ECLI:NL:TGZCTG:2017:160 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.154

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2017:160
Datum uitspraak: 18-05-2017
Datum publicatie: 01-06-2017
Zaaknummer(s): c2016.154
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Aan klager is een TBS maatregel opgelegd. Klager verwijt de gz-psycholoog dat de door hem opgestelde zesjaarsrapportage onzorgvuldig is opgesteld omdat de door de gz-psycholoog geraadpleegde stukken onvolledig waren. De gz-psycholoog heeft belangrijke stukken uit het patiëntendossier niet bij zijn onderzoek betrokken terwijl hij wist of had moeten weten van het bestaan daarvan. Het RTG Eindhoven verklaart de klacht gegrond, legt de gz-psycholoog de maatregel van waarschuwing op en bepaalt de publicatie na het onherroepelijk worden. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2016.154 van:

A., gz-psycholoog, werkzaam te B., appellant,

gemachtigde mr. A.W. Hielkema te Utrecht,

tegen

C., verblijvende te D., verweerder in beroep,

gemachtigde mr. N.M. van Wersch te Amsterdam.

1. Verloop van de procedure

C. - hierna te noemen klager - heeft op 20 juli 2015 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen A. - hierna te noemen de gz-psycholoog - een klacht ingediend. Bij beslissing van 10 maart 2016, onder nummer 15101, heeft dat College de klacht gegrond verklaard en aan de gz-psycholoog de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het College heeft voorts bepaald dat om redenen aan het algemeen belang ontleend, de beslissing, zodra zij onherroepelijk is geworden, zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften De Psycholoog en GZ-Psychologie.

De gz-psycholoog is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal College van 28 maart 2017, waar zijn verschenen de gz-psycholoog, bijgestaan door

Mr. Hielkema, en mr. Van Wersch. Verweerder is niet verschenen.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Aan klager is een TBS-maatregel opgelegd.

Verweerder heeft in het kader van een vordering tot verlenging van de TBS-maatregel van klager in opdracht van het NIFP een zogenoemde zesjaarsrapportage opgesteld, gedateerd 15 april 2015. Bij e-mail van 18 februari 2015 aan onder meer verweerder is door het NIFP aangegeven dat ten behoeve van de rapportage het complete TBS-dossier via OwnCloud (het college begrijpt derhalve op digitale wijze) ter beschikking werd gesteld. Bij e-mailbericht van verweerder aan het NIFP van 17 maart 2015 schrijft verweerder (citaat inclusief spel- en taalfouten overgenomen):

“in de beslissing van het Hof Arnhem van 5 juni 2014 wordt op bladzijde 1 gesproken over

(…)

· PJ rappprot van [psychiater] van 12 september 2013

· PJ rapport van [psycholoog] van 7 september 2013

Zien jullie kans deze rapporten in de cloud te krijgen? Ze staan niet in het aangereikte dossier en lijken wel relevant. (…)”

Hierop is door het NIFP geantwoord op 18 maart 2015:

“(…)

Er is bij ons geen rapport bekend van [psychiater] en [psycholoog].”

Bij het opstellen van de zesjaarsrapportage heeft verweerder niet de beschikking gehad over pro justitia rapportages van [psycholoog] van 26 januari 2012 en

7 september 2013 en van [psychiater] van 12 september 2013. In de lijst met geraadpleegde stukken is voorts niet opgenomen de tussenbeslissing van het gerechtshof Arnhem van 30 september 2013, het daaraan ten grondslag liggende proces-verbaal van de zitting van 16 september 2013 en de beslissing van het gerechtshof van 5 juni 2014.

In de tussenbeslissing en de eindbeslissing van het gerechtshof Arnhem worden de pro justitia rapportages uit 2012 en 2013 genoemd.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerder dat de door hem opgestelde zesjaarsrapportage onzorgvuldig is opgesteld omdat de door verweerder geraadpleegde stukken onvolledig waren. Verweerder heeft belangrijke stukken uit het patiëntendossier niet bij zijn onderzoek betrokken, terwijl hij wist of had moeten weten van het bestaan daarvan . Met name ontbr e ken rapportages van [psycholoog] van 26 januari 2012 en

7 september 2013 en van [psychiater] van 12 september 2013. Voorts is de rapportage opgesteld zonder dat verweerder de tussenbeslissing van het gerechtshof Arnhem van 30 september 2013, het daaraan ten grondslag liggende proces-verbaal van de zitting van 16 september 2013 en de beslissing van het gerechtshof van 5 juni 2014 daarbij heeft genoemd.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder is van mening dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden dat hij de door klager genoemde stukken niet bij zijn onderzoek en rapportage heeft betrokken. De door hem opgestelde rapportage voldoet aan de in de tuchtrechtelijke jurisprudentie ontwikkelde criteria en is niet onzorgvuldig opgesteld.

