Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2018:34
Datum uitspraak:
05-03-2018
Datum publicatie:
15-03-2018
Zaaknummer(s):
17-545
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijGrievende uitlatingen Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijFouten Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijJegens wederpartij in acht te nemen zorg Ontvankelijkheid van de klachtTijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen advocaat wederpartij. Klagers zijn niet-ontvankelijk in hun klacht die ziet op het handelen van verweerder tijdens een bespreking in 2006. Uit een brief die in 2006 namens klagers (door hun toenmalige advocaat) is verzonden volgt dat klagers toen al met het vermeend verwijtbaar handelen bekend waren of bekend moeten worden verondersteld. Dat klagers zich die brief niet kunnen herinneren of destijds niet hebben gezien zoals zij hebben gesteld, doet daaraan niet af. Verjaring ex art. 46g lid 1 sub a Advocatenwet. Klacht voor het overige ongegrond.

Midden-Nederland

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 5 maart 2018

in de zaak 17-545

naar aanleiding van de klacht van:

 

klagers

tegen

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 23 januari 2017 hebben klagers bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Bij brief aan de raad van 5 juli 2017 met kenmerk 17-0015/MV/sd, door de raad ontvangen op 6 juli 2017, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 27 november 2017 in aanwezigheid van klager en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennis genomen van:

-    het van de deken ontvangen dossier.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1    Bij de geboorte van de dochter van klagers in 1995 in het (toenmalige) Westeinde Ziekenhuis in Den Haag is gezondheidsschade ontstaan.

2.2    Klagers hebben de gynaecoloog en het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de schade die tijdens de bevalling is ontstaan. De aansprakelijkstelling is door Medirisk, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis, in behandeling genomen.

2.3    Klagers hebben bij dagvaarding van 10 mei 2005 de gynaecoloog en het ziekenhuis in rechte betrokken teneinde – kort gezegd – hun schade vergoed te krijgen. Verweerder heeft vanaf het moment van dagvaarding op verzoek van Medirisk de belangen van de gynaecoloog en het ziekenhuis behartigd.

2.4    Op 12 april 2006 heeft de rechtbank Den Haag een tussenvonnis gewezen naar aanleiding waarvan op 24 mei 2006 een bespreking heeft plaatsgevonden tussen klagers, verweerder en de heer B. Verweerder heeft de aanwezigheid van de heer B. bij de bespreking, in diens hoedanigheid van vertegenwoordiger van het ziekenhuis, van tevoren aangekondigd. Tijdens de bespreking zijn de mogelijkheden van een minnelijke regeling besproken. Verweerder heeft daarbij namens zijn cliënten verzocht om recente medische informatie over de dochter. Klagers hebben deze informatie verstrekt.

2.5    Bij faxbericht van 23 augustus 2006 heeft de toenmalige advocaat van klagers aan verweerder onder meer bericht:

“Tijdens die bespreking [op 24 mei 2006] heeft u echter heel uitdrukkelijk – in het bijzijn van de heer [B.] die naast in de Raad van Bestuur van [het ziekenhuis] vreemd genoeg ook in de Raad van Bestuur van Medirisk plaatsneemt, en Dr. [naam] aangegeven dat een minnelijke regeling bespreekbaar is indien voldoende inzicht wordt gegeven in de huidige toestand van [de dochter].”  (afkorting raad)

2.6    Enkele maanden later heeft verweerder namens zijn cliënten aan klagers gemeld geen mogelijkheden te zien voor een minnelijke regeling.

2.7    Bij vonnis van 21 oktober 2009 heeft de rechtbank Den Haag de vordering van klagers tegen het ziekenhuis wegens verjaring en die jegens de gynaecoloog op inhoudelijke gronden afgewezen. Klagers zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

2.8    Bij tussenarrest van 10 mei 2011 heeft het gerechtshof Den Haag bepaald dat de vordering tegen het ziekenhuis niet is verjaard. Op enig moment hebben partijen de procedure bij het gerechtshof op de parkeerrol laten plaatsen en is een buitengerechtelijk schadeafwikkelingstraject opgestart.

2.9    In dat kader hebben partijen op enig moment  - op kosten van Medirisk - Bureau Trivium Advies (hierna: Trivium) ingeschakeld om de zorgbehoefte van de dochter in kaart te brengen. Dit heeft geleid tot een schaderapport.

