Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2017:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2015-239

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2017:39
Datum uitspraak: 14-03-2017
Datum publicatie: 14-03-2017
Zaaknummer(s): 2015-239
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Deels gegronde klacht tegen een plastisch chirurg. Door patiënte in behandeling te nemen terwijl verweerder (vlak daarvoor) een seksuele relatie met haar is aangegaan is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Door de relatie heeft verweerder de behandelrelatie ‘vertroebeld’. Verweerder geeft geen blijk van enig twijfelen aan zijn handelen. Niet vast komt te staan dat verweerder misbruik maakte van de kwetsbare positie van patiënte door haar tot ingrepen te verleiden.  Voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.    

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

gemachtigde: mr. B. van Rein-Waker, werkzaam te Assen,

tegen:

C, plastisch chirurg,

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.R. Kastelein, werkzaam te Zwolle.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 2 oktober 2015,

- de brief van 27 oktober 2015 van klager,

- het verweerschrift,

- de repliek met bijlagen,

- de dupliek met bijlagen.

De partijen hebben afgezien van een mondeling vooronderzoek.

De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 17 januari 2017. De partijen zijn, bijgestaan door hun gemachtigden, verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Mr. Kastelein heeft pleitnotities overgelegd.

2.           De feiten

2.1       Klager is de (inmiddels ex-)echtgenoot van E, hierna te noemen: ‘patiënte’. Verweerder is werkzaam als plastisch chirurg in het F te D (F) en in de privé-kliniek G (G), eveneens te D. Op 4 mei 2010 heeft patiënte een onderooglidcorrectie ondergaan bij een collega van verweerder in het G. De hechtingen zijn destijds door verweerder verwijderd.

2.2       Patiënte heeft op 7 mei 2012 een aantal moedervlekken laten verwijderen door verweerder, gevolgd door een poliklinische controle op 13 juni 2012 bij verweerder. Deze ingreep heeft plaatsgevonden in het F. Tijdens het consult op 7 mei 2012 is ter sprake gekomen dat patiënte geïnteresseerd was in een borstvergroting. Verweerder heeft haar daarvoor verwezen naar G. In het medisch dossier heeft verweerder daarover op 7 mei 2012 aangetekend: “afspr. bij G om in te meten.”

2.3       Bij brief van 6 juni 2013 heeft het G aan patiënte een afspraak met verweerder bevestigd, die was gepland op 13 augustus 2013.

2.4       Op 7 juli 2013 hebben patiënte en verweerder elkaar toevallig ontmoet op een tennistoernooi. Op enig moment na dit tennistoernooi is er een seksuele relatie tussen verweerder en patiënte ontstaan.

2.5       Op 13 augustus 2013 heeft een consult tussen patiënte en verweerder plaatsgevonden. Dit consult had betrekking op een injectable behandeling, te weten de correctie van een ingezonken litteken na moedervlekverwijdering in het gezicht en een correctie van de traangootjes van het onderooglid. Ook heeft patiënte bij verweerder tijdens dit consult de borstvergroting aangekaart en heeft verweerder hiervoor lichamelijk onderzoek verricht.

2.6       Na een wachttijd van een week heeft verweerder op 21 augustus 2013 bij patiënte het litteken op de wang gecorrigeerd en haar traangootjes verzacht. Verder heeft hij met een injectable haar liplijn verbeterd. Ten slotte heeft patiënte op die dag de prothesen voor de borstvergroting gepast. Bij brief van 22 augustus 2013 heeft het G aan patiënte bevestigd dat de borstvergrotingsoperatie stond gepland bij verweerder op 1 oktober 2013.

2.7       Op 27 augustus 2013 en 3 september 2013 heeft verweerder nogmaals de liplijn van patiënte behandeld.

2.8       Op 19 september 2013 heeft patiënte zich gewend tot een gynaecoloog met de wens zich te laten steriliseren. De gynaecoloog heeft geweigerd die ingreep te verrichten.

2.9       Op 1 oktober 2013 heeft verweerder in het G een borstvergrotende operatie bij patiënte verricht. Kort na de ingreep werd op de verkoever een zwelling rechts waargenomen. In verband met een nabloeding is op de OK na evacuatie van het hematoom een drain ingebracht, waarbij patiënte opnieuw onder narcose is gebracht. Zij is diezelfde dag naar huis gegaan. Nadat patiënte in de ochtend van 2 oktober 2013 was flauwgevallen, is zij die avond opgenomen in het F. Zij is op 6 oktober 2013 weer uit het ziekenhuis ontslagen.