Verweerder heeft de opdracht voor de pro justitia rapportage van het Ministerie van Justitie ontvangen. Ten behoeve van de rapportage is door de opdrachtgever een dossier samengesteld. De opdrachtgever heeft op digitale wijze toegang verschaft, waarbij is aangegeven dat dit het complete tbs-dossier zou betreffen. De ontbrekende stukken (pro justitia rapportages) zijn verweerder niet door de opdrachtgever ter beschikking gesteld. Deze stukken maken ook geen onderdeel uit van het patiëntendossier. Indien de pro justitia rapportages van [psycholoog] en [psychiater] aan verweerder beschikbaar zouden zijn gesteld, dan zou hij deze hebben kunnen opnemen in zijn rapportage.

Verweerder is van oordeel dat hij er op moet kunnen vertrouwen dat de opdrachtgever bij het verlenen van de opdracht zorgdraagt voor de juistheid en de volledigheid van de aangereikte onderliggende informatie. Een rapporteur kan niet zelfstandig vaststellen of de aangereikte informatie volledig is. Verweerder is bovendien zelf voldoende alert geweest op de juistheid van de aangereikte informatie en heeft aantoonbaar navraag gedaan naar die informatie. Hij hoefde ook niet te twijfelen aan het antwoord dat hij daarover van de opdrachtgever ontving.

Verweerder heeft nimmer van klager vernomen dat hij van mening was dat de rapportage op basis van onvolledige informatie tot stand was gekomen, ook niet na toezending en bespreking van het conceptrapport.

5. De overwegingen van het college

Een rapportage zoals door verweerder is uitgebracht, wordt volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege aan de hierna volgende criteria getoetst:

1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke

gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het Centraal Tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de rapporteur uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

Klager klaagt over de zorgvuldigheid, vanwege het onvolledig zijn van de stukken waarop de rapportage is gebaseerd.

Wat betreft de beslissing van het gerechtshof Arnhem van 5 juni 2014 staat vast dat dit stuk niet wordt genoemd onder de geraadpleegde stukken; anderszins volgt uit het overzicht van de inhoud van het aan verweerder ter beschikking gestelde dossier alsmede uit de email-correspondentie met het NIFP dat hij hierover de beschikking had. Er dient dan ook vastgesteld te worden dat door het niet opnemen daarvan in de geraadpleegde stukken niet is voldaan aan het onder (4) bedoelde criterium waaraan rapporten getoetst worden; het rapport vermeldt niet alle bronnen waarop het berust.

Wat betreft de pro justitia rapportages van 26 januari 2012, 7 september 2013, en

12 september 2013 staat vast dat deze stukken niet genoemd worden onder de geraadpleegde stukken, worden deze stukken ook niet genoemd in het overzicht van de inhoud van het aan verweerder ter beschikking gestelde dossier. Het college stelt in dit verband voorop dat de enkele omstandigheid dat verweerder een rapportage heeft opgesteld zonder kennisname van bepaalde stukken nog niet maakt dat hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit is mogelijk wel het geval indien vast staat dat verweerder wist dan wel redelijkerwijs behoorde te weten dat hij dit deed. Het college is van oordeel dat dit wat betreft de hiervoor genoemde pro justitia rapportages het geval is. Vast staat immers dat verweerder beschikte over een stuk (uitspraak van 5 juni 2014) waarin ze genoemd worden. Verweerder heeft voorts in correspondentie met het NIFP aangegeven dat de stukken voor zijn rapportage relevant zouden zijn en heeft het NIFP verzocht hem deze stukken alsnog ter beschikking te stellen. Het had op de weg van verweerder gelegen tenminste in zijn rapportage aan te geven dat hij niet beschikte over deze stukken en welke stappen hij had ondernomen ze te verkrijgen. Nu verweerder heeft nagelaten dit in het rapport te vermelden voldoet het rapport reeds om die reden niet aan het onder (1) te stellen criterium; het rapport vermeldt niet volledig de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust.

Het college is voorts van oordeel dat verweerder niet kon volstaan met verwijzen naar (zijn onsuccesvol verzoek aan) het NIFP. Het college wijst in dit verband op de Gedragscode van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, met name artikel 4.5 dat bepaalt dat de deskundige binnen de reikwijdte van zijn opdracht persoonlijk al het noodzakelijke onderzoeksmateriaal verzamelt of dit (mede) onder zijn verantwoordelijkheid laat doen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, voldoet het rapport daarmee eveneens niet aan het onder (2) te stellen criterium; het rapport geeft onvolledig blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden.

Aan dit alles doet niet af dat klager bij het conceptrapport niet heeft geklaagd over het rapport te meer niet nu het rapport niet direct inzichtelijk maakt dat bepaalde stukken niet zijn geraadpleegd of gebruikt. Het vermelden daarvan was belangrijk geweest zodat het een aanknopingspunt voor gesprek met klager was geweest. Het rapport was daarmee voor klager inzichtelijk geweest en hij had daarop makkelijker aanmerkingen kunnen maken. Nu verweerder dit heeft nagelaten kan hij zich reeds daarom niet verschuilen achter het destijds niet-klagen van klager.