2.10    Op of omstreeks 14 oktober 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen klagers en verweerder. Bij deze bespreking was ook aanwezig de broer van klager. Bij de bespreking heeft verweerder namens zijn cliënten een voor klagers toen nog onbekend rekenrapport getoond. Bij de bespreking van het smartengeld heeft de broer van klager verwezen naar een uitspraak in de ANWB-Smartengeldgids (concreet: een vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2006). Verweerder heeft gemeld deze uitspraak niet te kennen.

2.11    In oktober 2015 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij – zonder erkenning van aansprakelijkheid – een deel van de materiele schade en het smartengeld volledig is afgewikkeld.

2.12    Ten aanzien van de resterende schade zijn partijen vanaf medio 2016 een mediationtraject ingegaan. Klagers hebben  de mediation kort daarna afgebroken.

2.13    Bij brief van 1 november 2016 heeft verweerder aan de advocaat van klagers onder meer toegelicht wat de gevolgen zijn van het afbreken van het mediationtraject door klagers en de wens van klagers om de procedure weer op de rol te laten plaatsen (en waarmee de buitengerechtelijke fase zal eindigen). In dat kader heeft verweerder onder meer gemeld dat de door Medirisk betaalde buitengerechtelijke kosten een totaal van ruim € 51.000,- bedragen en dat de kosten van rechtsbijstand vanaf 20 oktober 2016 niet meer als buitengerechtelijk kunnen worden aangemerkt en deze zullen vallen onder het regime van burgerlijke rechtsvordering.

2.14    Bij e-mailbericht van 11 november 2016 heeft verweerder aan de advocaat van klagers onder meer bericht:

“Weliswaar heeft (de broer van klager) de VSO niet meeondertekend, maar de informatie die hij nu publiek wil maken kan hij alleen maar van zijn broer/schoonzuster hebben ontvangen. Als het gaat om het voeren van onderhandelingen en mediation is dat geen probleem, maar het is niet correct dat hij zich als nauw betrokkene na het niet slagen van mediation vrij zou achten de publiciteit te zoeken.”

2.15    Bij brief van 23 januari 2017 hebben klagers een klacht over verweerder ingediend bij de deken.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    i) verweerder geen informatie heeft gegeven over de dubbele pet van de bij de bespreking aanwezige vertegenwoordiger van zijn cliënte en

ii) verweerder medische informatie heeft bemachtigd door een onjuist ‘gebruik’ van een bespreking tussen partijen;

b)    verweerder tijdens de bespreking van 14 oktober 2014 feitelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt;

c)    verweerder intimiderende brieven heeft geschreven.

Toelichting

3.2    Ad a) Verweerder heeft weliswaar van tevoren de aanwezigheid van de heer B. bij de bespreking van 24 mei 2006 aangekondigd, maar later is klagers gebleken dat de heer B. niet alleen vertegenwoordiger van het ziekenhuis was maar ook deel uitmaakte van het bestuur van Medirisk. Verweerder had deze informatie van tevoren moeten delen met klagers. Klagers zijn pas in een laat stadium bekend geworden met deze ‘dubbele pet’. Klager hebben de klacht binnen drie jaar na deze wetenschap ingediend zodat een beroep op niet-ontvankelijkheid niet opgaat. Mocht verweerder zich daarop beroepen dan is het aan verweerder om de eerdere bekendheid van klagers hiermee aan te tonen. Nadat klagers de medische informatie hebben verstrekt waar verweerder tijdens de bespreking om had gevraagd, heeft verweerder drie maanden later gemeld dat zijn cliënten geen mogelijkheden zagen voor een minnelijke regeling. De verstrekte medische informatie is nooit terugontvangen. Verweerder heeft oneigenlijk gebruik gemaakt van de bespreking door buiten de procedure om medische informatie op te vragen.