2.10     Patiënte is rond 14 oktober 2013 gebeld  door H, werkzaam als klachtenfunctionaris bij het F. Desgevraagd heeft patiënte jegens H ontkend dat zij een seksuele relatie met verweerder onderhield.

2.11     Op 22 oktober 2013 heeft verweerder een ingreep verricht aan de tongriem van de zoon van klager en patiënte.

2.12     Op 4 januari 2014 is patiënte opgenomen in het F wegens exacerbatie van haar astmatische klachten. Op 11 januari 2014 is zij uit het ziekenhuis ontslagen. Zij heeft verweerder daarop gevraagd geen contact meer met haar op te nemen en zij heeft bij het G gevraagd om behandeling door een andere arts. De seksuele relatie en de behandelrelatie zijn daarmee tot een einde gekomen.

3.           De klacht

Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven:

- dat verweerder een seksuele relatie is aangegaan met een patiënte, waarbij hij misbruik maakt van zijn positie en de psychische gesteldheid van patiënte;

- dat verweerder ingrepen bij patiënte in zijn kliniek aanmoedigde;

- dat hij het lichaam van patiënte eigenhandig ‘verbeterde’;

- dat hij daarbij misbruik maakte van de kwetsbare positie van patiënte;

- dat hij de nodige risico’s nam met de gezondheid van patiënte;

- dat hij de operatie van het zoontje van klager en patiënte naar zich toe getrokken heeft;

- dat de toenmalige bestuursvoorzitter van het F en het F nooit hebben ingegrepen.

4.        Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Hij heeft erkend dat hij een seksuele relatie met patiënte is aangegaan. Hij heeft patiënte leren kennen bij een tennistoernooi. Hij herinnerde zich niet dat hij meer dan een jaar eerder enkele hechtingen bij haar had verwijderd en een paar moedervlekken had verwijderd. Kort na dit tennistoernooi heeft hij een seksuele relatie met patiënte gekregen. Pas toen hij met patiënte al een seksuele relatie had, is haar wens een borstvergroting te ondergaan ter sprake gekomen, zo heeft verweerder verklaard. Het is volgens verweerder niet in strijd met enige (tucht)norm dat hij deze operatie bij patiënte heeft verricht. Ook de overige klachten heeft verweerder bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder verder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       De belangrijkste klacht is de klacht dat verweerder met een patiënte een seksuele relatie heeft gehad. Beoordeeld wordt of het aangaan en aanhouden van de relatie tussen verweerder en patiënte daadwerkelijk binnen een arts-patiënt relatie heeft plaatsgevonden. Tevens wordt beoordeeld of het verrichten van cosmetische ingrepen bij patiënte plaatsvond op het moment dat verweerder een (seksuele) relatie met patiënte had. Indien één of meer van bovenstaande feiten het geval blijken, wordt getoetst of deze handelwijze binnen de tuchtrechtelijke norm valt.

Seksueel contact tussen een arts en een patiënt die elkaar hebben leren kennen in het kader van een geneeskundige behandeling is niet geoorloofd. Dit wordt treffend verwoord door de titel van de KNMG-gedragsregel ‘Seksueel contact tussen arts en patiënt: Het mag niet, het mag nooit.’ (versie 2000). Voorts bepaalt de KNMG-richtlijn II.01 (‘Gedragsregels voor artsen’) onder II.11: “De arts dringt niet verder door tot de privésfeer van de patiënt dan in het kader van de hulpverlening noodzakelijk is. De arts onthoudt zich van contacten van seksuele aard binnen de hulpverlening. Verbale of lijfelijke intimiteiten zijn niet toegestaan.” De achtergrond van dit verbod is dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen arts en patiënt. Seksueel contact tussen arts en patiënt, in de woorden van het voornoemde  KNMG-consult, ‘vertroebelt op zijn minst de therapeutische relatie, maar kan zelfs ernstige schade aanrichten’.