Resteren de tussenbeslissing van het gerechtshof Arnhem en het daaraan ten grondslag liggend proces-verbaal. Van deze stukken staat vast dat verweerder ze niet heeft geraadpleegd bij het opstellen van de rapportage. Het college is van oordeel dat het ontbreken van deze stukken niet zonder nadere toelichting leidt tot het onzorgvuldig zijn van het rapport. Niet is aangegeven welke inhoudelijke gegevens of beoordelingen die niet via een van de andere brondocumenten voldoende naar voren komen hierdoor niet in het rapport zijn opgenomen terwijl voorts niet is komen vast te staan dat dergelijke tussenbeslissingen en/of proces-verbaal gebruikelijk wel aan een pro justitia rapportage ten gronde worden gelegd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de klacht gegrond is.

Het college stelt voorop dat onzorgvuldig handelen in een situatie als de onderhavige – waarin het gaat over verlenging van vrijheidsbeperkende maatregelen – een ernstig gegeven is. Het college heeft echter kunnen vaststellen dat er door verweerder enige, zij het onvoldoende, moeite is gedaan om een aantal gegevens te achterhalen. Nu voorts niet blijkt van eerder soortgelijk handelen van verweerder en evenmin is gebleken dat verweerder geen lering zal trekken uit deze beoordeling van de klacht is het college van oordeel dat volstaan kan worden met een waarschuwing. Daarbij wordt aangetekend dat een waarschuwing een zakelijke terechtwijzing is die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd.

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 In beroep heeft de gz-psycholoog zeven grieven tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en geconcludeerd deze te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, de klacht ongegrond te verklaren, althans de overwegingen te herzien die aan de gegrondverklaring ten grondslag liggen.

4.2 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3 De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege voegt daar nog het volgende aan toe.

4.4 De gz-psycholoog heeft als verweer aangevoerd dat hij niet in staat was zelfstandig onderzoeksmateriaal te verzamelen, omdat hij daarbij afhankelijk was van het NIFP.

Dit verweer wordt verworpen. In het tussenarrest van het Hof wordt verwezen naar de Pro Justitia rapportages. Bovendien wordt er in dat tussenarrest uitvoerig uit die rapportages geciteerd. Onder die omstandigheden had de gz-psycholoog niet alleen geen genoegen mogen nemen met het antwoord dat deze rapportages niet bestonden, maar had hij in zijn rapportage ook melding moeten maken van zijn pogingen de betreffende stukken te achterhalen.

4.5 De gz-psycholoog heeft ter zitting nog gesteld dat het Regionaal Tuchtcollege de door dit college gehanteerde norm te stringent heeft toegepast. Artikel 4.5 van de gedragscode NRGD (versie 1.0 van 23 december 2009) is inmiddels, onder invloed van hetgeen al onder beroepsgenoten gebruikelijk was, gewijzigd. Ging de oude norm nog uit van de verplichting van de deskundige persoonlijk al het noodzakelijk onderzoeksmateriaal te verzamelen, de nieuwe norm verplicht de deskundige om opheldering te vragen bij onduidelijkheid in de opdracht. Daaraan is in dezen voldaan, aldus de gz-psycholoog.

4.6 Dit standpunt van de gz-psycholoog wordt verworpen. Niet alleen bestond de nieuwe norm ten tijde van het litigieuze handelen van de gz-psycholoog nog niet, maar ook de nieuwe norm gaat er van uit dat op door de deskundige gestelde vragen bevredigende antwoordendienen te komen. In het onderhavige geval had de kwestie bij de gz-psycholoog ten minste vragen moeten oproepen . Ook de nieuwe norm had de gz-psycholoog dus niet ontslagen van de verplichting nadere informatie te verzamelen.

4.7 Nu de grieven falen, dient het beroep te worden verworpen.

4.8 In beroep is niet gebleken dat de gz-psycholoog de ernst van de tekortkoming beseft. Het Centraal Tuchtcollege zal derhalve de overweging van het Regionaal Tuchtcollege, dat niet is gebleken dat verweerder geen lering zal trekken uit de beoordeling van de klacht, vernietigen.

4.9 Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege desondanks van oordeel dat de maatregel van waarschuwing passend is. Het college zal voorts bepalen dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep, voor zover het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen dat niet is gebleken dat de gz-psycholoog geen lering zal trekken uit de beoordeling van de klacht;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan de tijdschriften De Psycholoog en GZ-Psychologie, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. dr. B.J.M. Frederiks en mr. E.F Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en drs. G.L.G Couturier en

mr. drs. L.C. Mulder, leden-beroepsgenoten en mr. C.F. van Spanje-van Klaveren, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2017.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.