3.3    Ad b) Tijdens de bespreking van 14 oktober 2014 heeft verweerder een voor klagers onbekend tegenrapport van Medirisk op tafel gelegd terwijl het rapport van Trivium op uitdrukkelijk initiatief van Medirisk was opgesteld. Het rapport van Trivium komt overeen met een bindend advies. Het aantal uren zorgbehoefte zoals dat is vastgesteld in het rapport van Trivium is door klagers als uitgangspunt gebruikt bij de door hun advocaat opgestelde schadeberekening, die verweerder eind augustus 2014 is toegezonden. Door tijdens de bespreking van 14 oktober 2014 ineens met een tegenrapport van het Rekenbureau te komen, waarin het aantal uren zorgbehoefte dat in het rapport van Trivium was vastgesteld in twijfel werd getrokken, heeft verweerder klagers overvallen. Zij achten deze handelwijze ongepast. Tijdens deze bespreking heeft verweerder daarnaast gemeld dat hij de genoemde uitspraak uit de ANWB-Smartengeldgids niet kende terwijl verweerder in die zaak behandelend advocaat is geweest. Bij een goede voorbereiding van de bespreking, zoals van verweerder mocht worden verwacht, was het niet mogelijk dat verweerder deze belangwekkende uitspraak, in een zaak die overkomt met de zaak van klagers, was vergeten. Verweerder heeft klagers/zijn wederpartij misleid.

3.4    Ad c) Verweerder heeft op 1 november 2016 een uitermate intimiderende brief verstuurd. Deze brief bevat (overbodige) informatie over de door klagers ondertekende vaststellingsovereenkomst. De inhoud van de brief is op meerdere punten onjuist. Daarnaast wordt aangekondigd dat de declaraties van de advocaat van klagers niet meer (volledig) zullen worden betaald. In de e-mail van 11 november 2016 heeft verweerder klagers ervan beschuldigd te hebben ‘gelekt’ uit de vaststellingsovereenkomst aan de broer van klager en daarmee hun geheimhoudingsplicht te hebben geschonden. Deze verdachtmaking is onjuist, ongefundeerd, ongepast, onnodig kwetsend en uitermate intimiderend. De brieven dienen geen redelijk doel en lijken enkel bedoeld om klagers nog meer angst in te boezemen. Klagers rekenen dit verweerder zwaar aan mede gelet op zijn functie binnen de Vereniging van Letselschade Advocaten (LSA).

 

4    VERWEER

Ad klachtonderdeel a)

4.1    Dit klachtonderdeel ziet op het handelen van verweerder in 2006. Klagers zijn niet-ontvankelijk in hun klacht nu meer dan drie jaren zijn verstreken tussen het vermeend verwijtbare handelen en het indienen van de klacht. Uit een door verweerder overgelegde fax van de toenmalige advocaat van klagers van 23 augustus 2006 blijkt dat klagers destijds al bekend waren met de bestuursfunctie van de heer B. bij Medirisk.

4.2    Voor zover klagers wel ontvankelijk zijn, geldt dat de bespreking van 24 mei 2006 zou plaatsvinden met (een lid van) de raad van bestuur van het ziekenhuis en niet met Medirisk. De heer B. heeft uitsluitend als zodanig aan de bespreking deelgenomen. Verweerder was niet verplicht om klagers voorafgaand aan de bespreking en ongevraagd te informeren over andere functies van de heer B. Verweerder betwist de relevantie van dit verwijt. De bespreking vond plaats omdat klagers hadden gemeld de publiciteit te zullen opzoeken en om een minnelijke regeling te beproeven. Alle opties stonden nog open. Verweerder heeft namens zijn cliënten uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat de gerechtelijke procedure mogelijk moest worden hervat. Tijdens de bespreking heeft verweerder klagers gevraagd om degelijke medische informatie te vertrekken. Dit was een gerechtvaardigd verzoek. Zijn cliënten dienden inzicht te krijgen in de gezondheidssituatie van de dochter van klagers. De ontvangen medische informatie is door de cliënten van verweerder bestudeerd. Uiteindelijk is het niet tot een minnelijke regeling gekomen. Klagers hebben nimmer gevraagd om teruggave van de medische informatie en dit is overigens ook ongebruikelijk.