5.2       Het verweer komt er op neer dat het seksuele contact tussen verweerder en patiënte een aanvang had genomen vóórdat er een geneeskundige behandelrelatie bestond en dat bovenstaande gedragsregels dan niet van toepassing zijn. Hierover overweegt het College het volgende. Klager heeft ter zitting verklaard dat hij er van uit gaat dat er pas een seksuele relatie is ontstaan na het consult van 13 augustus 2013; verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat deze relatie ongeveer een week na het tennistoernooi, dus medio juli 2013 is begonnen. Het College zal bij de beoordeling van de klacht van de verklaring van verweerder uitgaan. Op basis van de stukken kan het College niet vaststellen dat de feiten anders liggen. Uit eigen wetenschap kan klager hierover niet verklaren, aangezien patiënte hem pas veel later over deze seksuele relatie heeft verteld. Klager was ter zitting ook niet duidelijk over de vraag wanneer die seksuele relatie volgens patiënte dan zou zijn begonnen. Het College zal er dus van uitgaan dat de seksuele relatie is ontstaan medio juli 2013. Verder heeft verweerder verklaard dat hij zich patiënte niet herinnerde van de kortdurende poliklinische bezoekjes uit het voorjaar van 2012. Wat daar ook van zij: die behandelingen uit 2012 en 2010 zijn niet van doorslaggevend belang, aangezien die al meer dan een jaar voorafgaand aan het bewuste tennistoernooi hadden plaatsgevonden. Deze behandelcontacten behoefden verweerder niet van het aangaan van een seksuele relatie met patiënte te weerhouden, aangezien er met het verstrijken van dat jaar een voldoende lange wachttijd in acht was genomen.

5.3       Dan is dus de vraag aan de orde of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door patiënte vanaf augustus 2013 wederom in behandeling te nemen terwijl hij, naar eigen zeggen, vanaf medio juli 2013 een seksuele relatie met haar had. Het College beantwoordt die vraag bevestigend. Het College is van oordeel dat het feit dat de seksuele relatie enkele weken eerder is begonnen dan de behandelrelatie niet doorslaggevend is. De genoemde gedragsregels van de KNMG bepalen niet dat zij uitsluitend van toepassing zijn indien de seksuele relatie ontstaat nádat de behandelrelatie is ontstaan. Verweerder is, min of meer tegelijkertijd, met patiënte zowel een seksuele relatie aangegaan als een behandelrelatie. Daarmee heeft hij de behandelrelatie, in de woorden van het KNMG-consult, ‘vertroebeld’. Het is duidelijk dat patiënte in een afhankelijkheidsrelatie tot verweerder stond, die allicht haar blik op de geneeskundige behandeling, maar wellicht ook verweerders blik daarop, vertroebelde. Verweerder had moeten kiezen: waar hij enkele weken eerder een seksuele relatie met patiënte was begonnen, had hij moeten afzien van het aangaan van een behandelrelatie.

5.4       Klager heeft er voorts over geklaagd dat de behandelrelatie tussen verweerder en patiënte is beïnvloed door hun relatie, doordat verweerder ingrepen bij patiënte in zijn kliniek aanmoedigde, hij het lichaam van patiënte eigenhandig ‘verbeterde’ en daarbij misbruik maakte van de kwetsbare positie van patiënte. Het College is van oordeel dat een dergelijke inkleuring weliswaar mogelijk zou zijn, maar het College kan niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verweerder op te vérgaande wijze ingrepen in zijn kliniek heeft aangemoedigd en het lichaam van patiënte heeft ‘verbeterd’. Klager heeft niet betwist dat patiënte al eerder de wens had een borstvergrotende operatie te ondergaan, terwijl uit het dossier eveneens blijkt dat patiënte belang hechtte aan een verzorgd uiterlijk en in dat kader minst genomen niet afwijzend stond tegenover cosmetische (plastisch chirurgische) behandelingen. Verder heeft verweerder verklaard dat hij niet wist dat patiënte onder psychologische behandeling stond. Zij heeft hem dat niet verteld. Het College heeft geen grond om aan deze verklaring te twijfelen. Dat betekent enerzijds dat verweerder er niet mee bekend was noch behoefde te zijn dat patiënte op grond van trauma uit het verleden extra kwetsbaar was, maar anderzijds had hem wel duidelijk moeten zijn dat patiënte zich hoe dan ook, gezien de behandelrelatie met verweerder, jegens hem in een afhankelijke positie bevond, waarbij hij bovendien bekend was met haar huwelijksproblemen. Dit alles leidt per definitie tot enige kwetsbaarheid. Wanneer een arts gelijktijdig zowel een intieme relatie als een behandelrelatie onderhoudt met een patiënt, zal het veelal nauwelijks mogelijk zijn enerzijds te onderscheiden in hoeverre de patiënt zich gedrongen heeft gevoeld tot ondergaan van bepaalde behandelingen, en anderzijds vast te stellen in hoeverre de arts zijn blik op die behandelingen heeft laten beïnvloeden door zijn persoonlijke gevoelens. Dat verweerder in dit geval misbruik van de kwetsbaarheid van patiënte heeft gemaakt door haar tot ingrepen te verleiden, kan het College echter niet vaststellen.

