaat geleverde kwaliteit een eigen oordeel vormt.

5.2    Ter zitting heeft verweerder de verwijten die klaagster hem in klachtonderdelen a, b, c d en f heeft gemaakt erkend. Omdat deze klachtonderdelen bovendien voldoende steun vinden in de feiten en het door klaagster gestelde, komt de raad tot de conclusie dat verweerder niet heeft gehandeld zoals dat een redelijk handelend advocaat betaamt. De klachtonderdelen a, b, c, d en f zijn gegrond.

5.3    Verweerder heeft in verband met klachtonderdeel e aangevoerd dat klaagster al kinderalimentatie ontving op basis van de voorlopige voorziening en dat zij aldus geen belang had bij een eerdere ingangsdatum. Volgens de onweersproken stelling van verweerder heeft klaagster ingestemd met ingang van de verhoogde kinderalimentatie per datum van inschrijving van de echtscheiding. Gelet op dit alles heeft klaagster klachtonderdeel e onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat het klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.

 

6    MAATREGEL

6.1    De dienstverlening van verweerder aan klaagster heeft niet beantwoord aan de professionele standaard. De voor behandeling van de kwestie noodzakelijke kennis van internationaal huwelijksvermogensrecht is bij verweerder niet of onvoldoende aanwezig. Ook voor het overige was de bijstand van verweerder aan klaagster inhoudelijk onder de maat. Daar komt bij dat verweerder niet (voortvarend) heeft gereageerd op berichten van klaagster en dat hij zich heeft gepresenteerd als advocaat van klaagster terwijl hij dat niet meer was. Van dit alles maakt de raad verweerder een tuchtrechtelijk verwijt.

6.2    Ter zitting is de raad gebleken dat  zijn praktijk verweerder boven het hoofd groeit. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij minder zaken wil gaan behandelen, dat hij in verband met zijn leeftijd een plan heeft gemaakt om te stoppen en dat hij zichzelf in de gaten moet en zal houden. Dit neemt niet weg dat de raad zich zorgen maakt over de praktijk van verweerder.

6.3    De raad acht de maatregel van schorsing voor de duur van zestien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, gelet op de ernst van de verweten gedraging passend.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde  griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50 reiskosten van klaagster,

b) € 1000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

7.3     Verweerder moet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klaagster. Klaagster geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk door aan verweerder.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1000 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klachtonderdelen a, b, c, d en f gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel e ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel op van schorsing voor de duur van zestien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk;

-    bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

-     de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,

-     verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

-     de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd, M.P. de Klerk, P.J.E.M. Nuiten en P.C.M. van Schijndel, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2018

Meer informatie

Acties

Meta gegevens