Ad klachtonderdeel b)

4.3    Klagers hadden zelf al in 2011 een eenzijdig (concept) reken-/schaderapport laten opstellen door het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL). Deze berekening sloot per 1 juli 2011. Tijdens de bespreking van 14 oktober 2014 zouden de verzorgingskosten van de dochter ter sprake komen, hetgeen een belangrijk onderdeel van de gevorderde schade betrof. In het licht van het eerder door klagers gepresenteerde NRL-rapport heeft verweerder ter onderbouwing van de visie van zijn cliënten een rapport van het Rekenbureau van 10 oktober 2014 overhandigd en toegelicht. Dit rapport diende ter onderbouwing van een tegenvoorstel. Klagers hadden een eenzijdig rapport opgesteld en de cliënten van verweerder hebben dat ook gedaan. Dat is niet ongebruikelijk in letselschadezaken. Aan onderhandelingen is inherent dat partijen standpunten innemen en daarover van gedachten wisselen. Het was niet de bedoeling om klager met het rapport van het Rekenbureau te overvallen maar om tijdens de bespreking de visie van zijn cliënten te onderbouwen. Dit was gelet op het financiële belang ook gerechtvaardigd. Klagers hebben van het rapport van het Rekenbureau kennis kunnen nemen en daarna ook een standpunt kunnen innemen. Verweerder heeft ter zitting van de raad betwist dat het rapport van Trivium als bindend advies bedoeld was en gezien moe(s)t worden. Het was bedoeld als informatiebron in het kader van de buitengerechtelijke onderhandelingen. Omdat er onduidelijkheden en discussies bleven bestaan hebben de cliënten van verweerder nadien het rapport van het Rekenbureau laten opstellen, hetgeen was toegestaan.

4.4    De genoemde uitspraak uit de smartengeldgids was tijdens de bespreking niet voorhanden. In de smartengeldgids wordt slechts een summiere samenvatting, zonder details, gegeven. De bewuste zaak was toen 8 jaar oud en verweerder heeft deze niet herkend als een zaak die hij eerder zelf had behandeld. Ook de advocaat van klagers heeft kennelijk niet de link gelegd. Van bewuste misleiding of feitelijk onjuiste gegevens was geen sprake.

Ad klachtonderdeel c)

4.5    De brief van 1 november 2016 bevat een samenvatting van de situatie op het moment dat klagers het mediationtraject afbraken. De gegeven informatie is juist en niet intimiderend en daarnaast diende de brief een redelijk doel. Klagers hebben niet gemeld op welke punten de brief onjuist zou zijn. Wat betreft de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten heeft verweerder enkel het standpunt van zijn cliënten verwoord. Op verzoek van zijn cliënten heeft verweerder de e-mail van 11 november 2016 geschreven in reactie op de aankondiging van de broer van klager dat de publiciteit zou worden opgezocht. De cliënten van verweerder zien klagers en de broer van klager als een gezamenlijk optrekkende partij nu de broer als adviseur van klagers nauw bij de zaak betrokken is (geweest). Verweerder heeft klagers er niet van beticht dat zij hebben gelekt uit de vaststellingsovereenkomst.

 

5    BEOORDELING

5.1    De raad beoordeelt eerst of klagers kunnen worden ontvangen in klachtonderdeel a. Met verweerder is de raad van oordeel dat uit de faxbrief van de toenmalige advocaat van klagers van 23 augustus 2006 blijkt dat destijds reeds bekend was dat de heer B. naast zijn functie bij het ziekenhuis tevens lid was van de Raad van Bestuur van Medirisk. Ter zitting van de raad hebben klagers verklaard dat zij zich niet kunnen herinneren deze faxbrief destijds (in concept) te hebben gezien of met de advocaat te hebben besproken. Klagers hebben nog toegelicht dat de kwestie emotioneel zeer belastend was en dat zij de correspondentie over de zaak om die reden soms niet lazen. Hoewel begrijpelijk is dat de kwestie emotioneel belastend was, staat vast dat deze faxbrief namens klagers is verstuurd. De inhoud van de bewuste faxbrief dient dan ook aan klagers te worden toegerekend. Klagers konden aldus met de inhoud van de brief bekend zijn of moeten daarmee bekend worden verondersteld. Nu nadien meer dan drie jaren zijn verstreken, dienen klagers conform artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk te worden verklaard. Datzelfde geldt voor de medische informatie die verweerder tijdens de bespreking van 24 mei 2006 bij klagers heeft opgevraagd en heeft ontvangen. Of verweerder gehouden was om deze informatie aan klagers terug te sturen zoals klagers hebben gesuggereerd, kan in het midden blijven nu ook deze kwestie zich meer dan drie jaren voor het indienen van de klacht heeft afgespeeld en niet gesteld of gebleken is dat klagers hier pas later mee bekend zijn geworden. Kortom, de raad oordeelt klagers niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a.