5.5       Voorts heeft klager geklaagd dat verweerder de nodige risico’s nam met de gezondheid van patiënte. Hierover wordt het volgende overwogen. De dossiervorming van verweerder is te slordig, met name doordat er geen verslag is gemaakt van de spoedingreep op 1 oktober 2013. In zoverre is de klacht gegrond. Dat patiënte op de avond van 1 oktober 2013 na een tweede narcose naar huis is gestuurd acht het College bedenkelijk. Het ware beter geweest als zij, nadat zij die dag twee maal een ingreep onder narcose had ondergaan, een nacht in het ziekenhuis was geobserveerd. Het gaat er bij een tuchtrechtelijke beoordeling echter niet om of het handelen van verweerder beter had gekund, maar om de vraag of dat handelen is gebleven binnen de grenzen van hetgeen voor een redelijk handelend en redelijk bekwaam arts aanvaardbaar is. Het College acht dit laatste verwijt niet zodanig ernstig, dat verweerder die grenzen daarmee heeft overschreden. Dat verweerder patiënte begin januari 2014 uit het ziekenhuis heeft meegenomen en dronken heeft gevoerd, heeft hij betwist. Het College kan niet vaststellen dat dat wel is gebeurd, zodat die klacht wordt verworpen. Dat verweerder een afspraak tussen patiënte en andere artsen heeft afgezegd, heeft hij ook betwist. Ook dat kan het College niet vaststellen zodat ook die klacht wordt verworpen.

5.6       De klacht dat verweerder de operatie aan de tongriem van de zoon van patiënte en klager naar zich toe heeft getrokken en dat hij deze zoon heeft geopereerd zonder toestemming van klager, is ongegrond. Klager heeft op de zitting verklaard dat hij zijn zoon voor die behandeling naar de kliniek heeft gebracht, maar dat hij niet mee de behandelruimte is ingegaan en dat hij verweerder die dag niet heeft ontmoet. Klager heeft voorts verklaard dat hij het met de operatie niet eens was. Verweerder heeft verklaard dat dat hij wist dat klager zijn zoon naar de kliniek had vergezeld en dat hij er van uit ging dat klager akkoord was met de ingreep. Onder die omstandigheden heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door er van uit te gaan dat klager instemde met de behandeling.

5.7       Klager klaagt er ten slotte over dat de bestuursvoorzitter van het F en het F niet hebben ingegrepen. Die klacht betreft niet verweerder. Daarop stuit die klacht af.

5.8       De conclusie is dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van patiënte behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is dan ook gedeeltelijk gegrond. 

5.9       Het College zal aan verweerder een voorwaardelijke schorsing opleggen. Het baart het College zorgen dat verweerder noch in zijn schriftelijke verweer noch ter zitting blijk heeft gegeven van enige twijfel, al was het maar achteraf, aan zijn handelen. Hij heeft zich daar niet van gedistantieerd. Het College gaat er echter van uit dat verweerder met deze maatregel voldoende doordrongen zal raken van de onaanvaardbaarheid van zijn gedrag en dat hij in staat zal zijn dit in de toekomst te voorkomen. Dat brengt het College er toe om de schorsing voorwaardelijk op te leggen.

5.10     Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg bekend worden gemaakt op hierna te vermelden wijze.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

schorst de inschrijving van verweerder in het BIG-register voor de duur van zes maanden

en bepaalt dat deze schorsing voorwaardelijk is en niet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd, tenzij verweerder voor het einde van een proeftijd van twee jaren na het onherroepelijk worden van deze beslissing zich opnieuw schuldig maakt aan tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag,

bepaalt dat deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact en het Nederlands Tijdschrift voor Plastische Chirurgie ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide, voorzitter, mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, lid-jurist, dr. R.A. Christiano, prof. dr. J.F. Hamming en dr. J.P. van der Sluijs, leden-artsen, bijgestaan door mr. S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.