5.2    Nu de klachtonderdelen b en c zien op een latere periode (vanaf 14 oktober 2014) is de raad gebleken dat deze klachtonderdelen wel binnen voornoemde ontvankelijkheidstermijn vallen. Deze klachtonderdelen worden hierna (wel) inhoudelijk beoordeeld.

Ad klachtonderdeel b)

5.3    Voor wat betreft het verwijt ten aanzien van het door Medirisk ingebrachte tegenrapport van het Rekenbureau acht de raad het volgende van belang. De raad stelt vast dat het rapport van Trivium waarnaar klagers hebben verwezen niet gezien kan worden als een bindend advies. Vaststaat dat het rapport van Trivium in de buitengerechtelijke fase ter (eerste?) oriëntatie en in onderling overleg is opgesteld, maar dat dit de status heeft van bindend advies blijkt nergens uit. Dat het rapport gefinancierd is door Medirisk maakt evenmin dat de cliënten van verweerder daaraan vervolgens gebonden waren. Verweerder had aldus de vrijheid om namens zijn cliënten op een later moment in het buitengerechtelijk schadeafwikkelingstraject met een (nieuw) tegenrapport te komen, zoals overigens ook niet ongebruikelijk is in dergelijke zaken. Dat verweerder dit tegenrapport niet voorafgaand aan de bespreking aan klagers of hun advocaat heeft toegestuurd staat vast, doch niet gesteld of gebleken is dat klagers hierdoor in hun belangen zijn geschaad dan wel dat zij niet de gelegenheid hebben gehad om hier kennis van te nemen en hun standpunt(en) te formuleren. Bovendien dateert  het rapport van enkele dagen voor de bespreking, dus evenmin kan worden gezegd dat verweerder het rapport al enige tijd onder zich had en klagers dus al geruime tijd eerder over het bestaan en de inhoud van het rapport had kunnen inlichten. De raad oordeelt het handelen van verweerder op dit punt niet tuchtrechtelijk laakbaar.

5.4    Het is de raad niet duidelijk wat klagers verweerder concreet verwijten ten aanzien van de genoemde uitspraak in de ANWB-Smartengeldgids. De raad stelt voorop dat hem uit niets is gebleken dat verweerder bewust informatie heeft achtergehouden en/of klagers heeft willen misleiden. De enkele omstandigheid dat verweerder een acht jaar oude zaak niet meteen als een van ‘zijn’ zaken heeft herkend, acht de raad vanwege het tijdsverloop niet onbegrijpelijk en alleen al daarom is dit niet tuchtrechtelijk laakbaar. In dat kader is verder nog van belang dat de ANWB-Smartengeldgids slechts summiere en geanonimiseerde informatie bevat over de hoogte van toegewezen immateriële schadevergoedingen en geen gespecificeerde zaaksinformatie vermeldt.  

5.5    De raad  oordeelt klachtonderdeel b ongegrond.

Ad klachtonderdeel c)

5.6    De raad volgt klagers niet in hun stelling dat de brief van 1 november 2016 en/of de e-mail van 11 november 2016 van verweerder als intimiderend moeten worden beschouwd. Klagers hebben ook niet of onvoldoende toegelicht waaruit deze intimidatie concreet zou moeten blijken. De raad stelt vast dat verweerder zich in genoemde correspondentie behoorlijk heeft uitgelaten. De melding van verweerder in zijn brief van 1 november 2016 dat de buitengerechtelijke kosten niet meer zouden worden voldaan, kan niet anders worden gelezen dan het overbrengen van het standpunt van zijn cliënten daarover. Dit was ook het logische gevolg van het afbreken van het mediationtraject door klagers. Uit de brief van verweerder volgt naar het oordeel van de raad evenmin dat klagers zouden hebben ‘gelekt’ uit de vaststellingsovereenkomst.  Ook op dat punt treft het verwijt van klagers geen doel. Van andere feitelijke onjuistheden is de raad niets gebleken, ook bij gebreke aan een concrete onderbouwing van de klacht. Ook klachtonderdeel c oordeelt de raad ongegrond.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a niet-ontvankelijk;

-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Aldus gewezen door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. J.H. Brouwer, H. Dulack, E.J. Verster, K.J. Verrips, leden, bijgestaan door mr. L.M. Roorda als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2018.

 

Griffier                          Voorzitter

 

Verzonden d.d. 5 maart 2018

Meer informatie

Acties

Meta gegevens